Woningnood onder verhalen

logo alfred birney Als iemand mij naar een record zou vragen, dan keek ik naar de tijd die het me kostte een kort verhaal of een roman te schrijven. Mijn snelheidsrecord op de korte baan ligt op drie dagen, op de lange baan negen maanden. Niets bijzonders dus. Mijn traagterecords zijn interessanter. Ik werkte twaalf jaar aan mijn langste roman en had evenveel tijd nodig voor het schrijven van één van mijn korte verhalen.

Het korte verhaal wordt hier ondergewaardeerd, ik snap niet waarom. Misschien omdat je ze moet kopen en columns niet. Verhalenbundels verkopen nauwelijks in Nederland, tenzij het om jumbo-uitgaven van beroemdheden gaat die voor de zomervakantie de markt op worden geslingerd. Die komen doorgaans niet van schrijvers die uitblinken in het korte verhaal. Ikzelf ben ook geen kortverhalenschrijver bij uitstek, al drijft de column me wel steeds meer die richting uit.

Wat een column nou precies inhoudt of in zou moeten houden, is voer voor vele discussies. Gangbaar is de opvatting dat de column zich in het niemandsland bevindt tussen het korte verhaal en de journalistiek. Dus een anekdote of sfeertekening als een loempiavel om een mening gerold. Of, controversiëler, een mening die om een pannenkoek wordt gerold. Een column leren schrijven hoeft niemand. Je kunt het of je kunt het niet. Maar dan: stijl en schrijftechniek even daargelaten. Anders zou de column de laatste jaren nooit het korte verhaal zo enorm hebben kunnen wegdrukken.

Dat columns aantrekkelijk zijn, moet voor een deel liggen in de lengte. Ze zijn nog korter dan het korte verhaal. Je kunt ze lezen bij de bushalte en tijdens het koken. Vreemd genoeg is behalve de column ook de dikke roman enorm populair, de boeken met de dikte van een straatklinker. Het verschil tussen een column van 500 woorden en een roman van 300.000 woorden is te absurd als je met deze getallen wilt gaan goochelen om de populariteit van beide genres te verklaren. Uiteraard hebben ze wel iets gemeen. Een leuke column scheur je uit en geef je aan je tante, een dik boek koop je en geef je aan eh… die zo’n mooie salontafel in de kamer heeft staan. Bloemetje ernaast, flesje wijn en zo meer. Videootje aan, vrijen op de bank, het boek dient als kanonskogel bij relatiecrises.

Een column kun je desgewenst uit je hand te schudden, een kort verhaal niet. Een goed kort verhaal vergt bloed, zweet en tranen. Publicatiemogelijkheden voor dit genre zijn er nauwelijks. De weg naar schimmige literaire tijdschriften voert langs raadselachtige omwegen en onzichtbare redacteurtjes. Dat de landelijke en regionale kranten niet regelmatig ruimte bieden aan nieuw talent van korte verhalen is jammer, zeker nu de literaire tijdschriften hun toevlucht op het internet zoeken. In Indonesië, dat wordt beschouwd als een onliterair land, bieden de kranten juist wél plaats aan nieuw schrijftalent. Daar debuteer je, als aspirant schrijver, gewoon in een krant. En de columns daar? Nou, die worden geschreven door lezers.

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 28 februari 2003

Mimpi

Malam hari itu kelinci-kelinci tidur di pasir pantai, aku melihat satu ekor berjaga-jaga, lalu kau ada di hutan tropis dan aku harus mencarimu. Tidak ada yang harus kutakuti, bukankah hanya sebuah permainan. Aku tersesat, mencari dan menemukan kau di padang terbuka. Keadaan jadi sungguh-sungguh. Kau mau berkelahi dan aku takut lagi kepadamu. Kau menertawakan aku karena aku tak terlatih, kau mencemoohku dan kau berdiri di sana, kau muda dan tampan lagi, matamu yang coklat berkilauan aneh dalam warna nila dan merah dan mulutmu miring begitu mengejek. Aku jatuh di tanah, di bumi yang hangat, aku berteriak, jeritanku mengisi kamar tidur, temanku dia tidak bangun, aku duduk dalam baju kimonoku di kamar bawah, gemetar di meja kerjaku, dan kelinci-kelinci dari pantai duduk tanpa peduli di sampul CD dengan judul Multiplication.


eric gale multiplication

Gitar Eric Gale membisu dan jiwamu mengisi ruangan. Baumu asap cerutu, permen mentol dan bumbu-bumbu Indis. Kapan kau mati dibunuh, kau sudah cukup lama menyiksaku, seperti korban-korbanmu menyiksamu dari akhirat. Satu saat kau akan melihat mereka bermunculan di depan matamu yang sekarat. Kau bilang ada banyak, ratusan, yang kau kejar dengan pisau, bayonet, pistol, senapan, granat tangan, bensin, sumbu dan korek api menemui ajal mereka.

