Aquarium (2)

logo alfred birney Op een zondagmiddag moet ik met Soerabaja Papa mee naar een obscuur adres ergens aan de Hengelolaan, waar iemand in een portiekwoning op de bovenste etage illegaal in aquariumvissen handelt. De woning staat etages aquaria met zingende luchtpompjes. Tussen de klanten bevinden zich veel Indische jongens. Hollandse jongens dragen colberts, die ze jasjes noemen; Indische jongens dragen jacks en noemen ze jackets.

Soerabaja Papa kiest zijn vissen per paar. Er zitten zebravisjes bij, schoolvissen die paarsgewijs niet gedijen. Daarom moeten er later 10 worden bijgekocht. Mama Helmond vraagt zich aldoor af hoe we de week door moeten komen als hij al het huishoudgeld er bij die aquariumvisboer op de Hengelolaan doorheen jaagt. ‘Wat moeten we met die stomme vissen als we verder niks te vreten hebben. Jij gaat bij die stinkvrienden van je nasi en bami zitten vreten, jij eet nieuwe Hollandse haring voor je thuiskomt, jij maakt in de lunchpauze je geld op aan saucijzenbroodjes en ik moet de kinderen met droog brood naar school sturen en ze ’s avonds een half ei te vreten geven omdat jij zo nodig dat stinkaquarium hier in huis moest halen, waar ik de godganse dag mijn knieën tegen stoot.’

‘Ach, gezellig toch, die visjes? Mooi, voor als het donker wordt.’

Nou, dan kijkt zij naar een besneeuwde film op een zwartwit-televisie met één kanaal en wij kijken naar het aquarium, waarin het leven mooi is, en de dood op de loer ligt.

Een Hollandse kennis uit het Westland, een ex-marinier die regelmatig opduikt in Soerabaja Papa’s oorlogsverhalen, zegt: ‘Ik denk dat het water is vergiftigd.’ Hij steekt zijn arm in de bak en haalt wat zand weg van de bodem. ‘Kijk, die vorige eigenaar heeft gewoon een laag verf over de verroeste bodem gesmeerd. Daardoor gaan die vissen dood.’

‘Maar hoe kan het dan dat die goerami’s blijven leven?’

Goerami’s. Indonesische vissen. Indonesiërs waren ooit de tegenstanders van Soerabaja Papa en die Hollandse kennis in een moeilijk te begrijpen oorlog. De Indonesiërs wonnen de oorlog, Soerabaja Papa en zijn Hollandse mariniersmaat hadden die kampongs net zo goed niet in de fik hoeven steken.

Wanneer zijn oude mariniersmaat is vertrokken, kijkt Soerabaja Papa nog lang naar de goerami’s. Sterven er geen guppen door het slechte water, dan worden ze wel opgegeten door die verdomde goerami’s. Ze zijn met vijf stuks vertegenwoordigd en zijn de grootste vissen in het aquarium. Het zijn net peloppers, die goerami’s: extremisten, vijanden van koningin en vaderland. Ze komen Soerabaja Papa bezoeken in de nacht, doorzwemmen zijn bloederige dromen. Beelden van haat en angst verstillen tot batik goerami.

Haagsche Courant, vrijdag 30 mei 2003

Aquarium (1)

logo alfred birney Zwartwitfoto uit de late jaren vijftig. Kartelrandje, vergeeld, maar zonder nostalgische waas. Een klein aquarium op een gammel tafeltje met geruit kleedje. De cylindrische lichtkap ligt als een Duitse torpedo op de afdekruit in dit stilleven.

Mama Helmond scheldt op het aquarium. Dat vieze ding stinkt met die vieze vissen, die vieze planten, die vieze slakken, die vieze algen en die vieze wormen die de bodem inkruipen. Zo zal het in Indië dan zeker ook wel altijd hebben gestonken.

