Net

logo alfred birney Intranet (gesloten netwerk dat lijkt op het internet). Doelnet (vangt ballen achter de keeper en is altijd te laat). Visnet (waarmee men vis vangt). Internet (zonder lidwoord een fenomeen). Vangnet (is de Sociale Dienst dat nog?). Het Net (internetprovider). Wegennet (waar files ontstaan en oplossen). Leefnet (waarin men gevangen vis levend houdt). Haarnet (waarmee men hoofdhaar bijeenhoudt). Telefoonnet (ask KPN). alfredbirney.net (is niet langer in gebruik maar staat nog wel op trage zoekmachines). Kennet (rivier in Engeland). Zonet (daarnet). Daarnet (zonet). Klarinet (volgens sommige rietblazers het mooiste muziekinstrument ter wereld). Antoinet (meisjesnaam zonder + te). Bajonet (waarmee soldaten elkaar proberen te prikken wanneer vliegtuigen, tanks, mortieren en handgraten hun werk hebben gedaan). Goudreinet (voorstadium van appelmoes). Kornet (blaashoorn). KetNet (teevee uit België). Indonet (uitgever van boeken geschreven door Indo’s). Jeanet (meisjesnaam zonder dubbel n of dubbel t). Lorgnet (loerglaasje voor knijpogen). Zonnet (internetprovider, opgekocht door Tiscali?). Valnet (om tijgers mee te vangen). Sonnet (ask Komrij, of Jeroen Brouwers die er een vingeroefening in ziet). Volleybalnet (hangt). Tennisnet (ligt). Gladiatorennet (Rome in Hollywood). Boodschappennet (nog altijd beter dan zo’n plastic tasje). Sinaasappelnet (rood: handsinaasappels, groen: perssinaasappels). Monet (Franse schilder, met stomme t). Electriciteitsnet (geleidt en stuurt stroom van hot naar her). ende@rariteitenkabi.net

Haagsche Courant, vrijdag 18 oktober 2002

Duikvlucht naar de ziel van de Indo

Deze roman kan men niet lezen door hem in een keer in te slikken. Deze roman moet geleeskauwd worden, en kan daarna pas ingeslikt worden. Dit komt door de vertelstijl van de schrijver die meer lyrisch is dan naratief-chronologisch, meer poëtisch dan prozaïsch. Het verhaal wordt prismatisch verteld in een vervlechting van verleden, heden en toekomst. Alles cirkelt rond de ziel van een Chinese vrouw die Indo-kinderen heeft gebaard. Ofschoon deze roman van Alfred Birney, Lalu Ada Burung (Galang Press, 2002), vertaald door Widjajanti Dharmowijono uit het Nederlandse Vogels rond een Vrouw (1991, 2002) slechts 263 pagina’s telt in pocketformaat, bevat hij grote menselijke problemen: indoschap, mestiezen, vermenging van bloed tussen rassen. Er is een psychologische weifeling, onzekerheid over de culturele bodem, een vogelmens tussen hemel en aarde. Waarom moet een mens leven in een collectieve tijd en ruimte?

Het verhaal gaat over een Indische jongeman, 27 jaar oud, Alan Noland, die van kleinsaf geplaagd wordt door Oosterse (Indonesische) kunstvoorwerpen, het paranoïde gedrag van zijn vader, en bovennatuurlijke ervaringen. Alan Noland is een zoon van Arend Noland (Si Elang), een Indo uit de verbintenis van David Nolan en Sie Swan Nio. David zelf is ook een Indo, geboren uit het huwelijk van een Engelsman, Alan O’ Nolan met Rabina, een Madoerees meisje. Aldus vloeit in Alans aderen een mengeling van Iers, Madoerees en Chinees bloed. Alan en zijn tweelingbroer, Philip, groeien op in een angstaanjagende, bedreigende gezinssfeer, vol met allerlei magische voorwerpen uit Nederlands-Indië. Dat is allemaal het gevolg van de avonturen van zijn vader die Nederlands marinier is geweest, ooit in Surabaya gewoond heeft, en in 1950 verkoos Indonesia en zijn moeder, broers en zusters te verlaten, na de erkenning van de onafhankelijkheid van Indonesia door Nederland. Si Elang is de enige uit de Indische familie die in Nederland ging wonen. Zijn verblijf in Nederland beschouwt hij eigenlijk als een soort van tussenstation om naar California te kunnen emigreren.

