VOC-viering (1)

logo alfred birney Nog twee nachtjes slapen en dan barst het VOC-feest los. Op 20 maart is het 400 jaar geleden dat die boevenclub werd opgericht. De reden van de viering moet gezocht worden in de ijdele wens van Nederland om mondiaal als de eerste multinational te worden beschouwd. Indonesië is niet blij met het feest, want de Hollanders en Zeeuwen hebben er indertijd flink huisgehouden. Overbekend is het uitmoorden en ontvolken van de Banda-eilanden op gezag van Jan Pieterszoon Coen, die het niet kon verkroppen dat de Bandanezen zich niet aan de handelswetten van de ‘Kompenie’ wilden houden. Terwijl men hier in de Ridderzaal de oprichting van de VOC zal ‘herdenken’, zal in Jakarta worden gedemonstreerd tegen de ‘glorifikasi’ van de VOC door een uit vele organisaties samengesteld comité. Bij de Nederlandse ambassade zullen drie eisen worden gedeponeerd: 1. Excuses aan het Indonesische volk wegens schending van de mensenrechten; 2. Kwijtschelding van alle schuld van de Republiek Indonesia aan Nederland; 3. Compensatie voor de rijkdommen die Nederland eeuwenlang ten koste van Indonesië heeft verworven. Tja, noem het een symbolische eis. Helemaal achterlijk zijn ze hier ook weer niet, gezien het feit dat na herhaaldelijke protesten uit Indische en Molukse hoek het woordje ‘viering’ is veranderd in ‘herdenking’. Te laat voor de Indonesische ambassadeur. Hij heeft ervoor bedankt bij een kranslegging aanwezig te zijn. Een stelliger afwijzing is nauwelijks denkbaar. Nederlanders zijn daar toevallig ongevoelig voor. Smakeloze rijsttafels worden ook wel genuttigd.

Haagsche Courant, maandag 18 maart 2002

Sukiyaki

Ik was tien en wist niet of de artiest een man was met een hoge stem of een vrouw met een lage. Gouden stem, vreemde taal, ideaal voor verbastering door kinderen. De melodie wisselde voortdurend van majeur naar mineur, perfect voor een droevige wandeling door een zomers Zuiderpark. Artiestennaam en titel bleven jarenlang een raadsel voor me. Tijdens de sixties-revival kwam het lied terug op de radio. Een blasé deejay zei tam bij zijn afkondiging dat het nummer de enige Japanse popsong was die ooit de internationale hitlijsten haalde. Ik had de aankondiging gemist maar had nu een aanknopingpunt. Via via via hoorde ik dat het nummer Sukiyaki heette en via via via kreeg ik het op een cassettebandje toegespeeld.

Zoekmachine Google wijst me de weg naar een website waarop staat dat het nummer eigenlijk Ue O Muite Aruko heet… Ik wandel en ik kijk omhoog… De titel Sukiyaki was een verzinsel van cultuurschele Amerikaanse deejays. Een regel van het refrein luidt: Kanashimi wa tsukino kageni… Er loert verdriet in de schaduw van de maan…

Vierentwintig jaar na de lancering van het lied in 1961 verliest een Boeing 747 onderweg van Tokio naar Osaka stukken van zijn staart en cirkelt omlaag in een nachtmerrie van 30 minuten. Rond Kyu Sakamoto, de zanger met de gouden stem, schrijven medepassagiers haastige afscheidsbriefjes aan hun geliefden veilig beneden thuis in de schaduw van de zon. Misschien heeft Kyu Sakamoto als een held dat lied wel aangeheven: Ue o muite arukou… Ik wandel en ik kijk omhoog… Opdat niemand omlaag keek.

Haagsche Courant, vrijdag 15 maart 2002

Toenadering

logo alfred birney Ik hield mijn kapper een poos voor een blonde Turk. Toen we na de aanslag op het WTC serieus met elkaar in gesprek raakten bleek hij een Syriër. Hij had me naar binnen geroepen voor een kopje koffie. Er waren even geen klanten. Ik dacht dat hij wel over vreemdelingenhaat zou gaan beginnen. Maar nee, de zachtmoedige jongeman, jaar of 27, dun ringbaardje, ovaal brilletje, meende me op grond van mijn schrijverschap als orakel voor iets anders te kunnen raadplegen.

Een jonge Nederlandse blanke vrouw komt elke week op een vast tijdstip buurten in de kapperszaak. Ze belt hem elke avond laat op en dan zegt ze dat ze aan hem denkt en niet kan slapen. Ik vraag hem of hij moslim is. Nee: christen. Toch snapt hij niet hoe het hier gaat in Nederland. In Syrië ga je eerst met een meisje wandelen, maakt kennis met elkaars familie, dan ga je verloven en ten slotte trouw je.

