Jij mijn hoofd, ik jouw zwaard

logo alfred birney Zomervakantie. De rode dojo aan de Groot Hertoginnelaan is in rust. De mat mag op adem komen van al die jiujitsuka’s die zij honderden malen per dag op zich geworpen krijgt. Ik heb de eer er te zijn uitgenodigd door Bjørn Aris, die de derde plaats veroverde op het EK 2002 in de discipline Iaido. Wat is Iaido? Iaido wordt beoefend met een iaito. Wat is een iaito? Een iaito is een Japans zwaard met een geschiedenis die teruggaat op vervlogen tijden van de samoerai. Mag je zo’n zwaard hier in Nederland met je meedragen over straat? Nee, tenzij verpakt in een foedraal. Wat moet je er dan mee als je hem toch niet gebruiken kunt? Vergelijk het maar met Zen en de kunst van het handboogschieten. Wat is Zen? Zen is het behouden van je oorspronkelijke geest. Wat is je oorspronkelijke geest? Het antwoord krijg je door het niet te zoeken, maar door alles los te laten dat jou is geleerd. Hoe laat je los? Door te leren bewust iets vast te houden, bijvoorbeeld een zwaard. Bjørn Aris demonstreert me het groeten van het zwaard, waarna het met de schede tussen de gordelwindsels wordt gestoken. Dit aanvangsritueel kost je een jaar om het redelijk uit te voeren. Je mag niet kijken naar wat je handen doen. Je lijkt naar iets voor je uit te kijken, maar je geest is waakzaam en ziet om zich heen. Strenge Japanse leraren laten hun leerlingen een jaarlang hannesen met het aanvangsritueel voor ze ook maar aan de eerste kata, een vastgelegde gevechtsvorm, mogen beginnen. Bjørn Aris, in donkerblauw Japans rokkostuum, komt vanuit een zittende positie overeind, geeft een zwiepende hauw met het zwaard, slaat het denkbeeldige bloed af, gaat weer zitten en steekt het zwaard terug in de schede. Deze kata lijkt de eenvoudigste maar is de moeilijkste. Een vergelijking dringt zich op met de eerste beweging die je bij t’ai chi leert. Daar zit alles uiteindelijk in. Uiteraard hoort bij elke kata een verhaaltje, anders weet je niet wat een iaidoka visualiseert. Die verhaaltjes zijn eenvoudig. Je zit ergens te zitten, iemand komt met een zwaard op je af en jij reageert. Je doodt de tegenstander niet, nee: je zendt hem naar het licht. Ha ha ha! Die lach is van mij. Ik zal eens een gewetensvraag stellen: heeft mijn gastheer ooit eh… de neiging gevoeld om eh… Ha ha ha! Die lach is van hem. Hij antwoordt met een verhaal die tragiek lachwekkend maakt. In het feodale Japan kenden de samoerai het privilege te oefenen op gevangenen. Die vonden het geen bijster aanlokkelijk idee van kruin tot navel geklieft te worden. Ze bedachten een gepaste wraak op de ridders die zo nodig met hun uiterst kostbare zwaarden hun kunsten op hen wilden botvieren. Wist een gevangene dat hij de volgende dag aan de beurt zou zijn, dan vrat hij zijn buik vol met grind. En zo kreeg menig samoerai na een levensecht uitgevoerde kata zijn vlijmscherpe zwaard voorgoed onbruikbaar terug door het keiharde grind in de buik van wie hij naar het licht had gezonden.