Uit het gedrag van zijn vader concludeert Alan dat de wortel van dat alles zijn grootmoeder is, die Cantonees bloed heeft. Het is deze oude vrouw die de gedachten van Si Elang van ver bestuurt, met gebruik van foto’s, een schilderij en vazen, en brieven die in het Maleis zijn geschreven door de familie die nog in Oost-Java woont. Door het gedrag van zijn vader die vaak last heeft van hallucinaire aanvallen over zijn strijd tegen de Japanners en de politionele acties, vraagt zijn moeder, Anneke, een scheiding aan. Si Elang trouwt nog tweemaal, maar beide huwelijken eindigen met een echtscheiding.

Het leven van Alan wordt beheerst door de oosters-mysterieuze kant van zijn gemengde bloed. Dat bereikt zijn hoogtepunt als de Nederlanders zelf de aanwezigheid van de Indo’s een probleem vinden, ook die van de Molukkers die vaak onrust veroorzaken omdat de belofte van de Nederlandse regering om hen naar de Molukken te repatrieren, niet ingelost wordt. De Indo-groep behoort niet tot de witte Nederlandse groep, en worden vreemd gevonden door de oosterse eigenschappen die ze hebben meegekregen. Indo’s zijn niet zo geliefd, en worden gelijkgesteld met de Molukkers, door “orang-orang dungu sentimentil penuh dendam yang belum pernah membaca buku sejarah” (sentimentele, wraakzuchtige boerenkinkels die nog nooit een geschiedenisboek hadden opengeslagen).

In deze verwarring beleeft Alan een bovennatuurlijke gebeurtenis. Hij wordt door zijn Chinese grootmoeder bezocht in een halfwakende toestand, en ze streelt hem. Zijn vader overtuigt hem ervan dat de gebeurtenis hem de liefde toont die zijn grootmoeder voor Alan koestert. Daarom besluit hij op pelgrimstocht te gaan naar Java, naar de familie van zijn vader en het graf van zijn grootmoeder in Ungaran. De reis naar Java verandert Alans visie op de oorsprong van zijn Indisch-zijn. Hij maakt zijn grootmoeder geen verwijten meer, maar hij distantieert zich juist van zijn vader.

Altijd is er een trio: drie vazen, drie bloeden (Iers, Chinees, Indisch), drie generaties (grootmoeder, vader, zoon), drie spokende herinneringen (schilderij, vazen, oude foto’s), drie sociale groepen (Nederlands, Indo, Moluks). De herkomst van de drietallen is het dualistische, aan elkaar tegengestelde tweetal, nl. Nederlands (kolonisators) en Indonesia (gekoloniseerden), twee groepen van Indo’s (degenen die vrede hebben met hun oosterse eigenschappen, en degenen die erdoor onrustig worden), twee houdingen van de Indo (de zachte als Yin en de harde als Yang), twee woonplaatsen (in Nederland en Indonesia). De ontmoeting van deze twee tegengestelde zaken veroorzaakt een derde, nl. een mix van de twee. Een Nederlandse man ontmoet een Indonesische of peranakan-Chinese vrouw, als overheerser en overheerste (koloniale tijd). De twee rasgroepen die met elkaar in conflict zijn worden in een natuurlijke seksuele ontmoeting verenigd. Het resultaat is de Indo die niet erkend wordt op papier als behorende tot de groep van de vader (verbintenis in de status van njai), maar ook in de praktijk verdacht wordt door de autochtone bevolking. Dit is de kern van het probleem. Een gemengde verbintenis in de status van njai, toont de superioriteit van de kolonisator. Het resultaat van zo’n verbintenis wordt vanzelfsprekend in een minderwaardige positie gedrongen door de Nederlanders zelf.

Alan Noland is driekwart Nederlands en is grootgebracht volgens een Nederlands gedachtenpatroon. Maar het gedrag van zijn vader maakt dat het overige kwart hem achtervolgt. Waarom is zijn vader paranoïde? Omdat hij in Indonesia streed voor Wilhelmina, maar afgewezen wordt door degene die hij verdedigde. Daarom verkiest hij in Nederland te wonen. De kwetsende behandeling in het land en de gemeenschap die hij verdedigde maakt dat hij een zondebok zoekt. Dat zijn de strijders voor de Indonesische republiek die hem naar Nederland hebben verjaagd. Maar het deel dat hij haat is het bloed van zijn moeder en zijn broers en zusters. Dat gevoelsconflicht veroorzaakt paranoia. Aan de ene kant haat hij Indonesia, maar aan de andere kant houdt hij zielsveel van het deel dat hij haat: zijn voorouders.

