Verdwenen

logo alfred birney Onze literaire voorloper van Osama Bin Laden heet Oemar. Hij verschijnt plotseling ten tonele in een vredig stadje op Java en begint met de koran in de hand de Indonesische bevolking op te stoken tegen het Nederlandse gezag. De Javaanse regent ziet het wat calculerend aan. De Indo-Europese controleur waarschuwt de Hollandse assistent-resident, maar die kijkt niet verder dan de papierwinkel op zijn bureau. Intussen versiert Oemar de mooiste jonge dochters van de Javaanse dorpshoofden. De broer van de controleur, een Indische Don Juan, zoekt het wat hoger op en verleidt de minnares van de regent. Vergelijk: een portier van de Tweede Kamer duikt in bed met de minnares van een minister van Binnenlandse Zaken. Oei! In Nederlands-Indië van een eeuw geleden staat daarop de doodstraf door middel van tovenarij. Ziezo. De minnares wordt door de regent afgedankt en valt in handen van Oemar. Die vrijt lang zo lekker niet als onze Indische Don Juan en krijgt de minnares tegen zich. Ze wordt een dubbelspion. De controleur is nog net op tijd om het stadje te bewapenen tegen Oemar’s legertje. Oemar’s luitenants worden geëxecuteerd. Maar waar hangt Oemar zelf uit? We zagen hem voor het laatst ergens op een berg… Aldus de schrijver J.E. Jasper, een tijdgenoot van Couperus. Jammer dat zijn boek De diepe stroomingen onbekend is gebleven. Anders hadden we die in vertaling kunnen aanbieden aan president Bush jr. Het is afwachten of we Jasper een ziener onder onze schrijvers kunnen gaan noemen. Maar kan ie alvast op de boekenlijst, dames en heren neerlandici?

Haagsche Courant, maandag 21 januari 2002

Toeristen

logo alfred birney Onze ‘allochtonen’ buitengaats heten in de pers opeens Nederlanders. Nou ja, heel even. Nederlandse kranten kwamen niet met koppen als Allochtonen gedood in Kasjmir, maar met Nederlanders gedood in Kasjmir. Wat een hypocriete dramatiek. Nu de eerste schok voorbij is, kopt men: Eindhovense Marokkanen. In Nederland schrijft men nogal schutterig over immigranten, uit de weigering zich immigratieland te noemen. Mensen uit Nederlands-Indië werden repatrianten genoemd, ook al kenden velen hun ‘vaderland’ niet en konden ze moeilijk van ‘terugkeren’ spreken. Ze hadden Nederlandse paspoorten, maar die had weinig meer nut dan de grens te mogen passeren. Mediterraanse gastarbeiders hadden geen Nederlandse paspoorten en aangezien gezinshereniging geen immigratie is, zijn zij ook weer iets anders dan immigranten. Sinds de Allochtonenwet wordt iedereen, ook ik, van wie tenminste één ouder uit het buitenland afkomstig is ‘allochtoon’ genoemd. De term is onderhand vrijwel synoniem aan mensen van Turkse of Marokkaanse komaf. Het is nog net geen scheldwoord. In Nederland heerst een bedremmelde omgangscultuur. Men krijgt vooral interesse in je wanneer de visite voorbij is. ‘Alles goed met je?’ vraagt men je vlak voor het uitzwaaien. Eenmaal weg, dan gaan ze je te missen. Ben je vermoord, dan is je paspoort pas écht geldig. Misschien is Nederland wel een toeristenland. Voortaan ‘allochtonen’ maar toeristen noemen? De hele wereld wordt uiteindelijk toch één toeristenoord. En koffie met melk. Dat wordt feesten. Mag ik alvast boeken voor mijn volgende reïncarnatie?

Haagsche Courant, vrijdag 18 januari 2002

Voorschot

logo alfred birney Mijn ome Willem zaliger, een aanwaaier uit het Scheveningse, liet mij nog vóór de jaar- en muntwisseling via de geest van mijn Chinese grootmoeder weten niet bijster geïnteresseerd te zijn in een douceurtje voor ex-dwangarbeiders uit de Tweede Wereldoorlog. Weliswaar werd Wimmie door de Duitse bezetter op een aak aan de Brouwersgracht gepleurd en vandaar naar Duitsland verscheept, al met al was het toch een aardig tochtje. Leuker dan onze schoolreisjes naar Drievliet: het jaarlijkse gebaar van een onderwijsteam dat met afgestreken smoelen de grootste leugens verkondigde rond het reilen en zeilen van Nederland in de Tweede Wereldoorlog.

