Schrijven aan een boek kan merkwaardig associatief gedrag veroorzaken. Zo luister ik deze dagen aldoor naar de onderstaande aria van Händel, het Ombra mai fù uit de opera Serse (Xerxes) (1738), vertolkt door de Japanse countertenor Yoshikazu Mera. Tegelijk leg ik de laatste hand aan het derde en laatste deel van mijn novellenreeks. Het eerste, Rivier de Lossie (2009), speelt in Schotland. Het tweede, Rivier de IJssel (2010), speelt in Nederland en het deel-in-wording (2011, lente) speelt op Java.
Dit derde deel is een quasi roadshow, met terugblikken op onder andere de oorlog die Nederland in Indonesië voerde nadat het land zelf was bevrijd van de Duitsers. Een oorlog die eufemistisch de Politionele Acties worden genoemd, door Ad van Liempt gebombardeerd tot Een mooi woord voor oorlog. Ik ga daar niet diep op in, ook niet op de Japanse bezetting die enkele jaren eerder plaatsvond. Wél op de liefde die een familielid van me opvatte voor een Japanse officier. Zeg maar een verhaal zoals Il portiere di notte (1973) van Liliana Cavani (The Nightporter), maar dan zonder een weerzien. Ik beschreef het al eens in het verhaal Zonder gezicht, gepubliceerd in de verzamelbundel Vertrouwd en Vreemd (2000), maar bewerk het nu in een andere context.
Er is veel geschreven over zogeheten “troostmeisjes” maar weinig tot niets over meisjes die eenvoudig een liefdesaffaire hadden met Japanse officieren. Mijn vader haatte Japanners en alles wat met Japans te maken had. Veel Indische mensen en Indo’s haatten Japanners. Ik ben opgegroeid in een milieu waarin de haat jegens Japanners nog sterker was dan de huidige weerzin van Hollanders jegens Marokkanen op alle denkbare niveaus, tot aan de landelijke politiek toe.
De haat die mijn vader koesterde tegen de Japanners heb ik niet overgenomen. Mijn broer evenmin. Hij nam ooit luitlessen bij een Japanse leraar, in een tijd waarin de vader van een vriend van me met een hakbijl een piano van Japans fabrikaat te lijf ging, die zijn dochter in alle onschuld had aangeschaft.
Japanners kunnen gek zijn op Europese kunst en cultuur. En andersom, Europeanen kunnen dol zijn op Japanse kunst en cultuur. Literatuur, gevechtskunst, muziek, schilderkunst, beeldende kunst, architectuur… Kunstenaars staan veelal boven het ordinaire geweld van alledag of proberen gedachtes aan oorlog te bezweren door zich in de kunstuitingen van de (voormalige) tegenpartij in te leven. Yoshikazu Mera is zo iemand. Zijn stem klinkt hemels. Cross-over artiesten geven me altijd hoop op een fatsoenlijker wereld. Altijd.
Vers online een artikel / interview van Kirsten Vos naar aanleiding van mijn novelle Rivier de Lossie:
Rivier de Lossie is de rentree van Alfred Birney op het schrijverstoneel. De in dertig hoofdstukken opgebouwde novelle is een vertelling van een Indische man over zijn rootsreis naar Schotland. Tijdens een wandeling langs de Lossie kruist het pad van de hoofdpersoon dat van een onbekende vrouw. Ondersteund door het lied The Ferryman’s Daughter van de Schotse folkzanger Donovan Leitch, bewegen hoofdpersoon, vrouw en rivier steeds dichter naar elkaar toe. Een volkslegende blijkt daar iets mee te maken hebben. Hiermee heeft Birney een eigentijdse variant op de Indische mythes en sages geïntroduceerd, zonder te vervallen in voor de hand liggende parallellen met Indonesië. In gesprek met de auteur verken ik de vele dimensies van deze pageturner.Lees verder hier…
Ik heb nog nooit iemand een ander overhoop laten schieten, in mijn proza welteverstaan, althans niet zo koelbloedig als in mijn bijdrage aan het schrijversfeuilleton dat deze zomer speelt in Den Haag Centraal. In mijn verhalenbundel Fantasia gebeurt wel zoiets, in het verhaal De huurmoordenaar, maar dat is geen misdaadgenre. In Den Haag Centraal staat deze week mijn bijdrage aan het schrijversfeuilleton Doelwit Den Haag. De opmaker heeft wat moeten goochelen om de tekst passend op een hele bladzijde te krijgen. Hierdoor zijn wat alinea’s weggevallen. Maar het verhaal is wel te volgen en de illustratie is geweldig: een gangster, een pistool in de ene, een schaaltje haring in de andere hand. Er is weliswaar een fout ingeslopen door het heen-en-weer mailen met een redacteur. In de oorspronkelijke versie staat ergens dit:
‘We zijn op een missie voor die nieuwsgierige collega van je,’ zei de man op de voorbank. Als je wilt dat die jongen blijft leven, werkt dan mee. Wil je dat hij sterft, met jou erbij, weiger dan elke medewerking. Hier is je tekst, leer die uit je hoofd.’