Ataukah hanya ada satu, hanya pernah ada satu orang yang mati karena kesalahanmu: seorang teman sekolah mungkin, yang berada di kubu musuh karena dia tidak mau berjuang demi orang Belanda yang kau anggap saudara dari seorang ayah yang tidak pernah mau mengakuimu? Mungkin kau masih ingat hari itu, jam itu, saat kau rasakan pisaumu tenggalam dalam tubuhnya dan dia berbaring di atasmu dan kau merasa mau muntah karena dia tidak mau melepasmu. Kau berhasil lolos, lari dari dia, tapi setahun sesudahnya pada hari yang naas itu kau melihatnya berdiri di ujung kaki tempat tidurmu dan dia membagi diri seperti kecoak. Satu tahun kemudian dua sosok kembali dan membagi diri mereka menjadi empat. Tahun berikutnya mereka berempat kembali dan membagi diri mereka menjadi delapan. Dalam perkalian yang tidak dapat dibendung, satu pasukan mendiami kerajaan maut yang menunggu engkau, pendirinya, sehingga mereka bisa menyanyi:

Soerabaja Papa, selamat datang di rumah, selamat datang di tengah kami.

Kami sekarang begitu banyak dan masih saja takut kepadamu. Katakanlah apa salah kami, sehingga anda dapat berdoa bagi kami, seperti kami juga berdoa untuk anda, ketika sesudah perang anda putus asa mencari jalan dalam rimba batu bata di Negara Belanda yang jauh, di mana pintu yang tertutup tidak bisa dibuka dengan tendangan karena ada kuasa yang tidak dapat dimengerti, yang selalu mencegahnya, sesuatu yang lebih kuat daripada ilmu gaib orang terpandai dari masa muda kami di Hindia, Sang Dukun yang baru mau mati ketika ia tahu pasti bahwa orang Belanda akhirnya meninggalkannya untuk selama-lamanya.

* * *

Judul Asli: Vanwege een oorlogserfenis (Multiplication). Haagsche Courant, vrijdag 21 februari 2003. Hak cipta © 2003 pada Alfred Birney. Alih bahasa: Widjajanti Dharmowijono

Vanwege een oorlogserfenis

gale Het was nacht, de konijnen sliepen op het strand, ik zag een langoor waken, en toen was jij in het tropische bos en ik moest je zoeken. Ik had niets te vrezen, het was maar een spelletje. Ik doolde, zocht en vond je op een open weide. Het werd ernst. Je wilde vechten en ik werd weer bang voor je. Je lachte om mijn ongeoefendheid, je hoonde me en daar stond je, je was weer jong en knap, je bruine ogen glansden vreemd in indigo en rood en je mond vertrok zich weer zo spottend. Ik viel op de grond, de warme aarde, ik slaakte een schreeuw, hij vulde de slaapkamer, mijn vriendin zij werd niet wakker. Nu zit ik beneden in mijn kamerjas na te rillen aan mijn bureau en de konijnen van het strand staan onbewogen op een cd-hoes met de titel Multiplication. Maar de gitaar van Eric Gale zwijgt en jouw geest vult de ruimte. Je ruikt naar sigarenrook, pepermuntjes en Indische kruiden…Wanneer sterf je nou eens de moord man, je hebt me nu al lang genoeg gekweld, zoals jouw slachtoffers jou vanuit het hiernamaals zijn blijven kwellen. Eens zal je ze voor je stervende ogen zien opdoemen. Volgens de verhalen die je me voor het slapengaan vertelde, zijn het er velen, honderden, die jij met mes, bajonet, pistool, geweer, handgranaat, benzine, lont en lucifer de dood in hebt gejaagd… Of was het er in werkelijkheid maar één, was het ooit maar één persoon wiens dood jij op je geweten hebt: een oude schoolvriend misschien die in het vijandelijke kamp terecht was gekomen omdat hij niet wilde vechten voor de Hollanders, in wie jij de broeders zag van een vader die jou nooit heeft willen erkennen? Misschien herinner jij je in je eenzaamste ogenblikken voor de slaap je komt halen de dag nog en het kwade uur waarin jij je dolk in zijn lijf voelde glijden en je kotsend op hem lag omdat hij je niet wilde loslaten. Je hebt je losgerukt en bent van hem weggerend, maar niemand behalve je moeder heeft de onschuld uit je ogen zien verdwijnen. Een jaar later is je oude schoolvriend op die ene dag aan jouw voeteneinde verschenen, ongrijpbaar als een kakkerlak die zich zou gaan multipliceren… Het jaar daarop kwamen zijn twee gedaanten terug en deelden zich op in vieren. In het daaropvolgende jaar kwamen zij terug met vier en deelden zich op in achten. En zo, in ongeremde vermenigvuldiging bewoont inmiddels een heel leger het dodenrijk waarin jij als stichter wordt verwacht, zodat men in koor kan gaan zingen: Soerabaja Papa, welkom thuis, welkom in ons midden. Wij zijn intussen met zo velen en toch zijn wij nog altijd bang voor u. Vertel ons wat wij hebben misdaan, opdat u voor ons kunt bidden, zoals wij altijd voor u zijn blijven bidden toen u na de oorlog hopeloos uw weg zocht in de bakstenen jungle van dat verre Holland, waar gesloten deuren zich niet laten intrappen omdat een onbegrijpelijke macht dat steeds verhoedt, iets dat oneindig sterker is dan de toverkunsten van de knapste man uit onze jeugd in Indië, de doekoen die pas wilde sterven toen hij zeker wist dat de Hollanders eindelijk voorgoed waren vertrokken.