Haagsche Courant, 25 juli 2003

Hindostaanse suiker

logo alfred birney Meeuwen behoren te vliegen. Er is werkelijk niets lelijkers dan een meeuw die naast je komt staan niksen terwijl jij lekker op je strandmatje ligt te zonnen in Scheveningen Paradise. Vooral de jongere exemplaren zitten afgrijselijk in hun veren. Daarbij zijn ze ook nog eens strontvervelend. Je meisje is amper teruggekeerd van de Egyptische snackcar, of er komt zo’n afzichtelijke, brutale meeuw een patatje uit je bakje wegkapen, en passant ook nog eens een lik mayo dan wel pinda nemend. Maar het moet gezegd: vliegt zo’n meeuw eenmaal weg, dan metamorfoseert zijn lelijkheid allengs in een schoonheid waar de mooiste mannen en vrouwen op het strand bij verbleken. En ze zien al zo bleek, die volgevreten auto’s (autochtonen) en allo’s (allochtonen) die het strand bezoedelen met hun weggeworpen halfgeconsumeerde etenswaren. Ziedaar de reden van de meeuwenplaag, die Scheveningen Paradise teistert. Waar hangen de hindostanen eigenlijk uit? Met 40.000 zijn ze in ’t Haegsche neergestreken, maar je ziet ze nauwelijks op het strand. En al helemaal niet in badkleding. Het lijken wel Scheveningers! Die beperken zich ook tot geflaneer over de boulevard. Het is daar waar je de hindostanen moet zoeken, smetteloos gekleed en all that, wandelend of tuffend over de boulevard. Zouden zij zich zelfs op de boulevard suf snoepen aan zuurstokken, smarties, suikerspinnen, popcorn, spekkies en meer van die levensverkortende goedjes? De krant staat weer vol over de eetgewoonten van onze kampioenen suikerzieken. Opvallend is dat hierbij melding wordt gemaakt van hindostanen en niet van hindoestanen. Hindostanen hebben hun wortels in en rond India en hun omweg naar Nederland via Suriname. Tachtig procent is hindoe en twintig procent moslim. Volgens de GGD heeft veertig procent van de Haagse hindostanen kans op suikerziekte. Nou ben ik benieuwd of er verschillen zijn tussen de hindoes en de moslims onder de hindostanen. Hebben rituele maaltijden invloed op suikerziekte? Hebben moslims onder de hindostanen misschien minder kans op suikerziekte omdat ze wellicht minder snoepen dan hindoes? Interessante vraag, lijkt mij. Enfin, onderzoek en berichtgeving over ‘etnische minderheden’ munten toch al zelden uit in helderheid. Ik hou het er maar even op dat niet hindostanen maar hindoestanen in de rij staan voor een abonnement op insuline. Mijn advies aan hen luidt: eet wat u wilt, maar blijf niet op de boulevard aan die suikerspinnen plakken. Trek eens een zwembroek of badpak aan en meng u op het strand tussen de auto’s, allo’s en meeuwen! Neem eens een verfrissende duik in onze van geneeskrachtige algen vergeven zee. Die is schoner dan de Ganges. Cool! En laat die heilige auto eens staan. Ga fietsen! Een hindoestaan op een fiets is nog altijd zoiets als een eskimo op rolschaatsen. Niet dan? Nee? Waar fietsen jullie dan, hindoe… eh… hindostanen?

Haagsche Courant, vrijdag 18 juli 2003

East is East en zoiets

logo alfred birney Een van de beroemdste uit het verband gerukte citaten uit de traditionele wereldliteratuur is de volgende: East is east and West is West and never the twain shall meet. Wordt verzucht door lui die willen onderstrepen dat het wel nooit wat zal worden tussen Oost en West. Interculturele samenwerking en etnische kruisbestuiving zijn een ijdele hoop en daarom zingen zij: East is East en bla is bla.

Het citaat komt uit het gedicht The ballad of East and West van Rudyard Kipling (1865 – 1936), de eerste Engelse schrijver die de Nobelprijs ontving. Zijn Jungle Book is wereldberoemd en bijkans geannexeerd door Walt Disney. Kipling, geboren in Bombay, propageerde het Britse imperialisme en heeft menig lezer afgeschrikt met zijn twijfelachtige raciale vooroordelen. Dat hij vaak zo slecht is geciteerd is dus niet in de laatste plaats zijn eigen schuld. Het citaat krijgt een andere connotatie wanneer je de hele strofe leest: Oh, East is East and West is West and never the twain shall meet, Till Earth and Sky stand presently at God’s great Judgment Seat; But there is neither East nor West, Border, nor Breed, nor Birth, When two strong men stand face to face, tho’ they come from the ends of earth!

Voorwaar geen grootse poëzie, maar goed, we moeten het ermee doen. Kipling zag dus niet alleen de moeilijkheden tussen Oost en West, maar ook de mogelijkheid van een ontmoeting: But there is neither East nor West… etc. Het is deze uitbreiding die ik laatst een Russische publicist zag gebruiken in een artikel dat Europa ervan moet overtuigen dat Rusland weliswaar ten Oosten van Europa ligt maar dat de Russen zichzelf nooit hebben georiënteerd op India of China en zij alleen daarom al niet tot het Oosten behoren en bovendien op grond van allerlei historische voorbeelden hooguit Oost-Europees genoemd kunnen worden en dat dus toetreding tot Europa niet meer dan ‘natuurlijk’ zou zijn. Tenslotte was Rusland ooit een deel van Europa, etc. Kortom: waar een wil is, is een weg.

