Rivier de Lossie

Update (1e post 1 mei):

Rivier de Lossie is Alfred Birney’s literaire comeback na een periode van columns, recensies, verhalen en artikelen schrijven naast redactiewerk en ghostwriting. Het boek is fraai uitgevoerd, gebonden met stofomslag, en is te bestellen bij AKO, Bol.com, Boek.net (gratis verzending!), Boox.nl (gratis verzending!), Bruna, Central Point (gratis verzending!), Cosmox (gratis verzending!) , Libris, NLStore (gratis verzending!), Selexyz, Van Stockum of kijk bij Beslist en vergelijk prijzen en levertijden.


rivier de lossie portret alfred birney door kim kroon vrij te gebruiken

Hoe komen drie benen op een wapenschild terecht en meer dan duizend jaar later op het etiket van een ketjapfles? Waardoor worden mensen soms dagenlang achtervolgd door hetzelfde lied? Waarom zijn het zo vaak onbekenden die ons heel anders naar de dingen laten kijken? Vragen uit de sfeervolle novelle Rivier de Lossie, die zich afspeelt in Schotland in de beginjaren negentig van de vorige eeuw. Een Nederlandse folkgitarist is er op zoek naar zijn Schots-Aziatische voorgeschiedenis. Tegen het decor van leisteen en voortspoedend water ontmoet hij een betoverende vrouw die hij uit een ballade uit zijn vroegere repertoire meent te herkennen. Maar wie is zij in werkelijkheid? Rond hun kortstondige samenzijn spelen thema’s die altijd actueel zijn: oorlog, migratie, afkomst, de fascinatie voor het onbekende en het noodlot.

Een clandestiene folkclub lag ergens boven in een hoekhuis in het Renbaankwartier, waar je de zee kon ruiken. Er was geen alcohol of marihuana, wel hete soep. Schaakborden, gedempte conversaties. Op een barkruk zat een jongen met een bebrild vollemaansgezicht, varkenslijf en worstvingers geweldig gitaar te spelen. De jongen zong in het Gaelic. Ik verstond hem niet maar begon een land te missen waar ik nog nooit geweest was.

‘Ook de Nederlandse literatuur heeft haar geheimen. Een van de best bewaarde heet Alfred Birney. Dit is uiterst verfijnd proza – tastbaar en tegelijk ongrijpbaar als water, een stille kracht in de Nederlandse literatuur.’

Dat schreef de Standaard der Letteren eens over Alfred Birney, zoon van een Nederlandse moeder en een Indo-Chinese vader met Schotse wortels. Veelvuldig terugkerende motieven in zijn literaire werk zijn vervreemding van familie, voortdurend raadselen in verband hiermee oplossen en het onvermogen tot identificatie met moederland of vaderland.

…werkelijk prachtig verteld - Michiel van Kempen in Caribisch uitzicht.

…een aangename ontdekking - Ricco van Nierop in De Rescensent.

Lees een interview van Floor de Booys in Den Haag Centraal.

Beluister een streamed radio-interview over Rivier de Lossie.

Rivier de Lossie is een novelle geworden zoals alleen Alfred Birney die kan schrijven. Economisch geschreven als het is, staat er geen woord teveel. Maar wat er staat klinkt nog lang na herlezing door. - Ezra de Haan in Literatuurplein.nl.

Een aanrader? Ja. - Ed Caffin in Indisch3.0.

…werkelijk mooi en beeldend proza. - Patrick Wouters in Moesson.

…subtiele vertelling… - Jan-Hendrik Bakker in AD Haagsche Courant.

Meer dan geslaagde rentree… meesterlijk… een prachtige novelle - Biblion.

Lees een interview van Kirsten Vos in Archipel Magazine.


ernst jansz speelt op presentatie alfred birney amsterdam 2009

Foto: Ernst Jansz staat klaar om The Ferryman’s Daughter van Donovan te vertolken op Alfred Birney’s presentatie van Rivier de Lossie. Amsterdam: boekhandel Schreurs en De Groot, 29 mei 2009.

