Strandbeeld

logo alfred birney Lijn 11 heeft de eer het gekkengetal te dragen, u weet wel: het 11e huis dat wordt geregeerd door Uranus, die elke Waterman een tik van de molen geeft. Voor wie geen gevoel heeft voor astrologie, niet getreurd: ooit kreeg lijn 11 langs de ‘Woeste Hoogte’ regelmatig een tik van straatstenen die hangjongeren wierpen. Die Scheveningse wijk is nu met de grond gelijk gemaakt, de mensen zijn verdreven. Hier en daar weigeren mensen te vertrekken. Gelijk hebben ze, die asociale woningcorporatie had de boel heus wel kunnen opknappen. Maar ja, men wil zakenmannetje spelen sinds de overheid geen miljarden meer in die schimmige corporaties pompt. Enfin, het strand krijgen ze er niet weg, tenzij het B-kabinet besluit een snelweg langs de vloedlijn aan te leggen, platforms voor woningen boven zee, een vliegveld aan de kim en zo meer. Eer het zo ver is en de asteroïde 2002 NT7 kosmische stenen over de zeevilla’s strooit, stappen we nog lekker de gekkentram uit (wordt thans bestenigd langs de Schilderswijk door kids die daar rondhangen) en dansen we de zebra over naar een kleurrijk stuk strand. De tijden zijn voorbij dat alleen Hollanders zich in zee waagden. Nu poedelen ook Surinamers, Marokkanen, Turken, Antillianen, Latino’s, Chinezen en wat al niet meer in het lekkere koele water rond. Als dat zich gaat vermengen, wordt Nederland een klein Brazilië. Sex-appeal en topvoetbal. Jammer dat op Turkse vrouwen een embargo rust, om even een groep te noemen. Maar dat gaat wel over. Geen heilig boek die de liefde klein krijgt.

Haagsche Courant, woensdag 31 juli 2002

Perceptie

logo alfred birney Het is voor het eerst dat ik op een stadsfiets door de duinen rijdt, richting Wassenaar. Gewoonlijk neem ik de racefiets. Mijn zoontje heeft zijn eerste mountainbike en ik leer hem hoe hij met de versnellingen moet werken. Het is midden op de dag en warm, de konijnen en vossen laten zich niet zien. Dat komt mooi uit, de jongen moet leren in zijn koers te blijven. Gaat goed, smijt nog teveel met zijn krachten, dat wel. Keerpunt is de waterpomp bij Wassenaar, bouwjaar 1950. Het lijkt dat er meer mensen op een stadsfiets rijden dan op een racefiets, maar ik kijk anders vandaag. Ik zou mezelf bijna op een vorm van saamhorigheid betrappen. Nu ik op een stadsfiets zit, vind ik sommige racefietsers aanstellerig te keer gaan. Anderen gaan weer zo langzaam, dat ze net zo goed een stadsfiets kunnen nemen. Maar ze zijn behendig. Zondagsfietsers kunnen erg schrikken van een racefietser die in hun richting af komt suizen en gaan dan slingeren. Vandaag lijk ik bij het kamp der zondagsfietsers te horen, die soms met drie naast elkaar ruim uit de bochten komen zwieren. Ze zijn gevaarlijker dan racefietsers, blijven ineens midden op het pad stilstaan om er te vergaderen, of wat al niet. Wandelaars en joggers zijn nog erger, vooral die uit de auto komen. Die denken dan dat alles voetpad is, behalve het voetpad zelf. Treffend is, dat mij bekende racefietsers me niet herkennen op mijn ordinaire stadsfiets. Ze groeten me niet. Je herkent elkaar aan de fiets, de kleding, de zit, kortom: de stijl. Tja, het leven is een bal masqué.