Toch had die Rus beter een ander voorbeeld kunnen nemen, want die eerste zin van Kipling zit zo in de westerse kukeleku-cultuur ingebakken, dat zelfs computers ermee zijn besmet. Zo moest er ooit een interface komen voor Windows en Macintosh vanwege allerlei communicatieproblemen. De ontwerpers hadden er een naam voor nodig en verzonnen TWAIN, waarmee ze teruggrepen op Kipling. Omdat TWAIN in hoofdletters werd gespeld dachten velen dat het een acroniem was. Een wedstrijd moest het woord verklaren. Een slimmerik bedacht: Technology Without An Interesting Name… Fun! Intussen is China druk bezig aan een eigen computerbesturingssysteem. Nou Kipling, nog even en je kunt Bill Gates horen orakelen: East is East and West is West and never the technology shall meet.

Haagsche Courant, vrijdag 11 juli 2003

Stigma’s waren ooit voor vee

logo alfred birney Twee, overigens serieuze, brieven uit het Westland naar aanleiding van mijn column getiteld Kutmarokkanen. De eerste brief is van een werkgever. Hij heeft drie Turken in zijn bedrijf en nooit gelazer met ze gehad. ‘Ondanks alle waarschuwingen toch maar Marokkaan geprobeerd.’ Nou, dat werd stelen en bedreiging met de dood bij ontslag. De afzender schrijft dat alle Marokkaanse sollicitanten die bij hem aanklopten een strafblad hadden. ‘Moeten niet zeuren over gebrek aan kansen. Hebben gewoon de verkeerde mentaliteit’.

Ik zal wel weer cynisch klinken, maar als een werkgever na één vervelende ervaring met een Marokkaan in zijn bedrijf al afhaakt, dan moet er bij voorbaat al weinig vertrouwen in hem hebben geleefd. Je probeert er een en daarna niet meer. Dat is denken in soorten: ik probeer dat soort even. Ga jij roepen dat ‘ze gewoon de verkeerde mentaliteit’ hebben, dan hebben zij het recht om te ‘zeuren over gebrek aan kansen.’ Wat kan een kansarme anders dan zeuren als hij of zij regelrecht kansloos dreigt te worden? Ja: stelen. Dan zijn we weer thuis.

De tweede brief is het relaas van iemand die Marokkanen probeerde ‘te helpen én te vriend te maken’. Feitelijk eenzelfde uitgangspunt als in de eerste brief. Ging denkelijk goed, totdat zijn Marokkaanse buren binnen een week driemaal een steen door zijn ruit wierpen. De bedreigde begreep later pas dat zijn Marokkaanse buren zijn zoon ‘een rare hardrocker én dus homo vonden’. De zoon werd geslagen, ‘met z’n vieren tegen één, dat wel. Vandaar die cursus “zelfverdediging” op die sportschool van u natuurlijk.’

Hier doelt de afzender op mijn lidmaatschap bij een sportschool, waar ik twee Marokkaanse jongens ken, van wie er eentje een hogere beroepsopleiding heeft gevolgd maar een hopeloze benzinepompbediende is geworden. Voor de goede orde: ik bezoek een sportschool die een grote reputatie geniet, al ruim 80 jaar bestaat en waar de kunst van het jiu-jitsu wordt onderwezen: een edele Japanse gevechtskunst. De leerlingen daar zijn doorgaans tamelijk deemoedig en in de regel nou juist géén vechtjassen. Er zijn relatief veel vrouwen bij en die zitten daar echt niet om uit eigener beweging een beetje te gaan rossen. Nog altijd vindt 80 procent van verkrachtingen plaats in huis en is de dader een bekende van het slachtoffer.

De briefschrijver heeft zich in vijf jaar laten wegpesten. Treurig. Resteert de kunst om niet in gestigmatiseer te vervallen. Niet met clichés komen van drie Marokkaanse WAO-ers die elke ochtend worden opgehaald door een busje. Als hun werkgever een Hollander is, zit die zeker niet fout? Even stellen: één Hollandse moordenaar maakt nog altijd niet van alle Hollanders een moordenaar. Nou ja, nog niet. In de Tweede Wereldoorlog leek het bijna zo. Hele treinen werden met ‘een zeker soort’ volgestouwd en er was geen hond die het zag.

Haagsche Courant, vrijdag 4 juli 2003