Treinspoor naar het dak van de wereld

bosma-terug-uit-de-kolonien.jpg China is hot. Tibet is cold, ook wanneer er toeristen worden toegelaten. De grote Chinese leider Mao liet ruim een halve eeuw terug twee wegen aanleggen naar de woeste hoogten van een van de geheimzinnigste gebieden ter wereld. Voor elke kilometer viel een arbeider dood neer, maar een kniesoor die daar op lette. Wat hadden de Chinezen eigenlijk te zoeken in dat hoge, bijkans onherbergzame Tibet met zijn gevreesde hoogteziekte, die alleen Tibetanen kunnen weerstaan?

De Amerikaanse antropoloog Abrahm Lustgarten wijdde er een boek aan. Het is vertaald door Gerrit Jan Zwier en houdt het midden tussen een reisverslag, een antropologisch onderzoek en journalistiek. Centraal staat de aanleg van een spoorlijn in de huidige eeuw over ruim 1100 kilometer naar het dak van de wereld. Alleen Chinezen, met hun traditie van spoorwegen aanleggen, halen zich zoiets in hun hoofd. Er moest veel, heel veel voor het plan wijken. Zesduizend kloosters werden vernietigd, om maar wat te noemen. Toeristen die zich mogen vergapen aan gouden boeddha’s, bekijken replica’s van wat ooit door de Chinezen werd geroofd en omgesmolten. Dat wordt hen natuurlijk niet verteld.

Hoewel Lustgartens sympathie uitgaat naar de onderdrukte groep, komt hij ook met enkele boeiend geschreven portretten van Chinezen die met de bouw van de enorme spoorlijn te maken hadden. Het zijn de prettigst leesbare stukken. De politiek staat immers ver van de gewone mens af en kan dan ook bijna niet anders dan droog worden neergepend. Zoals de vroege bemoeienis van de Engelsen met het gebied en de actieve rol van de Amerikaanse CIA, die de Tibetaanse guerrilla’s trainde maar tegelijk de Chinese heerschappij over Tibet officieel erkende.

De expansiedrift van de Chinezen gaat niet alleen om Tibets ijzererts en overige delfstoffen. De krankzinnige goudkoorts die maandelijks honderdduizend Chinezen naar de trein doet hollen, maakt van de hoofdstad Lhasa een protserig en poenig oord van kitsch en hoererij, waar Tibetaanse kinderen in een wereld van gadgets hun eigen taal niet meer zuiver spreken.

Nog geen twee jaar geleden was de Qinghai-Tibetspoorlijn opeens gevuld met soldaten van het Volksbevrijdingsleger. Die zou buitenposten van het Indiase leger aan de betwiste grens met Arunachal Pradesh hebben vernietigd. Oorlogen zullen in de toekomst om water gaan en beide enorme landen zijn afhankelijk van wat er uit de Himalaya omlaag stroomt.

Lustgarten lijkt al zijn kennis over Tibet in dit ene boek te hebben willen proppen. Gevolg is dat na vele bladzijden over die ene krankzinnige spoorlijn er in hoofdstuk 10 opeens een hypermodern vliegveld in Lhasa uit de hemel komt vallen. Door een overvloed aan details is dit boek niet direct geschikt als vakantielectuur. Maar daar is het ook niet voor bedoeld. Het is maar dat u het weet.

Auteur: Abrahm Lustgarten
Titel: Het spoor naar Tibet.
Paperback, aantal pagina’s 320 (met noten)
Uitgever: Atlas
Prijs: € 24,90

© 2009 Alfred Birney. Deze recensie verscheen eerder verkort en geredigeerd in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 6 juni 2009 onder de titel Met de trein naar Tibet.