Soerabaja Papa heeft het aquaristisch niveau van iemand die een goudvis in een kom in de vensterbank houdt. Op een dag worden de vissen door een onhandige manoeuvre van hem geëlektrocuteerd. Hij dankt de kleine bak af en laat op zijn vrije zaterdagmiddag twee Hollandse collega’s een grotere ons huis binnensjouwen. Mama Helmond gaat in de keuken een half pakje Laurens zitten leegpaffen, maar mijn broertjes, zusjes en ik zijn geïmponeerd. Het gevaarte staat op een stalen rek en er kan wel 250 liter water in. De volgende dag gaan we met de fiets naar Kijkduin en brengen een dagje aan het strand door met zoete koude thee in plastic thermosflessen en witbrood met jam. We zijn een arm gezin met een bruine vader, een blanke moeder en vijf kinderen aflopend van donkerbruin naar lichtbruin. We zitten op een gebloemd kleed in verstelde onderbroeken, afdankertjes van Soerabaja Papa, die ze ‘pendeks’ noemt. De badgasten bekijken ons alsof we van een andere planeet zijn gekomen.

Aan het einde van de dag keren we terug met fietstassen vol duinzand. Soerabaja Papa denkt dat het zeezout er wel uit weg zal spoelen. Hij neemt de grote metalen wasteil, waarin Mama Helmond de lakens wast en de kleinsten zich moeten baden, en kiepert de fietstassen erin leeg. Een tuinslang wordt in het zand geduwd en het water stroomt lustig, zoals vroeger in Indië, daar had je watervallen, hier heb je niks van dat, het leven is eentonig in Holland.

Soerabaja Papa heeft de achterruit beschilderd in de kleuren van een guerrilla-uniform. Hij heeft de lekkende hoekjes gedicht met stopverf en een laagje potaarde aangebracht en er het duinzand overheen gekwakt. Zeulend met emmers water vullen we het aquarium tot de rand. Uit de sloot langs het sportveld aan de overkant van onze naoorlogse Haagsche portiekwoning halen we waterpest, dat volgens Soerabaja Papa bijna zo snel groeit als bamboe.

Soerabaja Papa is ongeduldig en geeft het prille paradijs geen kans om aan te slaan. Er zal en moet vis in zwemmen. We worden met schepnetten naar de overkant gestuurd en keren terug met een paar stekelbaarsjes. Die liggen de volgende dag op hun rug in het brakke water. Soerabaja Papa haalt zijn schouders op. Maar wij begraven ze plechtig in de openbare achtertuin, terwijl Mama Helmond aan haar kapsel frunnikt achter haar pas gezeemde ramen.

