Herdenkingen

logo alfred birney Als je het mij vraagt heb ik zo mijn bedenkingen tegen herdenkingen. Ik behoor dus niet tot die ‘ruim 80 procent van de Nederlanders’ voor wie de 4e mei een moment moet blijven om stil te staan bij ‘de gevolgen van de oorlog’. Wat die gevolgen zijn, dat kan helemaal niemand zeggen. Een cynicus kan beweren dat een van de gevolgen is geweest: een enorm opbloeiende economie. En dat de slachting van 6 miljoen joden, plus een zwik zigeuners en homo’s, niet bepaald tot gevolg heeft gehad dat deze groepen thans zorgeloos het leven door kunnen fietsen. Enfin, u kent de walgelijke spreekkoren in de voetbalstadions.

Klokken beieren, kransen worden gelegd, maar het werkelijke einde van ‘onze’ oorlog, in Nederlands-Indië dus, op de 15e augustus, wordt amper herdacht. Tja, die oorlog verloren we, hè? We gaan daar een beetje andermans vrijheid vieren!

De 5e mei moet ons eraan herinneren dat ‘vrijheid niet vanzelfsprekend’ is. Intussen beschouwen we onze vrijheid als meer dan vanzelfsprekend en die van anderen veeleer als een gelukje, een gunst of gewoon een vergissing.

In plaats van dat dubieuze herdenken, kan men beter het vak geschiedenis serieuzer gaan onderwijzen. Een verplicht lesuur per dag wereldgeschiedenis op de scholen levert vijf gedenkuren per week op. Vandaag is dan net zo goed de 5e mei. Zo kweek je een generatie die dagelijks alert is op alles wat zich om ons heen afspeelt. Een generatie die toegepast herdenkt, altijd en overal. Maar ja, welke regering zit om zulke onderdanen verlegen?

Haagsche Courant, maandag 15 juli 2002

Judo en zo

logo alfred birney De judoka’s in de leeftijd van zes tot tien zitten netjes geknield in de rij en wachten vol spanning de commando’s van de sensei af. De leraar laat ze speels warm worden, zoals tijgeren over de mat, vooruit en achteruit. Daarna vertonen ze hun kunsten groepsgewijs en tot slot per duo. Opvallend is dat de jonge judoka’s elkaar niet uitlachen als iets niet lukt. Ze leren dat er altijd anderen zijn die beter of minder zijn dan jij. Dat je als witte-bander niet per sé hoeft te verliezen van een gele-bander. Dat een oranje band niet gerandeert dat je het van iemand met een witte band wint. Kunnen grote mensen wat van leren. Een doctor in de wiskunde kan dommer zijn dan een vuilnisman, een minister onverstandiger dan een hoer, een nobelprijswinnaar in de literatuur oninteressanter dan een columnist bij de HC – ja hallo, níet dan? Mijn zoontje, dat begrijpt u wel, is natuurlijk de beste judoka ter wereld. De avond voor zijn examen bij Steve van Nieuwenhuizen (neef van de onvolprezen Maurice, die model stond voor de eerste Nederlandse stripheld Dick Bos) nemen we nog even de worpen door. Hij pleurt me met gevarieerde been- en heupworpen op het matras en legt me in diverse houdgrepen. Ik test zijn kennis van het Japans. Alleen de eerste armworp weet-ie niet. Laat het nou uitgerekend deze tai-otoshi zijn die hij tijdens het examen niet kan tonen. Herinnert hij zich nu opeens wél de naam en daarom niet de worp? De herinnering: je ziet iemands gezicht maar de naam wil je niet te binnen schieten. Of: wie was Alfred Mazure ook weer?