Rivier de Lossie - fragment (1)

(1)

Het was in mijn veertigste levensjaar. Door het plotselinge uiteenvallen van een band die me had gecontracteerd voor een festival in Schotland leek mijn vliegticket waardeloos geworden. Maar ik had mijn komende afwezigheid overal al aangekondigd. Ik greep de gelegenheid aan om de bedevaart te ondernemen die ik mezelf ooit als jongeling had voorgenomen te maken. Sluipenderwijs zou het lot me aan een hiaat in mijn bestaan komen herinneren.

Tijdens de voorbereidingen op mijn reis herinnerde ik me uit een donkere episode van mijn verleden een scène waarin de voetsporen van mijn leven onzichtbaar voor me uit dansten. Ik had mijn gitaar achtergelaten op een feestje bij een Amerikaanse jongen die na zijn schooltijd op de Nederlandse American High School in Den Haag was blijven hangen. Met een buurjongen, die net in het studentenhuis waar ik zat was komen wonen, wandelde ik naar het huis van de Amerikaanse jongen aan de Conradkade. Het was een huis van expats, er werd niet opengedaan. Mijn buurjongen, ook een gitarist, dacht dat er politie aan de deur werd vermoed en dat de voordeur daarom gesloten bleef. Amerikaanse kinderen van kosmopolitische ouders waren vaak huiverig voor politie-invallen in die tijd, ze waren dat gewend in eigen land.

Toch maakte het me wantrouwig. Ik was bang dat ik mijn gitaar voorgoed kwijt zou zijn. Mijn buurjongen schudde misprijzend zijn hoofd, maakte een geruststellend gebaar en stelde voor terug te gaan naar huis.

Ik voelde me wat verloren, de wind joeg duizenden herfstbladeren over de brug, we doken diep in onze jassen. Ik vroeg me af hoe mijn nieuwe buurjongen gitaar zou spelen en bekeek zijn vingers, die zich kromden rond de revers van zijn ouderwetse loden jas.

Mijn buurjongen werd geroepen door een Iers stel aan de overkant. We schoolden met ons vieren samen op de vluchtheuvel tussen de tramrails op de kruising van de Laan van Meerdervoort en de Conradkade. De Ierse jongen droeg een lange jas met capuchon en had zijn gitaarkoffer volgeplakt met kleurige stickers die een reis om de wereld verrieden. Zijn gezellin had een vioolkoffer onder haar arm.

De jongens beraadslaagden waarheen te gaan. Het meisje en ik zwegen, het was op een avond in 1971, ik was twintig, zij misschien wat jonger, de jongens waren iets ouder. De Ierse jongen wilde naar Café Chantant aan het Noordeinde. Maar volgens mijn buurjongen was het dringen geblazen als je daar op zaterdagavond wilde spelen. Hij bleek de stad goed te kennen, was al vaak verhuisd, en wist wel iets anders.

We liepen over de laan richting bioscoop Metropole en sloegen af bij de ambassadewijk. Uit een villa klonk jazzmuziek, ik zag mensen in avondtoilet voor de ramen en droomde er het pluche en de kroonluchters bij. Het meisje en ik liepen zwijgend achter de jongens aan. Ik hoorde ze spreken over David Crosby, die een solo-elpee had uitgebracht. Ik kende de plaat, ik huiverde altijd bij het laatste nummer, een soort gregoriaans uit de kelen van spoken in een onwezenlijk escheriaans trappengewelf. De titel was I’d swear there was somebody here en vormde een verhaal zonder woorden met de elpeetitel: If I could only remember my name

De jongens doodden de tijd onderweg langs de Scheveningse Bosjes met een discussie over de betekenis van David Crosby’s lyriek. De een hield het op een hang naar de reïncarnatieleer, de ander op een diep gemis zonder duidelijke voorstelling van wat dat gemis precies kon zijn. Misschien bedoelden ze hetzelfde maar luisterden ze niet goed naar elkaar.