Er is “werkt” blijven staan omdat ik “u” schrapte uit “werkt u”. Typische nalatigheid door het schrijven op een pc. Na wat redactioneel commentaar komt het volgende er te staan, maar de echte fout wordt er niet uitgehaald:
‘We zijn op een missie voor die nieuwsgierige collega van je,’ zei de man. Als je wilt dat hij blijft leven, werkt dan mee. Wil je dat hij verdwijnt, met jou erbij, weiger dan elke medewerking. Hier is je tekst, leer die uit je hoofd.’
Na een tweede ronde staat er:
‘We zijn op een missie voor die nieuwsgierige collega van je,’ zei de baas. Als je hem terug wil zien, werkt dan mee. Hier is je tekst, leer die snel uit je hoofd.’
Na de derde ronde wordt het:
‘We zijn op een missie voor die nieuwsgierige collega van je,’ zei de baas. ‘Als je hem terug wil zien, werkt dan niet meer. Hier is je tekst, leer die snel uit je hoofd.’
Ten slotte staat er in de krant:
‘We zijn op een missie voor die nieuwsgierige collega van je,’ zei de baas. ‘Als je hem terug wil zien, werk dan niet meer. Hier is je tekst, leer die snel uit je hoofd.’
Omdat de fout er niet is uitgehaald, moest de corrector of eindredacteur er maar een slag naar slaan. Dit kan gevolgen hebben voor de auteur die na mij komt. Hij of zij zou kunnen denken dat de heldin niet meer naar haar werk durft te gaan. Voor het verloop van het feuilleton maakt het weinig uit: dat is sowieso ongewis. De editie van Den Haag Centraal is nog vier dagen in de losse verkoop te krijgen, voor zover ik weet alleen in Den Haag. Een abonnement nemen kan ook.
Nu de meerderheid van de eerste generatie Indische mensen van de aardbodem is verdwenen, beginnen hun nazaten zich roeren in (veelal zelfuitgegeven) memoires en geschriften. Er zitten flink wat mensen bij die een (blanke) vader hadden, die al de oorlog in werden ingestuurd (de zogenoemde Politionele Acties in Indonesië: “Een mooi woord voor oorlog” volgens Ad van Liempt) voordat Nederland helemaal bevrijd was geworden door de geallieerden.
Soms neemt iemand contact met me op, met de vraag of ik kan helpen bij het uitrafelen van allerlei oorlogstoestanden in Indië/ Indonesië. De laatste tijd reageer ik veelal narrig dat ik niets meer met die vervloekte oorlog te maken wil hebben. Ikzelf ben, of liever gezegd was, meer geïnteresseerd in de ervaringen van kinderen van ouders met een oorlogstrauma: de gekte die kinderen overgedragen kregen. Het beste voorbeeld daarvan is mijn roman De onschuld van een vis (1995), herdrukt in Indische gezichten.
Fictie is voor mij een bevredigender manier om de nasleep van een oorlog te tonen dan non-fictie. Ik geloof niet zo in non-fictie. Ik geloof dat zodra je de pen oppakt je de geschiedenis al begint te kleuren. Er zijn acht familieleden van mij door de Japanse bezetters de dood ingejaagd. Als fictieschrijver zoek ik naar de kern van oorlog en volg dan liever één persoon die de dood in wordt gejaagd dan acht personen. Mijn vader schreef zijn oorlogservaringen neer gedurende de dertien jaar waarin ik met hem leefde. Ik hoorde elke avond die ratelende schrijfmachine. Eenmaal uit huis weggehaald door de kinderbescherming en geplaatst in een internaat hoorde ik die dominante schrijfmachine niet meer. De oorlog in Indië raakte op de achtergrond.