Alan Noland daarentegen poogt juist het kwart in hem te begrijpen omdat hij afgewezen wordt door het driekwart. Hij ziet dat de Indo’s in Nederland beheerst worden door paranoia, terwijl ze in Indonesia normaal en okay zijn. De pelgrimstocht van Alan resulteert in de slotzin van de roman: “Ia akan mengunjungi ayahnya lagi. Sudah lama ia tak bertemu. Tapi meskipun sesungguhnya ia bergerak makin dekat kepadanya, perasaannya adalah bahwa ia justru perlahan-lahan makin menjauhinya” (Hij zal zijn vader weer eens op gaan zoeken. Hij heeft hem allang niet meer in levenden lijve gezien. Maar ook al raakt hij allengs dichterbij, toch heeft hij het gevoel alsof hij geleidelijk van hem vandaan vliegt.). Alan verkiest de geestelijke kant boven de fysieke kant. Zijn vader is een vergissing. Hij behoort tot Yang, hard en stijf. Alan leunt meer naar Yin, vrouwelijk en zacht.

Mij toont de roman hoezeer een mens groeit in lokaliteit. Daarmee bedoel ik de eenheid van ruimte en tijd. De ruimte is Indonesia en de tijd is de geschiedenis, genealogie, wortels. De tijd is zo te zien belangrijker. Een mens groeit uit culturele wortels die geschieden, geschiedenis worden. De wortel van Alans tijd, zijn genealogie, bevindt zich in drie lokaliteiten, het westen, Indonesia (Madoera) en China. Ofschoon hij eigenlijk reeds westerse wortels bezit (hij is geboren en getogen in Nederland), blijven zijn andere wortels hem achtervolgen, vooral zijn Chinees bloed. “Buat apa saya ke sana (Indonesia, pen). Negeri itu sama sekali tak menarik bagiku” (Wat moet ik daar? Het land trekt me helemaal niet.), zegt Alan. Dat is een afkapping van zijn Madoerese wortel, die hij heeft meegekregen van zijn Madoerese overgrootmoeder. Er is nog maar een spookwortel over, de Chinese (grootmoeder). Is het mogelijk dat hij zijn Chinese wortel opgraaft?

Deze roman herinnert de Indonesische lezers eraan hoe belangrijk het is wortels op te graven. Die wortels blijven in ons groeien. En wij zijn ons er niet van bewust. Wij proberen ze zelfs af te wijzen en ze weg te gooien. We blijven normaal (niet paranoïde) in Indonesia omdat wij onbewust deze wortels meenemen. De wortels kennen is ook de ruimte en tijd van onze groei kennen. “Ya, akhirnya sifat asli selalu muncul, ha, ha!” (‘Ja, uiteindelijk komt de ware aard toch altijd bovendrijven, ha ha!’) zegt Zus Maudi in deze roman.

Het is het verhaal van de Indo’s die gevangen zitten tussen twee wereldden, twee wortels, en uiteindelijk moeten beslissen welke wortel ze willen volgen, de Nederlandse of de Indonesische. De middenwereld is een gevaarlijke wereld. De wereld van de tjitjak, tussen vloer en dak. Maar waarom worden de Indo’s in Indonesia niet paranoïde, en in Nederland wel? Dat komt door het verschil tussen de westerse en Indonesische (oosterse) filosofie. De basis van de westerse cultuur is een dualistisch conflict dat moet opgelost worden met een winnaar, een machthebbende, die superieur is. In Indonesia moet het dualistische conflict opgelost worden in een “middenwereld”, een meng-entiteit van twee binaire opposities. De Indo’s zijn een verwezenlijking van een geïdealiseerde middenwereld. Hier worden zij geaccepteerd.


(Uit Pikiran Rakyat, Bandung, 17 oktober 2002, p. 23)
Jakob Sumardjo over Lalu Ada Burung, vertaling van Vogels rond een vrouw (vertaling: Widjajanti Dharmowijono)