Een clandestiene folkclub lag ergens boven in een hoekhuis in het Renbaankwartier, waar je de zee kon ruiken. Er was geen alcohol of marihuana, wel hete soep. Schaakborden, gedempte conversaties. Op een barkruk zat een jongen met een bebrild vollemaansgezicht, varkenslijf en worstvingers geweldig gitaar te spelen. De jongen zong in het Gaelic. Ik verstond hem niet maar begon een land te missen waar ik nog nooit geweest was.

Rivier de Lossie - fragment (2)

(2)

Op de eerste dag van mijn bedevaart reisde ik met de trein naar het vliegveld, waar ik als enige door de douane werd gefouilleerd. Er zaten alleen blanke mensen in het vliegtuig, Nederlanders en Schotten door elkaar, de meeste passagiers ongetwijfeld met nauwe familiebanden.

In Schotland aangekomen had ik geen last van de douane. Ik liet me met de eerste de beste taxi naar Aberdeen brengen. In de granieten stad nam ik het eerste het beste logement dat de taxichauffeur me voorstelde. Het was een huis dat zich in krapte en benauwdheid liet vergelijken met een ordinair Nederlands pension ergens in de provincie.

De gastvrouw nodigde me uit in de keuken en serveerde soep met brood. Ze schoof gemoedelijk bij me aan en stak een sigaret op terwijl ze me guitig mededeelde dat het in de overige vertrekken verboden was te roken.

Ik vond haar Hollands aandoen, ze sprak alleen in een andere taal. Misschien was het makkelijker de mensen voortaan maar te onderscheiden in Europeanen en Aziaten, bedacht ik, met mijzelf als Euraziatisch ertussenin.

Ze blies nonchalant een wolk sigarettenrook naar het gebarsten plafond. Net als ik, moest ze een jaar of veertig zijn. Ze zag er gezellig slonzig uit. Ik vroeg me af waar haar echtgenoot uithing, als ze die al had. Ze babbelde tegen me aan over haar dagelijks leven en klaagde over buitenlandse IT-ers die ze vaak in huis kreeg.

‘Ze bevlekken het beddengoed,’ zei ze, ‘en laten ranzige boekjes in de nachtkastjes achter.’

Daarop begon ze over de lasten van het leven, niet de materiële maar de spirituele. Reïncarnatie was volgens haar een troost en vloek tegelijk.

‘Jullie geloven daar toch ook in reïncarnatie, of niet?’

‘Ik weet het niet,’ zei ik, wars van zweverige gesprekken, die ik al te vaak had gevoerd. En ik vroeg me af wat ze bedoelde met ‘jullie daar’. Ze had mijn paspoortgegevens genoteerd en gezien dat ik uit Nederland kwam. Bedoelde ze ‘jullie daar in Nederland’ of ‘jullie Euraziaten’, mocht ze mij voor zo iemand houden? ‘Euraziaat’ was nog een puur Engelse term, die ze tot mijn spijt in Nederland niet gebruikten.

Nergens ter wereld was ik voor een Nederlander aangezien. Meestal voor een Indonesiër, een Indiaan of Maori. In Indonesië, waar komaf een nog grotere rol speelt dan in Nederland, was ik aangezien voor een Molukker, Menadonees of toch gewoon voor een Indo, wat daar weinig meer betekent dan dat je een lichte huidskleur hebt en veel op een acteur lijkt uit de een of andere film of televisieserie. Indonesiërs hebben er weinig weet van dat er een half miljoen Indo’s in Nederland rondlopen met een geschiedenis die teruggaat tot de beginjaren van de VOC. In de negentiende eeuw speelden Indo’s een grote rol in het amusementsleven in Nederlands-Indië, men zag ze veel op de toneel- en muziekpodia en ze zijn ook in het huidige Indonesië nooit van dat imago afgekomen. Dat was voor sommigen zo slecht nog niet, zolang ze de schoonheidsnorm wisten te halen. In Nederland kon Indo-etniciteit juist een hindernis zijn bij casting voor film of toneel, maar weer minder op de muziekpodia, al lagen ook daar beperkingen: een serieuze Surinaamse Country & Western-band, om maar wat te noemen, zou heel wat uit te leggen hebben.