Later, toen ik een grote jongen was en ik mijn vader regelmatig bezocht, vroeg ik om verhalen over zijn jeugd van vóór de oorlog. Kortom: de Tjalie Robinson stuff. Dan begonnen de verhalen over de jacht, goena-goena en mooie Chinese meisjes, maar die mooie vertellingen gingen naadloos en in no time over in die afschuwelijke verhalen over de oorlog. En weer later kreeg ik te maken met Indische instanties die zich via allerlei invalshoeken met de oorlog bezighielden. Toen mijn vader stierf in 2005 kreeg ik een klap. Er viel iets weg. Ik donderde in een gat. Ik moest me opeens met iets anders gaan bezighouden dan met die vervloekte oorlog. Ik begon de oorlog te haten, als ik dat al niet deed, en probeerde de oorlog af te zweren. Evenwel, oorlog komt altijd wel terug in mijn boeken (mijn postkoloniale werk, niet in de rest van mijn proza), eenvoudig omdat oorlog bij de wereldgeschiedenis hoort en omdat mensen nu eenmaal jaloers, egoïstisch en oorlogszuchtig zijn.
In mijn novelle Rivier de Lossie (2009) speelt de herinnering aan een hele verre oorlog, tussen de Scoten en de Picten. Dat is in de negende eeuw na Christus. Er komt ook een flits van de oorlog in Nederlands-Indië voorbij. Maar het eigenlijk verhaal gaat heel ergens anders over. Zo ook in Rivier de IJssel (2010). Oorlog speelt wel op de achtergrond, maar de koloniale geschiedenis, de handelsgeest van de Hollanders en racisme staan veel meer op de voorgrond. Maar dan… Ergens schrijf ik het volgende in Rivier de IJssel:
Alexander bleef niet lang in Batavia en trad in dienst als controleur bij het Binnenlandse Bestuur. Hij begon zijn ambtelijke loopbaan in Blitar, een plaatsje in de buurt van Kediri op Oost-Java.
Blitar… Die naam deed me denken aan een wonderlijk verhaal van mijn vader. In dat kleine plaatsje had hij zijn eerste levensjaren bij familie van zijn moeder doorgebracht. Ze had hem erheen gestuurd vanwege een zweer achter het oor. Als die niet zou genezen, was hij ten dode opgeschreven. Een oom heeft hem met kruiden uit de jungle behandeld. Zo stond het in zijn memoires geschreven.
Maar laat Blitar nou juist dát ene plaatsje zijn waar hij twintig jaar later als jongeman tijdens de oorlog met een troep Nederlandse mariniers met vlammenwerpers mensen uit hun huizen heeft gebrand!
Wie snapt zoiets?
Verwarring, vragen waar geen antwoord op komt, rusteloos zoeken naar zoiets als waarheden, hopeloos constateren dat racisme mijn overgrootmoeder al overkwam in 1870 in Deventer. Maar ook: de liefde, de muziek, onvergetelijke ontmoetingen, rivieren die blijven stromen terwijl mensen komen en gaan. Ik verwerk allerlei motieven in een novelle en hoop dat er een juweel tevoorschijn komt. De herinnering aan mijn vaders oorlog laat ik allengs achter me. Het was zijn oorlog. Het is verdomme mijn oorlog helemaal niet.
Maar dan… Archipel Magazine komt uit. Zomaar een zomernummer rond Bali. Toerisme, toch? Stuit ik zowaar op een artikel met de titel: De getuigenissen van FX Harsono (zie de vorige post op dit weblog). Midden op de tweede bladzijde prijkt een vetgedrukte quote:
‘Op beide doeken staan familieleden afgebeeld naast in 1951 door zijn vader gefotografeerde doodshoofden, die in de buurt van Blitar voor herbegrafenis uit Chinese massagraven waren opgegraven.’
