Yournael Jacatra IX – Waarheen?

Gerard T. vliegt een dag eerder terug naar Nederland, ik heb nog gastcollege voor de boeg. Na het uitchecken hangt hij een poosje rond in de lounge, waar hij verzucht dat hij er doodmoe van is. Waarvan? Van het feit dat je kunt knokken wat je wilt, maar dat ze – de grootboekhouders van de Nederlandse literatuur – gewoon geen oog hebben voor de Indische literatuur. Hij, Gerard T., loopt al jaren mee, en heus, er is geen andere mogelijkheid om aandacht te vestigen op de Indische literatuur dan door het in gang houden van het kwartaaltijdschrift Indische Letteren.
     
Ik plaats een kanttekening bij de progressiviteit van het blad. Er wordt veelvuldig teruggekeken en te weinig serieus onderzoek gepleegd naar wat er nu geschreven wordt. Bovendien is het nogal suf je neer te leggen bij de dominantie van de grootboekhouders der Nederlandse literatuur.
     
‘Luister,’ zegt hij: ‘ik ben gepromoveerd op een proefschrift over Daum. Weet je wie mijn promotor was? Ton Anbeek! Ik slaagde cum laude en die Anbeek bestaat het om maar één alineaatje over Daum op te nemen in zijn overzichtswerk.’
     
‘En helemaal niets over Hella Haasse, als ik me niet vergis.’
     
‘Is dat zo? Nou, is dat dan geen bewijs voor zijn onverschilligheid voor de Indische literatuur?’
     
‘Nee, want Hella Haasse schrijft nauwelijks Indische literatuur.’
     
‘Maar haar bekendste boeken zijn Indisch, niet?’
     
‘Ja, zo worden ze genoemd, en ook die van andere totoks, het zijn altijd de totoks die de aandacht krijgen. Hoe zou dát nou komen? Stellen jullie je die vraag weleens in Indische Letteren?’
     
‘In ons tijdschrift is alle ruimte voor de meest diverse geluiden.’
     
‘Goed, maar waar blijven jullie nou met dat overzichtswerk? Met een voltallige redactie van Indische Letteren moet het toch mogelijk zijn om zoiets samen te stellen? Als je dat doet en bovendien je best doet om dat werk dan te promoten, dan is de kans veel groter dat de grootboekhouders de Indische literatuur serieus nemen dan wanneer je blijft hangen in die veilige club van de Indische Letteren.’
     
‘Alfred, het is helemaal niet zo erg hoor om bij een club te horen, het is juist erg prettig.’
     
‘Nou, maak dan eens een vuist samen.’
     
‘Alfred, het interesseert ze niet.’
     
‘Dan zorg je ervoor dat het ze wél gaat interesseren. Waarom nemen jullie geen plaats in een commissie als er moet worden gediscussieerd over een nieuwe Nederlandstalige literatuurgeschiedenis?’
     
‘Bert Paasman zit in zo’n commissie.’
     
‘In zijn eentje zeker.’
     
‘Ik ben niet gevraagd, want ik ben verbonden aan een instituut. Men neemt alleen mensen van universiteiten, ik weet ook niet waarom.’
     
‘Het gaat om een verandering van perspectief.’
     
‘Ja, en dat ligt bij hun, hoe je het ook wendt of keert. Ik maak me daar niet langer meer druk om,’ besluit Gerard T. trots.

lezing

Waar we over spraken: op 17 januari 1997 vond er in het gebouw van de Eerste Kamer een studiedag plaats, georganiseerd door de Nederlandse Taalunie. Een groep Neerlandici en literatuurwetenschappers discussieerde er over de uitgangspunten van een nieuwe geschiedenis van de ‘Nederlandstalige’ literatuur. Vanaf het jaar 2004 zal dit omvangrijke overzichtswerk deelsgewijs moeten verschijnen.
     
Het project was nog niet begonnen of men stuitte al op de volgende ‘problemen’: hoort de Vlaamse literatuur al dan niet bij de Nederlandse? Moeten Surinaamse auteurs opgenomen worden? En: is er nog wel sprake van een Indische literatuur?
     
Met andere woorden: als men daarmee al moeite heeft, dan zal men ook geen oog hebben voor de Tweede Generatie Indische schrijvers, al is die groep nog zo bekend. Groter nog lijkt de moeite die men heeft met het loslaten van het halsstarrige denken aan de Nederlandse literatuur. En dat zit dan te vergaderen over de NederlandsTALIGE literatuur.

Ik ga een beetje verder met mopperen in die trant wanneer ik de volgende ochtend achter een tafel in een smoorhete collegezaal aan de Universitas Indonesia mijn gastcollege geef. Kees Groeneboer, mijn gastheer, heeft me verzocht om onder andere over mijn bloemlezing te vertellen en daar begin ik mee, te verhalen over het beeld van de Indo in de koloniale literatuur.
     