Haagsche Courant, vrijdag 21 februari 2003

Jiu-jitsu en de hand van Pluto

logo alfred birney Examen, shit, mijn transiterende Zon staat in oppositie met Pluto, dat moét minstens een blessure opleveren, anders doen de planeten hun werk niet naar behoren. Zal ik me afmelden? Geen kans. De zoon van een vriend belt me plotseling op met de vraag of ik hem in de kleedkamer nog twee opbrenggrepen kan komen voordoen. Ik stamp snel zijn examenlijst in mijn hoofd voor het geval hij mij als partner nodig heeft. Jammer dat zo’n jiu-jitsu-examendag ongevoelig is voor de klassieke Japanse truc van het kiezen van ‘goede dagen’ dan wel het omzeilen van ‘slechte dagen’. De datum wordt geprikt zonder dat de leerlingen worden geraadpleegd. Ik heb dus niet kunnen zeggen dat vandaag mijn hofhouding de beste paarden nodig heeft voor de ontvangst van de keizer en dat de volgende week mij derhalve beter schikt. Ben trouwens laat op, als gewoonlijk, ik schrijf in de nacht. In de 90 minuten die liggen tussen ontwaken en de tatami betreden ben ik zo verstandig om slechts drie sigaretten weg te paffen. Het is druk. Jiujitsuka’s met witte, gele, oranje, groene en blauwe banden treden aan. Vier examinatoren seconderen sensei Steve van Nieuwenhuizen, die drie uur lang bewegingloos in seiza zal blijven zitten, de rok fraai rond zijn benen gedrapeerd. Mijn partner en ik zijn zo onverstandig om in het eerste onderdeel er maar meteen hard in te vliegen. Examinator Björn Aris (derde plaats EK Jodo Iaido 2002) herinnert ons eraan dat de snelheid van jiu jitsu niet uit hardheid maar uit techniek moet komen. Mijn partner raakt een beetje uit zijn doen. Ik laat nu en dan mijn strijdkreet horen, dan lijkt dat geklungel van me tenminste nog ergens op. Tijdens een pauze zie ik vanaf de zijlijn een groene-bander schitteren in sierlijke stijl, alsof alles hem geen moeite kost. Die zal ooit de zwarte band gaan halen en dan echt gaan beginnen, zoals met alle kunsten: pas na jaren begin je een beetje te snappen waar je mee bezig bent. Het zoontje van mijn vriend heeft me niet nodig, maar met zijn series in mijn hoofd begin ik nu de verschillende graden door elkaar te halen. Het scenario van negen maanden oefenen wordt onleesbaar in mijn hoofd. Pluto komt me treiteren, stuurt een koude windvlaag door een raamluikje. Een heupworp van mijn partner doet de rest, ik verga van de kramp in mijn nek. Na een minuut oponthoud stuurt de examinator me naar de kant. In de kleedkamer masseer ik met mijn zweet mijn nekspier terug in redelijke doen. Terug op de mat voor dit moeizame examen adviseert de examinator me mijn gedachten naar mijn onderbuik te sturen. Dat helpt. Aan het einde van het examen leest de sensei de namen op van de geslaagden. Oei, hij pauzeert bij mijn naam… Gaat ie me zeggen dat ik voortaan maar beter achter mijn schrijftafel kan blijven zitten? Nee, ik heb de langste kiai van allemaal, een non-fysiek wapen vanuit de onderbuik. Kiaaaiii! Mijn redding. Maar kun je niet beter goed zakken dan slecht slagen? Ik heb Pluto weerstaan, maar mezelf niet. Ik moet nog een hoop leren. Nee: ik mág nog een hoop leren. Het verschil ligt in anders denken.