Wacht eens even. Mijn vader is daar als een beest tekeer gegaan, heeft er kampongs platgebrand en locals overhoop geschoten, als ik zijn memoires moet geloven. Stel dat dat echt zo was? Zijn moeder was een Chinese. Zijn oom was een Chinees. Het wemelde kennelijk van de Chinezen in Blitar. Volgens het artikel zijn er 191 Chinezen tijdens de vrijheidsstrijd in 1947 en 1948 vermoord door Indonesische vrijheidsstrijders, die de Chinezen als medestanders van de Nederlanders zagen.
Begin ik nu stilaan iets te begrijpen wat een mens helemaal niet zou moeten begrijpen? Dat mijn vaders afgrijselijke wandaden met een stel Nederlandse mariniers een persoonlijke wraakoefening was? Kijk, je kunt de oorlog wel achter je willen laten, of die van je vader, maar je blijft er toch je hele leven aan herinnerd worden. Dit soort geschiedenissen krijgen geen plek in de Nederlandse geschiedenisboeken. Ze krijgen een plek in de beeldende kunst van een kunstenaar die ik niet ken, en in de boeken van een schrijver die hij niet kent.
Archipel Magazine’s zomernummer is een Bali Special. Voor deze gelegenheid heb ik een rol als interviewer. Ik neem zelden interviews af. Als ik het doe, dan is het nooit een opdracht maar een voorstel van mezelf. In een grijs verleden interviewde ik eens twee gitaristen: Ted Oberg van Livin’ Blues en Ton van Bergeyk, indertijd uitgeroepen tot ’s werelds beste fingerpicker. Ik interviewde ook eens een ouderwetse zetter, die handmatig partituren stempelde in een tijd waarin computers nog als UFO’s werden gezien. In deze eeuw interviewde ik Bjørn Aris, een martial artist die zich aan de kunst van het Japanse zwaardvechten wijdt. En dan nu de vijfde in een rij met enorme intervallen: Aafke de Jong, een kameleontische danser die zich beweegt tussen de werelden van Balinese en moderne westerse dans. Ze staat er mooi in. Een 5 uur durende bandopname heb ik teruggebracht tot twee pagina’s tekst. Het was leuk en leerzaam om te doen.
In het nummer staan verder artikelen over Balinese plekken waar alles nog ongerept is, voor zover dat al mogelijk is. Mooi is het stuk over een Nederlandse vrouw die een weeshuis heeft opgericht. Een ander stuk gaat over een Nederlandse vrouw die trouwt met een Balinees en zo vanzelf Balinees wordt. Er wordt dan ook van haar verwacht dat ze meedoet aan offers maken met onder meer klapperbladeren. Ze weet al bijna 14 jaar lang uitvluchten te verzinnen om zich niet met dat ingewikkelde gepruts bezig te hoeven houden. Hoezo aanpassen?
Emma Kwee, de beste columnist sinds het vertrek van de Indische columnisten, komt wat minder lichtvoetig uit de hoek dan ik van haar gewend ben. Ze beschrijft de verschrikkelijke armoede van mensen die ’s nachts onder fly-overs slapen en overdag op kruispunten hun hand ophouden. Er schijnen zelfs mensen te zijn die ledematen laten amputeren om er nog meer als een hulpbehoevende uit te zien. Haar relaas komt overigens uit Bandung.
Nico Vrielink is een Nederlandse kunstenaar die met zijn vrouw op Bali woont en mooie werken maakt. Zijn verhaal sluit goed aan op mijn vertaling van het Engelstalig essay van de Jakartaanse kunstpaus Richard Oh, die de Indonesische overheid aanvalt op een gebrek aan aandacht voor de eigen cultuur.
Een andere kunstenaar is FX Harsono, een Indonesische Chinees die in 1948 in Blitar is geboren. Op twee van zijn doeken staan familieleden van hem afgebeeld naast in 1951 door zijn vader gefotografeerde doodshoofden, die in de buurt van Blitar voor herbegrafenis uit Chinese massagraven waren opgegraven. Ik kom hier spoedig in een volgende posting op terug.