Ik zeg dat dat hier ook zo ging, een halve eeuw terug.

De kapper is ontsteld. Een halve eeuw is erg lang!

Ik glimlach.

‘Wil ze mij als man, schrijver?’

‘Misschien, kapper, dat weet ze nog niet.’

‘Maar, schrijver, ze zegt dat ze zich niet wil binden. Doen alle Nederlandse vrouwen zo?’

‘Hm, kapper, het verschil is misschien dat ze hier zo kunnen doen en in Syrië niet.’

‘De vrouwen hier in Nederland zijn de baas, hè schrijver?’

‘Wah, de ene vrouw wel en de andere vrouw niet. Baas over hun hart zijn ze in elk geval nooit, nergens op de wereld. Net als jij, kapper.’

Haagsche Courant, woensdag 13 maart 2002

Tweeling

logo alfred birney De oplettende lezer heeft natuurlijk allang gezien dat de HC het aanvankelijke bedrag van 1,02 euro voor een los doordeweeks nummer heeft afgerond op 1,00. En dat de HC lekker eigenwijs bijzondere kleine berichten op de voorpagina blijft plaatsen, zelfs al zou de fortuynlycke dictator in Rotterdam de avondklok instellen en de krant bol staan van wat die Messias nou weer uit de mouw heeft getoverd. Die bijzondere berichten zijn meestal in de rechterkolom te vinden. U leest dus eerst Om & Om, daarna werpt u een blik op de coverfoto en vervolgens schiet uw oog naar rechts. Laatst stond er een bericht van twee 71-jarige Finse tweelingbroers die in Helsinki kort na elkaar werden doodgereden. Beiden kwamen op een en dezelfde dag op de fiets onder een vrachtwagen terecht. Op dezelfde weg. Voor elke helft van de tweeling een andere vrachtwagen, maar dezelfde weg. Wie ging als eerste? De oudste of de jongste? Bestaat predestinatie? Is toeval de joker die ene Schepper nu en dan uitspeelt om ons eraan te herinneren dat wij maar gewone stervelingen zijn in een mondiale soap? Vragen die het onderhavige geval maar weer eens even oproept. Als we ophielden met de mens centraal te stellen in de oneindige beweging van het universum maar die als een, zo het eenmaal treft, uit energie opgebouwde verschijning te zien die onlosmakelijk verbonden is met al het andere, dan zouden we ons misschien minder verbazen over dat soort zogenaamde toevallige ongelukken zoals laatst in Helsinki. Maar ja, daarvoor moet je dan wel de Europese filosofie inruilen voor de Chinese. Gedoe zeker?

Haagsche Courant, maandag 11 maart 2002

Rotterdammertjes

logo alfred birney Wat een sukkels in die havenstad. Dat ze zich in 1940 lieten platgooien door een stelletje op hol geslagen moffen konden ze niet helpen. Maar ruim zestig jaar later zonder slag of stoot een vileine dictator binnenhalen getuigt wel van bar weinig intelligentie. Gelukkig roept men er geen ‘Heil Fortuyn!’ maar ‘Hé Pimmie!’ Nuances, hè? Vandaar dat de gedoodverfde opvolger van onze chef-kok uit de paarse keuken zo jaloers op hem is. Zelf wordt hij immers bij de achternaam genoemd. Het is géén Adje, maarrr… meneer M. Het saxofonistje dat met zijn getoeter de liberalen moet trekken, heet geen Hansje maarrr… meneer D. Verder noemen de democraten hun voorman geen Thom Pouche en de groentjes hun aanvoerder geen Willie Wortel. Kortom, niemand krijgt een koosnaam. Alleen daarom al staan ze met een mond vol tanden tegenover dat monomane keffertje genaamd ‘onze Pim’. Verraderlijk, die charme waar de Rotterdammertjes zo zijn ingestonken. De Hagenezen waren toch een stuk slimmer: gewoon níet stemmen. Het was me een pleurisweertje wel, zeg. Dat trotseert toch geen hond voor zo’n corrupt gemeenteraadje. Den Haag scoorde het hoogst op de ladder der stemverzuimenden. Logisch, wij zitten het dichtst bij de moederhaard. Wíj weten dat het nauwelijks fikt aan het Binnenhof. Geef ons een mokkel van een meid als boegbeeld van ene Zwarte Madonna Partij. Ze werpt een laatdunkende blik op Pimmies schoothondjes en zegt tegen hem met een hoofdbeweging naar haar bink: ‘Ik heb toch liever een échte vent naast me liggen.’ Kijk, dáár trekken Hagenezen de schoenen voor aan.

Haagsche Courant, vrijdag 8 maart 2002