Haagsche Courant, vrijdag 12 juli 2002

Konijnen

logo alfred birney De weergoden staan ons zowaar een avondje toe voor een rondje door de duinen. Elise, Rolf en ik zijn alle uit het Chinese jaar van het Konijn, uit een hout- dan wel een metaaljaar. Elise rijdt op een mountainbike, is het geen schande Rolf? Die probeert haar uit door hard de oliebollenberg op te sjezen. Elise komt uit Limburg en countert hem moeiteloos. Ze is er voor flora en fauna der Wassenaarse duinen, toch fietst Rolf haar de genietgrens over. Hij verspilt zijn eigen krachten voor Noordwijk en slaat af bij de pomp. Ik haat die korte route door die Wassenaarse villawijk, 30 kilometer fietsen is niks, maar Rolf en Elise genieten van de spookhuizen waarin geen hond lijkt te wonen. Bij een verraderlijk kuitenbijtertje rijdt Elise stoer van ons weg. Rolf gunt haar de eer niet en jaagt achter haar aan. Een boomlange renner flitst me aanstellerig voorbij op jacht naar de ontsnapte konijnen. Wat een mooie benen heb ik eigenlijk. Verderop is een stadsfietstempo ingezet. Rolf leert me dat vossen niet groter zijn dan de breedte van mijn fietsstuur. Zonder staart, beaamt Elise. Kijk! Een klein tam zwart konijn in de berm! Rolf trekt droog de conclusie dat hardvochtige ouders het konijn van zoonlief op vakantie hebben gestuurd. Ik meldt het gedumpte konijn aan bij twee luie duinwachters in een Jeep. Er is eten genoeg, zeggen ze, de vos is zijn enige vijand. Maar we gaan wel even een kijkje nemen, zeggen ze me meewarig toe. Die zullen verderop wel lol maken over dat sentimenteel stadssoftie op die racefiets. Het leven is hard.

Haagsche Courant, woensdag 10 juli 2002

Brieven

logo alfred birney Ingezonden brieven horen in de muesli van de krant. De beste laten zich lezen als columns. Soms kun je zien dat de redactie een brief heeft ingekort en vraag je je af wat er verder zal hebben gestaan. Er zijn notoire brievenschrijvers en er zijn er die eens een keertje schrijven. Brievenschrijvers zijn opener dan bellers. Een beller doet zijn of haar verhaal aan de telefoon zonder dat je er als lezer iets van hoort. Bellers verwachten direct effect van hun reacties. Brievenschrijvers heb je in drie categorieën. De eerste richt een brief aan de redactie. De tweede richt hem aan de auteur en stuurt hem per adres naar de krant. De derde snort het e-mailadres van de auteur op voor direct contact. Er is ook nog een categorie die de krant belt met het verzoek om het adres van een auteur, maar in tijden van stalking, bommeldingen en dergelijke acht de krant het niet kies de adressen van haar auteurs prijs te geven. Het komt zelden voor dat kritiek rechtstreeks wordt geuit aan een auteur. Dat vraagt immers om een weerwoord. De meeste kritiek komt op het redactiebureau terecht. Dat lijkt effectiever, want je kunt als lezer hopen dat de persoon aan wie je de pest hebt eruit wordt geknikkerd. Ik droom van een wekelijkse krantenpagina met uitsluitend ingezonden brieven, waaronder wij (columnisten, journalisten, publicisten) onszelf eventueel in korte cursiefjes kunnen verdedigen, de afzender in het gelijk stellen of desnoods vragen: waarom vind u dat ik op moet krassen? Zo wordt de brievenschrijver ten volle stem en functie verleend.

Haagsche Courant, maandag 8 juli 2002

Klaaglijn

logo alfred birney Het Gesprek van de Dag, dagelijks op Radio West rond etenstijd, is ongetwijfeld het leukste programma dat deze regionale nieuwszender te bieden heeft. Het wordt sinds jaar en dag geleid door Hans Pars, u weet wel, de schrijver van hét standaardwerk over Haagse straatlantaarns. Aardige man, goed op de hoogte van vele zaken, niet belerend naar minder goed geïnformeerde luisteraars, beleefd en ga zo maar door. Ooit nam hij de fakkel over van een minder vriendelijke presentator, die het talent had vele woedende reacties over zich af te roepen. De man was waarschijnlijk te controversieel voor het brave Radio West, dat immers geen doelgroep maar een regio bedient. Radio 1 bijvoorbeeld laat zich lastig kritiseren, anders dan de omroepen die deze zender vullen. Radio West kent geen omroepen en moet mensen van velerlei signatuur tevreden stellen. Dat is niet eenvoudig. Hans Pars is met zijn onverstoorbaarheid wellicht de perfecte presentator voor Het Gesprek van de Dag. Maar de laatste tijd is de sleet er een beetje ingekomen. Hans Pars krijgt de mensen moeilijker naar de telefoon en probeert dat op te lossen door met twee items per uitzending te komen. Slecht idee. Je raakt als luisteraar snel de draad kwijt, het programma boet aan spanning in. Ook zijn er bellers die zo nodig over beide items iets te zeggen menen te moeten hebben, waarmee de boel verzandt. Gelukkig is er vrijdags de zogenaamde ‘vrije ronde’. Dan komt de Klaaglijn uit een grijs verleden weer tot leven. De Klaaglijn… dát trekt pas bellers! Zeg Hans…

Haagsche Courant, vrijdag 5 juli 2002