Het ligt in de bedoeling van de hoofdredactie dat Archipel Magazine het Indische element laat varen en dat het tijdschrift zich volledig gaat richten op de Indonesische archipel en omstreken. Die overgang moet geleidelijk gaan, want er staan nog altijd flinke stukken in met een directe link naar Nederlands-Indië. Rudy Kousbroek wordt, terecht, herdacht door Kees Schepel. Het stuk van Kester Freriks over zijn vader als telegrafist bij de luchtvaart, waarin een lus wordt gemaakt naar de boeken van Madelon Lulofs, valt ook niet direct binnen de nieuwe opzet van het blad. En het verslag over Indisch 3.0 op de Tong Tong Fair al helemaal niet. Het gedoe tussen de Pasar Malam Indonesia en de Tong Tong Fair, voorheen de Pasar Malam Besar, waar veel mensen helemaal niets van snappen, past weer wél in de nieuwe opzet maar laat meteen zien dat de scheiding tussen Indonesië en Nederlands-Indië in het Nederlandse taalgebied gewoonweg moeilijk te maken is. Dat zie je ook aan een blad als Moesson, waarin allengs meer aandacht komt voor Indonesië, al ligt het accent daar duidelijk op “tempo doeloe”.
Het grootste verschil tussen de oude en de nieuwe opzet ligt tot dusver in de keuze van de columnisten. Alleen Emma Kwee en Hans Vervoort zijn overgebleven. De eerste richt zich zonder meer op Indonesië. De tweede neemt een kijkje in New York en Amsterdam voor een vergelijkend onderzoek naar corruptie in westerse en oosterse landen. De nieuwe opzet is dus nog niet duidelijk zichtbaar. Archipel Magazine is nog altijd Archipel Magazine. Zeer leesbaar, uitstekende artikelen, maar nog niet los van het Indische verleden.
Naast het genoemde staat er natuurlijk veel meer in het blad; de culinaire rubriek, allerlei nieuws, gesignaleerde boeken etc. Veel plezier met het lezen van Archipel Magazine! Het blad is verkrijgbaar bij de stationskiosken.
De Tong Tong Fair, waar ik mijn jongste novelle Rivier de IJssel had zitten signeren, was nog niet afgelopen of ik zat in een totaal andere Haagse sfeer: die van de misdaadroman, conspiracy stuff rond politiek and all that:
Het jaar 2010 zal vermoedelijk bekend worden als een roerig jaar in de Haagse geschiedenis. De politiek lijkt steeds meer het domein te worden voor populistische sentimenten. Blijft Den Haag de trotse stad voor Internationaal Recht en Vrede, of wordt het een stad waarin scheidslijnen haarscherp langs etnische of religieuze kenmerken worden gelegd? Wordt het huilen in Den Haag, of valt er ook nog wat te lachen? De krant Den Haag Centraal laat een estafettefeuilleton verschijnen waarin door verschillende auteurs, ieder op eigen wijze, over het Haagse lief en leed kritisch, humoristisch, literair, met een knipoog naar de actualiteit, als een pastiche of in welke andere vorm dan ook, wordt verhaald. Het verhaal speelt in Den Haag, met veel topografie, en alle emoties zitten er in: verdriet, woede, vreugde, romantiek, verraad en – wie weet – ook nog moord en doodslag.
Wekelijks verschijnt er een aflevering in Den Haag Centraal met een lengte van 1500 woorden. De afleveringen worden zonder auteursnaam gepubliceerd. Wel worden de namen van alle deelnemende auteurs wekelijks vermeld. Dit is voor de aan het estafettefeuileton gekoppelde publiekswedstrijd, waarbij men aan de hand van stijlkenmerken en dergelijke tracht vast te stellen wie de auteur van de week is. De hoogste eindscore wordt beloond met een prijs. Reeds verschenen afleveringen worden later wel met auteursnaam gepubliceerd op de website van Huilen in Den Haag. Het estafettefeuilleton zal worden gebundeld en in alle Haagse boekwinkels te koop zijn tijdens het evenement Huilen in Den Haag.
Parallel aan het feuilleton loopt een beeldwedstrijd. Bekroonde inzendingen worden periodiek in Den Haag Centraal gepubliceerd en zullen later in de Affiche Galerij in de tramtunnel en de Centrale Bibliotheek aan het Spui worden geëxposeerd.