Haagsche Courant, vrijdag 23 mei 2003

Hoezo oude Indo’s

logo alfred birney Zo, dus een communicatiebureautje in het Amsterdamse adviseert Den Haag zich een nieuw imago aan te meten: ‘Geen ambtenaren en oude indo’s, maar modehoofdstad van Nederland.’ Indo’s met een kleine letter, het Groene Boekje schrijft dat voor. Het Rode Boekje gebruikt een hoofdletter, want de geschiedenis van Indische Nederlanders ligt wat ingewikkeld, ook voor onze taalkundigen. Indo staat voor: In Nederland Door Omstandigheden. Dat weet 50 procent van de Hagenaars en één procent van de Amsterdammers. In de jaren vijftig en zestig was Den Haag behoorlijk Indisch, in 1900 trouwens al. Indertijd vielen we op. Thans woont een beetje Indo niet in Den Haag maar in Alphen aan den Rijn, Heerhugowaard of Zoetermeer. In Roermond roostert men elke zaterdag saté op de markt, in Den Haag alleen nog op de jaarlijkse Pasar Malam Besar. Als ik hier in Den Haag een Indo op straat zie, denk ik: ‘Hé, een Indo!’ En die Indo die mij ziet, zie ik ook denken: ‘Hé, een Indo!’ Want ja, terwijl wij verwateren sterven Indo’s van het eerste uur uit, tamelijk roemloos want je zal maar de pech hebben gehad voor de Belanda’s te moeten knokken tijdens de oorlog in Indonesië. Kom je moegestreden aan in Holland, moet je een halve eeuw lang blijven uitleggen dat je geen Indonesiër bent en dat je zo goed Nederlands spreekt omdat je die taal al in Nederlands-Indië sprak. En dan moet je op je ouwe dag nog in je krantje lezen dat een communicatiebureau uit Junkcity vindt dat ‘ambtenaren en oude Indo’s’ moeten worden ingeruild voor etalagepoppen omkleed met lorren uit Parijs, Rome en Timbuktu. Ambtenaren worden dus nog altijd geassocieerd met Indo’s door een stel anachronismen uit dat vunzige grachtenstadje, waar de Amsterdammer het openlijke schijten en shotten voor het CS als de hoogste vorm van vrijheid beschouwt. Die cyborgs van dat communicatiebureau zouden eens een rondleiding in het Haegsche moeten krijgen. Dan kunnen ze zien dat Die Haghe groen en geel ziet van de imago’s: koninklijk, volks, deftig, liederlijk, bruisend, you name it. En wat dat alles verbindt is… het Patatje Oorlog. De Haag is tweetalig bovendien. ’t Haagje kent het kak-Haegsch van Couperus en het plat-Haags van Sjaak Bral & Co uit hun Kugsus Voâh Beginnâhs En Te Vèâh Gevogdede. Hague City is zo gespleten als de tieft en dat vindt men terug in superieure humor, waarbij de Amsterdamse verbleekt tot wat geseyck in de gracht. Het ons geadviseerde imago is allemaal omong kosong van een stelletje tolol Mokummers die het verschil niet zien tussen Indo’s, Hindostanen en Eskimo’s wanneer ze even uit de luikjes van hun opgelapte VOC-pandjes naar buiten kijken. De kift ook dat de regering niet in Damsko zetelt maar in ‘s-Gravenhage. Imago? Amsterdam drijft handel, op klompen. Den Haag administreert, in kostuums uit Rotterdam. Imago wint ‘t nooit van traditie.

Haagsche Courant, vrijdag 16 mei 2003

Michiel ontdekte Suriname

logo alfred birney Boekenliefhebbers mogen vandaag de vlag uithangen, want Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur wordt gevierd. Twee delen, 1500 pagina’s, geïllustreerd, alstublieft. Band 1 behandelt de orale en geschreven literatuur tot 1923, band 2 de geschreven literatuur van 1923 tot 2000. Auteur: Michiel van Kempen. Of onze doorgaans suffe leraren aan onze middelbare scholen meer dan drie namen uit die geschiedenis kennen zou ik niet weten. Ik vrees van niet. De hedendaagse boekenlijsten staan nog altijd bol van de Oeroegs, Karakters en Dwaallichten. Voor het multiculturele toefje een Marokkaantje erbij, of een Irakees, naar gelang de actualiteit, maar daar blijft het dan wel bij. Toegegeven, die leraren moeten het ook weer doen met examencommissies, die gewoonlijk bij hun geboorte de tijd stilzetten. Dus, beste VWO-er: waar draaien de boeken van W.F. Hermans om? Antwoord: het is een zootje op de wereld, meneer. Score: 10. Dus niet: was het proza van Edgar Cairo Sranantongo of een eigen literaire taal? Die vraag wordt niet gesteld, want de multiculturele samenleving is een leugen, meer nog in de literatuur dan op straat. Apartheid regeert en daarom moet een Michiel van Kempen negen jaar lang in zijn eentje werken aan een op zichzelf staande literatuurgeschiedenis, terwijl elders hele commissies zich vetbetaald buigen over de zoveelste kloon van de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Zoals gewoonlijk doet het individu het echte werk. Michiel van Kempen timmert al langer aan de weg, maar om hem te ontdekken moet je niet voor die idiote boekentorens blijven staan waar je bij de moderne boekhandel je schenen steeds weer aan bezeert. Want wat daar allemaal ligt uitgestald is grotendeels sterreclameproza voor op de salontafel bij mensen die niet eens weten dat je een boek van voren naar achteren moet lezen. Michiel van Kempen heeft een slordige 18 bloemlezingen op zijn naam staan, vier vertalingen, 14 essaybundels, vijf prozawerken onder eigen naam, drie prozawerken onder twee pseudoniemen plus drie filmscenario’s. Maar ja, hij zit in de ‘multiculturele’ hoek hè? Dat is toch geen boerenkool met stamppot. Maar gelukkig zijn er nog altijd lezers die avontuurlijk de boekenschappen afstruinen voorbij de namen van Mulisch tot en met A.F.Th. Mensen die eerst de Oost-Indische Spiegel van Rob Nieuwenhuys raadplegen om te zien wat er allemaal voor moois uit ‘ons’ Indië kwam. Thans hebben we er een standaardwerk bij en dat wordt vanavond in Theater aan het Spui ten doop gehouden. En nu maar hopen dat onze neerlandici het in de gaten krijgen. En ook die lui van het CPNB, onze boekenweeksinterklazen met aan het hoofd een man genaamd Henk Kraima, die twee jaar geleden beweerde dat een vertaald boek van Salman Rushdie een Nederlands boek is. Nou, dan zal de Surinaamse literatuur voor hem wel Goudse glorie zijn. Dus wat let hem nog?