Deugden

logo alfred birney In de huidige discussie over normen en waarden hoor je nauwelijks iets over de Kardinale Deugden volgens Plato en Thomas van Aquino. Dagblad Trouw laat braaf allerlei bekende Nederlanders hun zegje doen over de Tien Geboden, want sinds de Koran de mondiale toptien is gaan bestormen moet de Bijbel zijn nummer 1-positie veiligstellen. Nou, laten we dan die Grieken er ook maar even bijhalen, dan hoeven we niet helemaal naar China toe. Voor een gelukkige samenleving koesterden de Grieken vier deugden: 1. prudentia (verstandigheid); 2. fortitudo (moed); 3. temperantia (zelfbeheersing) en 4. iustitia (rechtvaardigheid). Thomas van Aquino, katholiek wijsgeer, voegde daar nog aan toe geloof, hoop en liefde en noemde het nieuwe rijtje in zijn Summa Theologiae de zeven deugden van ethiek. Verstandigheid moet niet worden verward met intelligentie; hier leze men wijsheid. Moed betekent niet als een gek met bommen gaan gooien, maar de lijn der wijsheid volgen. Zelfbeheersing duidt op gematigdheid in ons begeren. Rechtvaardigheid is nodig voor het nemen van beslissingen naar ogenblik en omstandigheden. Een slecht maar slim mens kan naar de eerste drie deugden leven. Maar de vierde deugd maakt iemand pas tot een verstandig, moedig, beheerst en rechtschapen mens. Een goed katholiek heeft daarnaast nog geloof, hoop en liefde nodig. De protestant (Balkenende? Bush?) gaat minder uit van de zeven theologische deugden, veeleer van het kwade in de mens, en neemt daarom de Tien Geboden als leidraad. Zou zo iemand nou deugen?

Haagsche Courant, woensdag 16 oktober 2002

Mama Bali

logo alfred birney Je hoeft dus geen wolkenkrabbers te bouwen om doelwit te worden van terrorisme. Bali is het kloppend hart van de toeristenindustrie, nummer 3 op de Indonesische economische ladder. Balinezen laten veel toe op hun eiland, zoals ‘besloten feestjes’ voor toeristen in discotheken. Een Australiër kan er 9 maanden rondkomen van 3 maanden werk voor een uitzendbureau. Je kunt er hamburgers eten, goedkoop meisjes en jongetjes huren. Geen beter doelwit voor terrorisme dan Bali, waar je meer toeristen ziet dan autochtonen. Nu moet Qantas vliegtuigen sturen ter evacuatie van Australische toeristen. Het regent negatieve reisadviezen. Mijn Indonesisch-Chinese vertaalster viert jaarlijks kerst op Bali, maar ziet daar nu vanaf. Haar kinderen wonen in Australië, ze zal een eindje verder moeten vliegen, terwijl Bali vele lege plekken zal vertonen. Ik moet over vijf dagen naar Indonesië voor een promotour van de Indonesische vertaling van een van mijn romans. Op elk podium dat ik betreed kan ik net zo goed mijn bek houden, want ik ben nou niet bepaald het toonbeeld van de ‘begrepen schrijver’. De belangstelling voor schrijvers uit het buitenland neemt er toe, maar kan ook het kruidvat vullen van terroristische groeperingen die alles wat naar het Westen ruikt willen beschadigen. De nieuwe oorlog woekert overal, men probeert de vijand te ontmaskeren maar slaagt daar niet in. Als een idioot met nog grotere bommen elders gaan teruggooien is geen bijster intelligent idee om terrorisme te bestrijden. Kruiddamp biedt geen helder inzicht.

Haagsche Courant, maandag 14 oktober 2002

Dou Kou

logo alfred birney Volgens het huidige Chinese leersysteem moet een eerstejaarsstudent tenminste vierduizend karakters kennen. Dou Kou kende op zijn zevende jaar al vijfduizend karakters. Zijn vader vond het leersysteem dus maar niks en haalde zijn zoontje van school. De kleine had toen al een bestseller op zijn naam staan, dus wat kon je er tegenin brengen? Het is het verhaal getiteld Zwerversleven en gaat over het wel en wee van hem en zijn ouders, hoe ze door China zwerven op zoek naar werk. Hij liet er nog een tweede boek op volgen, getiteld Kinderogen, over het plattelandsleven, met het perspectief uiteraard bij het kind, anders hadden we met een genie te maken. Ik houd de jongen voorlopig voor briljant. Een genie ben je als je op een of andere manier op welk gebied ook de hele wereld op zijn kop kan zetten, terroristen even uitgesloten. Einstein, Freud, Escher, Bach. Dat. Nou heb ik het land aan hypes maar ik zit nu toch op een vertaling van deze zeer jeugdige Chinese schrijver te wachten. Als het maar niet die onwaarachtige uitgeverij Vassallucci is die de vertaalrechten koopt, dan vind ik het best. Met een beetje scepsis kun je bedenken dat Dou Kou’s papa die boeken geschreven heeft, maar ik neem aan dat dat niet het geval zal zijn. Dou Kou heeft inmiddels een derde boek geschreven. Geen roman ditmaal maar een weerwoord tegen zijn critici. Deed ik ook eens. Hopeloze onderneming. Niet alleen schrijven, ook lezen is een kunst. Critici die worden gekritiseerd hebben de neiging nog slechter te gaan lezen dan ze al deden.

Haagsche Courant, vrijdag 11 oktober 2002