Haagsche Courant, vrijdag 14 februari 2003

Vissen in de herinnering

logo alfred birney Iemand gaat dood. Herinneringen komen tot leven. Het jaar 1986 liep ten einde, ik hing een beetje rond in Amsterdam, de stad waar ik me om een of andere reden nooit op mijn gemak voel, al woont de helft van mijn familie daar. In het voorjaar van 1987 zou mijn debuutroman verschijnen en mijn zus Miranda maakte in het Oosterpark een serie portretten voor op het achterplat van het boek. Zus Maureen werkte achter de bar in de Tangram, een etablissement met een anarchistisch Amsterdams sfeertje.

Peter Schat (5 juni 1935 – 3 februari 2003) kwam er dagelijks lunchen, of ontbijten, whatever. We kwamen bij elkaar aan een tafel te zitten en hij vroeg me van alles over mijn aanstaande boek. Ik vroeg hem van alles over zijn muziek. Hij legde me zijn eigen toonsysteem (de Toonklok) uit, dat ik toen kon volgen maar de dag erop weer was vergeten. Hij sprak ook met vervoering over de gamelanmuziek uit Indonesië. Hij droomde de gamelan in een symfonieorkest maar worstelde, denk ik, nog met de stemming van het Indonesische slagwerk.

Ik raakte verzeild op een oud-en-nieuwfeestje in zijn woning. In de keuken stond op het fornuis een ovenschaal met kippenboutjes te pruttelen. Ik dacht dat Peter Schat het gerecht zelf had bereid en complimenteerde hem. Hij zei dat het niet van eigen hand was, net als die provorookbommen in de jaren zestig: die waren wel in zijn kelder gefabriceerd maar niet door hem. Niet dat hij zo wilde onderstrepen dat een componist aan potlood, vlakgom en papier genoeg heeft of zoiets. Hij had het feitelijk over vrijheid. Eens, ergens in een Zwitsers of Oostenrijks hotel, had hij in de lade van zijn nachtkastje een bijbel aangetroffen en die van woede uit het raam gegooid. Die bijbel tastte immers zijn homoseksuele vrijheid aan.

Het huis van Peter Schat was vol mensen. Ik zocht rust en afzondering bij de kleine huisvijver. Het was een onooglijke hoekige bak, met wanden van badkamertegels en een douchekop als uitstromer van de filterinstallatie. Er zwommen karpers in rond. Ik at mijn kippenboutjes aan de rand van de bak en deelde mijn stokbrood met de vissen. Peter Schat zei me dat ik altijd langs kon komen als ik in de buurt was, maar het kwam er nooit van.

Laatst kwam Rudy Kousbroek in zijn serie Fotosynthese (nr. 26 – In memoriam) met een verhaal over zijn heengegane karper. Vissen zijn een diersoort waarmee je geen verbinding hebt. Maar zijn karper was aaibaar en daarom kon hij van hem houden.

Ik ben afstandelijker dan Peter Schat was en Rudy Kousbroek is. Mijn favoriete vis is de onaaibare geheimzinnige meerval, die in sommige van mijn boeken optreden. Men vraagt mij soms: ‘Wat heb jij toch met vissen?’ Dan geef ik geen antwoord. De vraag is gewoonweg te onbescheiden. Ik heb het Peter Schat toen ook niet gevraagd. Je snapt het of je snapt het niet. Okay, Rudy Kousbroek gaf antwoord. Maar ongevraagd.

Haagsche Courant, vrijdag 7 februari 2003