Of de studenten mijn eerdere lezing op de conferentie helemaal hebben begrepen, weet ik niet. Misschien was het wel een onzinnige lezing, eentje die je in Den Bosch moet geven en niet in Jakarta, en had ik beter iets voor kunnen lezen uit eigen werk.

Ik heb voor de studenten wat exemplaren meegenomen van Vogels rond een vrouw, gratis door mijn uitgever ter beschikking gesteld. Ik lees eruit voor en de vragen die enkele studenten aan het einde stellen gaan over de rol van de Indo in de onafhankelijkheidsstrijd (van een jongen), over de rol van de njai in het oude Indië (van een meisje) en over bijgeloof (van een ander meisje).
     
De vragenstellers zijn degenen die helemaal vooraan zitten. Van Widjajanti, die met me mee is gekomen, begrijp ik later dat dat vaak de beste studenten zijn.
     
En studente overhandigt me als dank voor mijn aanwezigheid een pakje. Dat maak ik pas later open, naar Indonesisch gebruik. Het is een T-shirt met de naam van de faculteit erop. Eerder was mij al een oorkonde overhandigd en een ander geschenk: een schitterend pennenbakje van djatihout.

Kees Groeneboer, academisch adviseur van de Vakgroep Nederlands,
ontvangt me nog even in zijn kantoor met zijn stafmedewerkers om zich heen. Hij laat me op verzoek zijn boek zien waarnaar zo veelvuldig wordt verwezen in wetenschappelijke teksten: Weg tot het Westen; Het Nederlands voor Indië 1600-1950; Een taalpolitieke geschiedenis. (Leiden: KITLV, 1993).
     
Kees G. zit al voor de tweede maal zes jaar achtereen in Indonesië. Als ik de studenten zo om me heen meemaak, dan kan ik me goed voorstellen dat hij zich hier lekker voelt. Ze hebben een adat, een manier van doen, die je niet in Holland aantreft. Je ziet het wel deels bij Indo’s doorschemeren, maar die zie je zelden in een groep om je heen, ze gaan op in de massa, maken zich cultureel onzichtbaar, zoals ik dat deed in mijn vroegste werk.
     
Widjajanti en ik worden teruggebracht naar de stad door de chauffeur van Kees Groeneboer.
     
Wij zijn als enigen van het vijftal achtergebleven in het hotel. Zij een Peranakan-Chinese van de zevende generatie, ik een Indo van de tweede generatie in Nederland, van de derde generatie in Indonesië. Haar thema is de geschiedenis en de plaats van de Peranakan-Chinezen. Zelfs na zeven generaties word je hier nog niet als een volwaardig Indonesiër beschouwd. Chinezen lijken daarvoor de schuld vooral bij zichzelf te zoeken. Peranakan-Chinezen laten zich nog minder horen dan Indo’s. Complexe geschiedenissen schrijf je ook niet zomaar even op.

Voor mijn vertrek vertelt Widjajanti me dat toen de overheid had besloten om de betjaks te weren uit de binnenstad, ze geen raad wisten met al die fietstaxi’s. Na langdurig overleg is toen besloten om ze allemaal in zee te gooien.
     
Onlangs verscheen dan opeens een reportage op de Indonesische televisie over die betjaks op de bodem van de zee. Vegetatie had zich om die honderden fietstaxi’s geslingerd, vissen zwommen in een paradijs van gespaakte wielen en legden hun eieren in de holten van de zadels, waarop eens de arme jongens zaten en zich het zweet uit het lijf fietsten om je voor een paar centen van de ene naar de andere wijk in de stad te brengen. Nu die betjakrijders helemaal niks meer te vreten hadden, moesten die filmbeelden van de vissen in hun eigen pretpark de algemene opinie wat verzachten.

De taxichauffeur zegt dat hij dagen van 20 uur maakt om zijn gezin te kunnen onderhouden. Het vliegveld van Jakarta blinkt tegenwoordig meer dan dat van Singapore. Ik drink er een kopje cappuccino voor drie Amerikaanse dollars. Een Singaporese jongeman naast me aan de bar vraagt me om een vuurtje. Hij ziet er gesoigneerd uit.

Waar gaat de reis naar toe, wil hij weten.

Naar Holland.

Nooit van gehoord.

Nederland.

Nooit van gehoord.

Amsterdam.

Nooit van gehoord.

In de buurt van Parijs.

Ah, Paris!

Mijn tante vertelde me 12 jaar terug dat mijn grootvader regelmatig naar Parijs ging. Op een dag kwam hij terug naar Soerabaja en liet er twee jonge Parisiënnes een juwelierszaak openen. Ging toen weer eens failliet.

Het maakt weinig uit waar je zit als je een rusteloze Indo bent.

birney terug in vliegtuig

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!