‘Je hoeft denk ik niet iets te wéten om ergens in te geloven,’ poneerde de vrouw nog om het gesprek gaande te houden.

Maar ik zweeg, deed alsof ik vergeten was waar het over ging en boog me peinzend over mijn soepkom.
De vrouw liet het gesprek maar rusten, drukte haar sigarettenpeuk uit en ging de ruiten van de keukenkasten poetsen. Later, toen ik op bed lag te rusten, hoorde ik haar beneden zingen.

Wat zong ze? Was het iets in Gaelic? Waren haar ouders, haar grootouders, haar overgrootouders en allen die hun voorgingen in Schotland geboren? Was zij zo vast geworteld in dit land dat ze er eenvoudig geen weet van had? Dat was voor mij iets om jaloers op te kunnen worden.

Op de thee bij Lao Tsé

Met de opkomst van China en India als twee wereldmachten is het niet onverstandig om eens een kijkje te nemen in de schatkamer van het filosofische verleden van beide landen. Je hoeft daarvoor niet direct complete antieke boekwerken door te nemen. Dat heeft Michel Dijkstra al voor u gedaan in een alleraardigste bloemlezing. In een inleiding van amper tien bladzijden vat hij de kern van de Oosterse filosofie samen. Die kent hindoeïstische, taoïstische en (zen)boeddhistische varianten. Van de grote denkers en wijzen is Lao Tsé wel een van de bekendste, maar Zhuang Zi is met zijn onnavolgbare gedachtegang toch ook niet te versmaden. Dijkstra zelf is een goede leerling: zijn verhelderende aantekeningen benaderen de eenvoud als van die hij de revue laat passeren. Wat een verademing naast onze tobberige Westerse filosofen en de voortdurende aandacht in de media voor christenen en moslims.

Auteur: Michel Dijkstra
Titel: Bij Lao Tsé op de thee.
Paperback, aantal pagina’s 188
Uitgever: Prometheus

© 2009 Alfred Birney. Dit signalement verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 25 april 2009. Alleen de eerste 50 woorden van deze recensie mogen worden overgenomen, gevolgd door een link naar deze pagina.

Natuurlijke recycling als begrafenisritueel

aasgier Elk mens stelt zich weleens zijn begrafenis voor. Dat neem ik aan, ik heb er nooit iemand naar gevraagd. De een droomt zich een crematie met serene muziek, de ander een klassieke begrafenis met een fanfare, een derde ziet zijn as in een ruimtesonde rond de aarde cirkelen. Ikzelf ben wat beducht voor de oven van een crematorium, stel je voor dat je toch nog even wakker wordt, dan lig je toch maar mooi in de hel te branden. En tijd is relatief, zoals u weet. In een kist onder de grond lijkt me ook al niks, daarvoor heb ik te veel Edgar Allan Poe gelezen in mijn jonge jaren. Ik stelde me eens voor dat mij een onheuglijke tijding was bereikt van een ongeneeslijke ziekte. Ik had nog maar drie maanden te leven. Zoiets. Wat zou ik doen? Ik zou een enkele reis naar Indonesië nemen en daar de rimboe opzoeken om er te sterven, liefst zo dicht mogelijk bij de krokodillen. Dan hadden zij aan mij een lekker hapje, niemand zou mij ooit terugzien en eh… ja, mijn dood zou een eeuwig raadsel blijven. Een dood zónder begrafenis dus.

Nou heb ik net mijn recensie van Het spoor naar Tibet van Abrahm Lustgarten (uit het Engels vertaald door Gerrit Jan Zwier) naar het AD gemaild, die het in een van de komende weken in de zaterdagbijlage zal opnemen. Er zit een voor mij treffende anekdote in het boek. Die begint zo (blz 209):

“Die herfst overleed Kaldens vader op 57-jarige leeftijd. Monniken uit een klooster voerden de begrafenisrituelen uit, waarna het lichaam van de oude man op een heuveltop aan de overkant van de rivier in stukjes werd gehakt, waar de gieren konden neerstrijken en het vlees meenemen…”

Alweer een bevestiging van mijn idee dat ik in het verkeerde land ben geboren.