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 9 mei 2003

De leugen scoort

logo alfred birney 1. Toch knap van D66. Deze vrijwel geheel van sex-appeal afhankelijke partij (zonder Van Mierlo en Sorgdrager ziet het er allemaal niet uit) werd gepasseerd voor het televisiedebat tussen Zalm, Tomaat, Groenten en overige politieke rames en moest naar het uiterste machtsmiddel grijpen: de radiospot. Heeft geholpen, ze verloren flink. Om dat te maskeren kwamen ze met een grote bek die zei dat D66 nooit maar dan ook nooit in een Broodje Zalm Kabinet zou gaan zitten. Intussen vormen zij wel de boter, die van hun koppen is gesmolten.

2. Dat je schrijvers nooit helemaal moet geloven, is bekend, ze leven immers van fictie. Maarten Apostrof Ut Hart die, meen ik me te herinneren, ooit een dominee de sloot in gooide (gelooft u dat?), bezwoer drie jaar terug zijn lezers (zou Balkenende daar nou bij zitten?) dat hij nooit maar dan ook nooit voor zo’n oranje lintje zou gaan met die banaan. Maar ja, die onder vaginanijd gebukt gaande van regenwulpen bescheten rat had al eerder een zeker type vrouw belachelijk geprobeerd te maken met krabbels van wiebelende dameshakken op de trap en zo meer. Waarna hij zelf op pumps ging lopen. Ongeloofwaardig is-ie overigens altijd al geweest. Voorbeeld: in een van zijn boeken laat-ie iemand op de fiets bij de bakker komen en op de brommer weer wegrijden. Voor dat soort lagere schoolproza krijgt-ie nu een lintje. Straks zie je hem nog in het kabinet onder D66 als staatssecretaris van cultuur verschijnen, bepoederd, met pruik en zo meer. Kan-ie zijn collega’s het graf in bezuinigen.

3. Saeed al-Sahaf blijkt nog in leven. Niks geen galgentouw om de hals van onze warclown. De door Bush van verrukking bekwijlde Iraakse komediant zit momenteel bij zijn tante thuis koekjes in de thee te soppen en te wachten op de Yankees om hem te komen halen. Maar ja, hij zit niet in het kaartspel. Vreemd genoeg gebruiken de cowboys ook geen joker om hem te arresteren voor een enkele reis Hollywood. Dan zijn ze bij Al-Arabiya TV in Dubai toch slimmer. Die willen hem wel. Kan-ie nog tot in lengte van dagen roepen dat de regen in de woestijn wordt veroorzaakt door Amerikaanse troepen die er als desperado’s rondzwerven en uit angst voor de Noord-Koreanen niets anders doen dan wildplassen. Kijk, dat scoort. Het leven is een show, alles wat je ziet is fictie. Wij mensen maken onze eigen film onder supervisie van de Grote Regisseur. Om die te kunnen zien schijn je je ogen te moeten sluiten.

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 2 mei 2003