Wimmie kwam te werken aan de draaibank bij de vervaardiging van raketten, die in Hitlers dromen Londen moesten platleggen. In ruil kreeg hij te eten en te drinken. Maar er was geen haring. Hij vluchtte, werd opgepakt en opgesloten in een dodencel in Scheveningen. De oorlog eindigde net te vroeg om hem ter fusillade de duinen in te slepen, wat hij sedertdien nog weleens heeft betreurd in tijden van tegenslag.

Thans doet hij ons uit het hiernamaals het advies toekomen alvast bij de overheid te gaan soebatten om een voorschot voor toekomstig leed. Aan gene zijde kun je het immers ontvangen noch uitgeven. Mocht het later allemaal wel meevallen, dan kan de overheid ons lekker niet meer vragen het geld terug te storten. Want de hemel spekt geen schatkist als speeltje van ministers die met conjunctureel enthousiasme op de wapenindustrie gokken, al moeten mensen er gras voor vreten.

Haagsche Courant, woensdag 16 januari 2002

Tramverhaal

logo alfred birney Iemand achterin tram 10 begint opeens te schreeuwen in slecht verstaanbaar Nederlands en jaagt dreigend een ander het gangpad door. Ik spring ertussen, grijp me vast aan een paal en maak me breed, terwijl ik de boel probeer te sussen. De schreeuwer bedaart niet, al schuilt er machteloosheid in zijn ziedende blik. Zijn opponent, een Marokkaanse puber, beloert hem over mijn schouder. Hij is niet alleen. Ik praat in op zijn metgezel, die redelijk overkomt. Ze beraadslagen in hun eigen taal, denkelijk niet de moedertaal van de schreeuwer. Waarom stopt de tram niet? Doet de chauffeur zijn werk of juist niet? De kemphanen accepteren me als scheidsrechter, misschien omdat ik niet blank ben. De tramchauffeur is dat wel en denkt wellicht: ‘ze zoeken het maar uit onderling, mijn soort is het niet.’ Wat als de schreeuwer een Hollander was geweest? Intussen stappen de Marokkanen wijselijk uit. Een halte verder stap ik uit met de schreeuwer. Hij wijst op zijn bebloede lip en zegt dat hij bokser is, dat hij die kleine jongen heus wel aankon, die hij kent uit zijn buurt en hem zonder reden heeft geslagen. Hij vraagt me mee als getuige naar de politie, maar ik zeg dat die geen tijd voor dit soort zaken heeft. Met twee conducteurs in de tram, een inheemse en een uitheemse, was hij beter af geweest. Net als die neergestoken buschauffeur een week later. Die wordt niet beschermd door een stempelautomaat. En wij passagiers niet door een afscheiding van kogelvrij glas achter de stoel van de chauffeur, waar ze nou weer zo hardleers over gaan zitten leuteren.

Haagsche Courant, maandag 14 januari 2002

Beschaving

logo alfred birney De Tjechische schrijver Milan Kundera beweerde ooit dat de Italianen de overige Europeanen in intellectueel en cultureel opzicht overtreffen. Gamba en Marinello in de Spuistraat werden opeens opvallend populair bij de snobs. Berlusconi, als eigenaar van AC Milan, vond de Hollanders weer superieur met hun voetbal. Sportief gezien hadden die het toch maar mooi voor elkaar met hun voormalige koloniën en hij trok zijn beurs op de voetbalslavenmarkt. Eenmaal als premier van Italië verklaarde Berlusconi de hele westerse beschaving superieur aan die van de islamitische landen. Maar een schijnheilig koor van Europese politieke leiders zong niet met hem mee en lispelde tegenover de Arabische Liga dat Haroen al-Rasjîds Duizend-en-een-nacht hen net zo lief was als Boccacio’s Decamerone. Nou, volgens mij is de Chinese beschaving superieur aan alle overige beschavingen op deze aardkloot. Weten onze politieke leiders wel dat archeologen ijzeren gebruiksvoorwerpen van duizenden jaren oud uit de Chinese bodem vissen, waar geen plekje roest aan zit? Dat de Chinezen al op schaatsen stonden voor de Batavieren ook maar een eitje konden koken? Dat de Chinezen het tweetallig stelsel waarop de computertechnologie draait al eeuwen terug in hun yin en yang-lijnen hebben vastgelegd? Dat spaghetti mislukte bami is uit het kookboek van Marco Polo? Dat de Chinezen wereldkampioen metselen zijn en hun muur door marsmannetjes wordt gebruikt als richtpunt voor hun vliegende schotels? Berlusconi weet dat en wil eigenlijk net zo groot worden als Tj’in: de eerste keizer van China.

Haagsche Courant, vrijdag 11 januari 2002