Onder embargo

Uitgeverijen krijgen steeds meer babbels. Ze hebben nog geen last van de economische crisis, waarschijnlijk omdat de gemiddelde boekenlezer wat hoger opgeleid is en dientengevolge beter in de slappe was zit. Ze sturen je een uitdraai van de een of andere drukproef in de hoop dat je recensie al in de krant staat op het moment dat het boek verschijnt. Ik weet niet meer welke uitgever hiermee is begonnen, maar die trend is gezet ergens in de jaren negentig. Alles moest snel, sneller, snelst. Cultuurverschijnsel, ja, dat weet ik ook wel.

Moet je horen: ik ontving laatst zo’n proefdruk “onder embargo”. Dat wil zeggen dat het boek nog niet uit is maar dat je alvast mag gaan werken aan je review. Nou, is dat niet geweldig? Alsof ik niets beters te doen heb dan alleen maar strontvervelende boeken lezen van zichzelf schromelijk overschattende mensen die nog nooit hebben geleerd een fatsoenlijke bladzijde te schrijven. Ja, ze hebben veelal een rits artikelen op hun naam staan en denken dan dat als je er twintig achter elkaar plakt, je zoiets als een boek krijgt. Nou, een boek krijg je wel, maar leesbaar is het niet. Enfin, daar wilde ik het niet over hebben. Er zit natuurlijk weleens wat tussen, als je geluk hebt. Nee, wat een uitgever in zijn brief durft te zetten:

“U ontvangt deze proef onder embargo. Het boek verschijnt begin april. Dit is een ongecorrigeerde drukproef…”

Tot zover gaat het nog wel. Behalve dat “begin april”, daar zjn we al voorbij en bovendien wordt op de website van de betreffende uitgeverij de maand mei genoemd. Dat ze vragen om twee “bewijsnummers’ is een probleem van de krant, en van de uitgevers zelf: ze zijn gewoon te lui om kranten te lezen. Maar nu komt de zin die me in het verkeerde keelgat schoot:

“…indien u wilt citeren uit deze tekst verzoeken wij u contact op te nemen met de uitgeverij.”

Dus je schrijft je stuk en dan moet die lui een beetje gaan bellen om te vragen of de betreffende zin nog altijd zus luidt en niet niet zo?

Ja, en nu we u toch aan de telefoon hebben… wat staat er nog meer in uw recensie? We willen ons natuurlijk niet met de inhoud bemoeien, maar het kan natuurlijk altijd zo zijn dat een bepaalde passage op het laatste moment is geschrapt, begrijpt u?

Ik begin nu toch warempel het vermoeden te krijgen dat er recensenten zijn die hun stukken met feedback van de uitgevers schrijven, zich er misschien zelfs voor laten betalen. Nou is de rol van de recensent niet meer wat die is geweest natuurlijk, gaandeweg nemen bloggers hun rol over, vaak zijn dat net afgestudeerde jonge literatuurwetenschappers die denken dat ze verstand van boeken hebben omdat ze James Joyce hebben ontleed. Ook al zo’n afgrijselijke ontwikkeling.

Het kan natuurlijk nog erger: dat lezers op verzoek van online boekhandelaren een gratis exemplaar krijgen van een boek naar keuze, mits ze het voor de online boekhandel recenseren. Het schijnt dat leken in vergelijking met ervaren recensenten de neiging hebben een boek dan wel overdreven de hemel in te prijzen dan wel de grond in te stampen. Iets daartussenin bestaat niet. Je bent voor of tegen een boek. Zoiets krijg je dan. Schreeuwcultuur rond boeken.