Haagsche Courant, maandag 29 juli 2002

Lunsigheden

logo alfred birney Een ouder Nederlands echtpaar stopt even bij de lectuurladder voor de toeristenminimarket en werpt een blik op een Nederlandse krant, die het heengaan van onze arrogantste politicus van de vorige eeuw meldt: Joseph Luns. Ze staan versteld, alsof de leeftijd van 90 niet mooi genoeg is. Ik trek de krant uit het rek en reik het het echtpaar aan. Ze slaan de krant af met een zuinig mondje en wat gebarentaal, want ik zie er op een Grieks eiland nog minder Nederlands uit dan ik thuis al doe. Wanneer ik herinneringen begin op te halen aan Luns, in het bijzonder de ‘kwestie Nieuw-Guinea’, hoort het echtpaar me met open mond aan, alsof ze in de snikhete zon een opfriscursusje vaderlandse geschiedenis krijgen van een Vietnamese bootvluchteling. Ik vertrek met het krantje onder mijn arm naar mijn appartement en bekijk er meewarig de kiekjes van Luns met generaal De Gaulle, Luns met Paus de zoveelste en Luns met J.F. Kennedy. Politici stonden indertijd minder openlijk ter discussie dan nu en de pers slijmde er geweldig op los. De ‘kwestie Nieuw-Guinea’ was een kwestie aangezien Luns een kwestie was. Met het idee dat Nederland nog in de Gouden Eeuw leefde, weigerde Luns de Nederlandse souvereiniteit over Nieuw-Guinea af te staan. Totdat, naar verluid, Kennedy hem op de man af vroeg: ‘Wil je dat land soms behouden om er die paar honderdduizend Indische Nederlanders van jullie te kunnen dumpen?’ ‘Eh, de kwestie, prezzident, de kwestie is dat ik bang ben dat die mensen het bij ons erg koud zullen krijgen.’ En verdomd: hij kreeg gelijk.

Haagsche Courant, maandag 22 juli 2002

Hola, nar!

logo alfred birney De koning had al een zootje hofnarren versleten, toen hij zijn oog liet vallen op een exemplaar dat behalve grappen maken ook nog mooi luit kon spelen en zingen. De ja-knikkers rond de koning bekeken de nar met argusogen, het werd lastiger voor de dienaren bij de koning in het gevlei te komen. Bovendien kreeg de nar een extra bevoegdheid, namelijk die van winden laten. De dienaren zagen hun geliefde petomaan niet meer terug en begonnen te morren. Toen op zekere dag een gezantschap arriveerde van een welvarend handelsrijk, vroeg de koning zijn nar extra oplettend te zijn. De koning liet een groot feestmaal aanrukken en ontvluchtte de drukte voor een bezoek aan een meisje dat hij gevangen hield in de oostelijke torenkamer. De gezant werd gaandeweg de avond omgeven door de ja-knikkers van het hof, die hem allerlei zaken omtrent de koning toefluisterden die het daglicht niet verdragen konden. De nar, spelend op zijn luit, bekeek het gesmoes van een afstandje. Maar op het moment dat de gezant kwijlend zijn tanden in de poot van een gestoofd speenvarken zette, liet de nar een keiharde wind! De gezant liet de bout uit zijn handen vallen en er klonk een enorm gekrijs van afkeuring uit de monden van de ja-knikkers en hun paladijnen. Nog voor de koning uit de torenkamer was teruggekeerd, had men de nar op de binnenplaats met handen en hoofd in de schandpaal gezet. Het was nacht en de nar hief een geneurie aan voor de maansikkel, terwijl in het paleis de dienaren en de gezant zich vermaakten met een wedstrijdje winden laten.

Haagsche Courant, vrijdag 19 juli 2002

Zon

logo alfred birney Hoe zit dat nou met die zon als vitaminefactor? Ik zie waarachtig door de wolken de zon niet meer. Ooit heb ik me laten vertellen dat een mens minimaal 65 zonnedagen per jaar nodig heeft. Zonder zon geen geluk. Titels van popsongs spreken voor zich. Ain’t no sunshine when she’s gone (zon en liefde). Here comes the sun (zon na een lange eenzame winter). Sunny (de perfecte geliefde). Sundown brengt ellende. Sunrise brengt geluk. Maan en sterren worden ook bezongen, maar minder vaak dan de zon. Een wielerpet overigens beschermt een renner tegen de zon, maar een hoofddoekje heeft tegenwoordig een symbolische functie. In de jaren vijftig droeg zo’n beetje elke Hollandse huisvrouw een hoofddoekje (misschien iets voor een aflevering in Stadskind van Wim Willems?), maar die had een praktische functie. Een praktisch kledingstuk is niets om je aan te ergeren. Een hoofddoek op zich dus ook niet, tenzij zo’n hoofddeksel kennelijk ergens symbool voor staat. Sinds de islam tot volksvijand numero 1 is verklaard, is het hoofddoekje mikpunt geworden van kritiek. Thans worden islamitische vrouwen gemaand om wat vaker in de zon te gaan zitten, of hun mannen verzocht hun vrouwen eens wat vaker naar buiten te sturen. Krijgt een islamitische vrouw mét hoofddoek op het strand ook genoeg vitaminen? Niks over gelezen. Jonge autochtone meisjes die er uren liggen te zonnen wordt aangeraden het wat rustiger aan te doen en zich veelvuldig met zonnebrandolie in te smeren. Is een hoofddoekje niks voor ze? En liefde bij de maan?

Haagsche Courant, woensdag 17 juli 2002