De climax wordt een groot feest voor auteurs en publiek in de Centrale Bibliotheek aan het Spui. Het feest vindt plaats tijdens het UIT-weekend ergens in het najaar. Tijdens dit feest zal het boek met daarin de verzamelde afleveringen van het feuilleton worden gepresenteerd en de expositie van de bekroonde inzendingen van de beeldwedstrijd worden geopend.
Voor het estafettefeuilleton was ook ik gevraagd voor het schrijven van een aflevering. Het brein van het vooraf bedacht plot is Tomas Ross en ik en mijn collega’s hebben dan ook een nogal ingewikkeld slot voorgelegd gekregen. Ik had gevraagd mij zo vroeg mogelijk op de kalender te zetten, zodat ik kon ontsnappen aan allerlei losse eindjes die voorgaande auteurs laten liggen, want ja: daar kun je op wachten. Maar dat is ook wel de sport natuurlijk, je tekst zo goed en kwaad als maar mogelijk zo schrijven dat het verhaal goed blijft lopen. Ik was onlangs aan de beurt en moest wat troep opruimen van mijn voorgangers. Sommigen hadden zich er makkelijk vanaf gemaakt door de hoofdpersoon met veel introspectie rond te laten dolen. Dat had ik eigenlijk ook gewild, maar na een aantal (geplande) afleveringen dreigde het verhaal aan spanning en actie in te boeten, dus ik heb maar even wat bloed, seks, kidnapping en vaart in mijn aflevering gestopt. Ik heb nog nooit iemand een ander met een revolver overhoop laten schieten, maar nu ik dat heb laten gebeuren kan ik dat ook weer op mijn lijstje van fictionele ervaringen zetten. Benieuwd of mijn tekst er zonder redactionele verminkingen in komt te staan.
De gevraagde auteurs zijn verder Wim de Bie, Sjaak Bral, Bart Chabot, Inez van Dullemen, Mensje van Keulen, Yvonne Keuls, Kees van Kooten, Roel Janssen, Tomas Ross, Helga Ruebsamen, Kees Ruys, Hans Sahar, Jan Siebelink, Nicolette Smabers, Jill Stolk, Marcel Verreck en Lulu Wang. Wie er uiteindelijke allemaal meedoen is mij niet bekend.
De eerste aflevering, van Tomas Ross, verscheen in Den Haag Centraal op woensdag 26 mei 2010. Nummer gemist? Nabestellen kan.
Alfred Birney is nog twee dagen te vinden op de Tong Tong Fair – zaterdag 29 en zondag 30 mei a.s. – om er zijn jongste boeken te signeren: Rivier de Lossie (2009), Rivier de IJssel (vers van de pers) en de herdruk van zijn omstreden bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998/2010).
Ik schreef een roadshowverhaal onder de titel Javaans Vuurwerk voor De Reisgids Indonesië – Oorlogsplekken 1942-1949. Het boek, met belangrijke historische informatie, maakt de reiziger letterlijk en figuurlijk wegwijs in de oorlogsjaren van 1942 tot 1949, van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië tot aan de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië. Een zoektocht naar de sporen van dit verleden: interneringskampen, begraafplaatsen, musea, monumenten en andere plekken van herinnering. Een gids met historische achtergronden én actuele beschrijvingen en leestips. Een gids die ooggetuigen,
en zeker ook kinderen en kleinkinderen inzicht geeft in de jaren van toen binnen de context van het postkoloniale heden.
De Reisgids Indonesië – Oorlogsplekken 1942-1949 is een praktische gids bovendien, die de reiziger ter plekke de weg wijst met informatie over bijvoorbeeld hoe de, soms moeilijk traceerbare, locaties te vinden, over logies en eten en drinken. Fraaie (detail)kaarten helpen daarbij.
Een uitbreiding van de gids is te vinden op de website: www.reisgidsindonesië.com. Via de website wordt de informatie van de gids actueel gehouden en worden objecten ontsloten waarvoor in de gids geen plaats was of waarover de informatie gebrekkig. Bezoekers aan de site kunnen nieuwe of gewijzigde informatie aandragen.