Dat pak papier van die uitgever met zijn voorlopige versie heeft mijn humeur verziekt. Het is al een verzoeking om met al die A4-tjes rond te zeulen en aantekeningen te maken, maar na zo’n brief met een verzoek om contact op te nemen met de uitgever gelezen te hebben, vliegt dat pak papier meteen bij mij de prullenbak in.

De volgende keer ga ik namen noemen.

Postkoloniale geschiedenis in Nederland

bosma-terug-uit-de-kolonien.jpg In het kielzog van Lizzy van Leeuwen met Ons Indisch erfgoed volgt Ulbe Bosma met Terug uit de koloniën. De eerste bood ons een uitgebreide blik op Indisch Nederland van na de Tweede Wereldoorlog tot op heden. Ulbe Bosma verdiept die periode door heel postkoloniaal Nederland onder de loep te nemen. Naast Indo’s komen Molukkers, Surinamers, Antillianen en Arubanen aan bod. Vergeleken met ex-koloniale mogendheden, zoals Engeland en Frankrijk, is het “postkoloniale debat” in Nederland nooit van de grond gekomen. Wij spreken liever van het “multiculturele drama” en zoomen dan in op de “arbeidsmigranten”. Bosma maakt wel uitstapjes naar die groep, maar blijft verder stevig bij de les. Met zijn brede kennis is het soms jongleren en koorddansen geblazen. Toch weet hij een interessant en hopelijk invloedrijk verhaal te maken van wat Nederland bij voorkeur onder het tapijt zou vegen.

Auteur: Ulbe Bosma
Titel: Terug uit de koloniën.
Paperback, aantal pagina’s 448 (met noten)
Uitgever: Bert Bakker
Prijs: €19,95

© 2009 Alfred Birney. Dit signalement verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 18 april 2009. Alleen de eerste 50 woorden van deze recensie mogen worden overgenomen, gevolgd door een link naar deze pagina.

De taart en de kat

Ik had mijn oog laten vallen op een enorme taart, die door de vertrekkende gasten niet was aangeroerd. Uit beleefdheid voor de gastvrouw wachtte ik totdat alle gasten vertrokken zouden zijn. Toen dat het geval was, zag ik tot mijn ontsteltenis dat de gastvrouw de huiskat de taart voorzette. Ik keek de kat jaloers aan en nam me voor hem de taart te ontfutselen zodra de gastvrouw zich had afgewend. Maar de kat schrokte de taart op als een vraatzuchtig monster. Toen ik wakker werd in mijn vrijgezellenflat, was ik het voorval vergeten. Ik nam een douche. Bij het afdrogen wiste ik het vocht van de beslagen spiegel. Over mijn borst liepen de nagelstriemen van een flinke kat.

Pasen is koud in Den Haag

Pasen is koud in Den Haag. Het algemene weerbericht is zelden van toepassing op de plaatsen direct aan de kust. Een vriend sms’t me dat het in Utrecht stralend weer is. Tweede Paasdag is al net zo saai als de Tweede Kerstdag. Gelukkig woon ik in een multiculturele buurt. Multiculturele samenlevingen zijn een zegen. Kijk maar over duizend jaar, dan is de hele wereld multicultureel. Turkse moslims hebben vandaag hun winkels open. Ze lijken op de Hollandse kruideniers uit de zestig. In een zelfbedieningszaak spreken klanten Engels, Duits, Pools, Hongaars, Turks, Nederlands en nog wat, Servokroatisch of zo. Oost-Europese vrouwen dragen petjes en lange getailleerde jassen, ze zijn vaak wat fragieler dan Hollandse vrouwen. Ze durven nog steeds niet naar andere mannen te kijken, zijn verlegen. Een Indonesisch meisje vroeg me in het Engels of ik haar wilde helpen met het uitkiezen van bloem. Ze zocht gewone bloem. Voor cake, roti kukus iets. Haar vriend was blank, lang, misschien Zweeds.

boeken, columns, verhalen, recensies, blog