Redactie: M.C.A. van Bijnen, Noes Lautier, S.J. van Schuppen
Auteurs: Hans van den Akker, Alfred Birney, Ferry Bounin & Paulien van der Geest, Esther Captain en Wim Manuhutu.
De gids is te bestellen bij o.a. Bol.com en in de reguliere boekhandel.
Deze uitgave en de daarbij behorende website zijn tot stand gekomen in het kader van het programma Erfgoed van de Oorlog van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).
Rivier de IJssel is Alfred Birney’s follow up van zijn geroemde boek Rivier de Lossie, maar kan ook zelfstandig, of in omgekeerde volgorde gelezen worden. Het boek is mooi uitgevoerd, gebonden met stofomslag, en is te bestellen bij AKO, Bol.com, Boek.net, Bruna, Wannabooks, ECI, Van Stockum, Occident, Boox.nl, Selexyz, of via Beslist.nl, waar je kunt kiezen uit online shops. Het boek is uiteraard ook verkrijgbaar (direct dan wel te bestellen) bij de reguliere boekhandel! Uitgeverij Knipscheer: 2010. ISBN: 978-90-6265-650-9. 112 blz. €16,50.
Een muzikant hoopt op een wilde nacht met een zangeres die hij moet begeleiden. Maar er is een derde in het spel: een dubbelganger die hem een vervreemdend gevoel geeft over zijn afkomst en een grote kennis van het Nederlands koloniaal verleden aan de dag legt. De muzikant krijgt het idee te moeten kiezen tussen de liefde en zijn zucht naar historische kennis. Wellicht zal hij zijn vaders motieven leren doorgronden: een politiek vluchteling onder de vlag van Nederland anno 1950. Met dit boek toont de schrijver dat migratie geen eenrichtingsverkeer is en dat racisme overal op de loer ligt. Rivier de IJssel is geschreven door iemand die weet hoe het voelt te leven in een land waar de mensen jou vertrouwd zijn maar jij hun niet.
Alfred Birney signeert zijn nieuwe boek op de Tong Tong Fair in de ‘Stand van Stichting Tong Tong’ op:
woensdag 19 mei: 16.00 – 17.00 u
donderdag 20 mei: 19.30 – 20:30 u
vrijdag 21 mei: 15.00 – 16:00 u
zaterdag 22 mei: 15.00 – 16:00 u
zondag 23 mei: 15.00 – 16:00 u
woensdag 26 mei: 16.00 – 17:00 u
zaterdag 29 mei: 19.30 – 20:30 u
zondag 30 mei: 17.00 – 18:00 u
Heeft u een account bij Facebook, Twitter, Tumblr, Hyves of waar dan ook, en u vindt dit bericht de moeite waard om door te sturen, click dan op een van onderstaande buttons. Dank u! (Ziet u geen buttons, dan zit u op de homepage en moet u eerst op de titel van het bericht clicken.)
Finger-Picking technieken
voor de akoestische gitaar
een introduktie op folk, blues en ragtime deel 1
Den Haag, 1e druk 1979; 2e, herziene druk 1981
Paperback 48 blz. 21 x 30 cm
ISBN 90 70 106 82 5 NUGI 580
Van Alfred Birney, ooit gitarist en gitaardocent, verscheen 30 jaar geleden een revolutionaire gitaarmethode in twee delen. De boeken worden nog altijd gebruikt op muziekscholen voor lessen op de akoestische gitaar. Alfred Birney introduceerde destijds in Nederland het gecombineerde noten- en tabulatuursysteem, dat later grote navolging kreeg. Uitstekend zelfstudiemateriaal voor de beginnende singer-songwriter! Deel 1 is nu te bestellen in PDF. Deel 2 volgt binnenkort.
Eindelijk is er een revolutionair boek over gitaarmuziek, nota bene in het Nederlands, verschenen. Revolutionair omdat het, met goed begrip voor techniek, díe informatie geeft die elke fingerpicker nodig heeft. Revolutionair ook omdat de stap van klassiek naar blues en ragtime vergemakkelijkt is en de overgang van folk naar klassiek tot de mogelijkheden gaat behoren door het gebruik van parallel notenschrift en klassieke benamingen voor vingerzettingen. – folkgids Janviool, nr 45: juni 1982