Broese (2)

logo alfred birney Broese, de jongen in het lichaam van een oude man, droeg een verschoten leren motorhelm op zijn Jawa en deed die pas af als hij binnen was. Wijnvlekken markeerden de kaalslag op zijn hoofd, tussen gekreukte plukken van dunne resten alang-alang, die zich bogen in hun treurzang.

Alang-alang was het hoge tijgergras waarin Soerabaja Papa en Broese als kleine jongens hadden gespeeld. Broese had het graag over die tijd, Soerabaja Papa niet. Broese wilde herinneringen ophalen aan hun jongensjaren van voor de oorlog, maar die jaren lagen gestold in de bloederige modder op het slagveld van Soerabaja Papa’s herinnering.

Er dwalen tijgers door de alang-alang in Broeses herinnering. Giftige slangen doen hun middagdutje in de schaduw en je moet oppassen ze niet op de staart te trappen, anders ben je nog niet jarig, ha ha. Broeses verhalen zijn lichtvoetig, altijd, en als je er niet om lachen kunt dan doet hij het zelf wel met zijn veel te hoge stem.

In Soebaja Papa’s herinnering zijn de alang-alangvelden donker. Nieuwe maan. Verderop hangt iets dat op een vuurvliegje lijkt. Dat denken de Hollandse mariniers, maar niet Soerabaja Papa. Die sluipt er als een tijger op af, stoot zijn bajonet in de rug van de Javaanse vrijheidsstrijder, trekt hem eruit en snijdt met een flitsende beweging de strot open van de jongen die zijn laatste strootje heeft gerookt. Hij laat hem achter voor de mieren.

Broese zong zijn refrein: ‘Vergeet die dingen toch, wij zijn nu hier: in Holland.’

Soerabaja Papa vergat niet. Als Broese niet wilde luisteren, dan moesten de toetsen van zijn schrijfmachine dat maar doen in de slaapkamer.

Mama Helmond hoort verveeld de verhalen aan van Broese, de oude jongen met de hoge lach. Ik lig in bed en volg het verbeten gehamer van Soerabaja Papa op zijn Remington schrijfmachine. Hij verslijt één schrijfmachine per jaar, hij kan het woord ‘pelopper’ blindelings honderden malen achtereen foutloos typen. Zo probeert hij de dingen te bezweren die hij heeft gedaan in de oorlog. Het zal nooit duidelijk worden wát hij precies heeft gedaan, maar mijn nachten vullen zich met de geesten van hen die hij de dood injoeg. Ze komen me bezoeken, ze willen me wurgen want ik ben een zoon van Soerabaja Papa. Als ik geluk heb is Broese nog op bezoek en jaagt zijn hoge jongenslach de spoken weg. Ik blijf wakker liggen totdat ik hem hoor wegrijden op zijn Jawa. Dan hangt het huis weer vol met de schaduwen van die vervloekte oorlog, zoals Mama Helmond die noemt. Zong Broese wel eens op zijn Jawa terwijl hij scheurde langs het Zuiderpark? Een oud krontjonglied misschien? Iemand met zo’n castratenstem kon toch moeilijk zijn eenzaamheid uitschreeuwen?

Haagsche Courant, 26 september 2003

Broese (1)

logo alfred birney Broese. De naam… Mama Helmond kon met een hardvochtige stembuiging de oe-klank in de naam benadrukken, alsof ze een vies woord uitsprak. ‘O God, daar komt die Broe-se weer aangereden. Broe. Se. En er komt juist vanavond een mooie musical op televisie! Moet ík weer die vervelende verhalen aanhoren. Want die vader van je, die zit toch alleen maar op zijn kamer te tikken achter die schrijfmachine van hem, ik wou dat-ie eens wat meer geld op tafel legde, dan hadden we meer brood en spek op de plank. Maar dat denkt alleen maar aan die vervloekte oorlog van hem daar in dat stinkindië, en dan die Broe-se met zijn Indië, dat heeft het ook alleen maar over Indië, Indië en nog eens Indië. Was ik maar nooit gaan corresponderen met die vader van je, wist ik veel dat die vent een tik van die oorlog heeft meegekregen. Zal ik jou eens wat zeggen: al die Indische mensen hebben een tik van de molen gekregen, weet je dat? Ze waren het gewend met bediendes te leven, die krópen voor ze, die deden álles voor ze, nou en nu zitten ze hier zonder hun bediendes én maar klagen, én maar klagen, ze zijn nog te beroerd om de afwas fatsoenlijk te doen, die laten ze gewoon een dag staan tussen al dat stinketen van ze, en die kruidenlucht dat blijft allemaal tussen de kieren zitten, gut dat denkt dat ze nog daar in Indië zitten, nou waren ze er maar gebleven, zie jij dan soms het verschil dan tussen je vader en die kop van Soekarno op die stinkpostzegels op die stinkbrieven van die stinkfamilie van je vader uit dat stinkindonesië? Nee? Nou dan! Ze hebben gewoon tegen hun eigen buurjongens gevochten, tegen hun eigen vlees en bloed, nou snap jíj dat? Het zijn gewoon verraders die Indischen, met je vader erbij, jaa-haa, jouw vader was een verrader, dan weet je dat! Nou, doe jij maar open voor die Broese en laat die vent dat stinkmotorpak van hem aan de kapstok hangen voor-ie binnenkomt, anders stinkt straks de hele huiskamer naar dat vieze leer en die stinkmotorolie, o daar gaat mijn rust…’

Broese. Bijna een pioniersmerk voor een motorfiets. Maar de man reed op een oude Jawa met een opvallend ei als benzinetank, zeg een Jawa type Broese. Wonderlijke man, met het mysterie van een versleten clown. Had Broese die Jawa motorfiets omdat Jawa een andere spelling was van Java? Wilde Broese zijn heimwee naar Java tonen via de naam van zijn motorfiets? Java was zijn geboortegrond, maar ik denk niet dat Broese Oosters bloed had. Zijn ouders zouden onderwijzers kunnen zijn geweest, die rond 1900 de oversteek naar Nederlands-Indië maakten, om er 40 jaar later te sterven in een Japans gevangenkamp.

Broese had een extreem hoge stem voor een man. Soerabaja Papa verklaarde: ‘De Jappen hebben zijn ballen afgesneden. Hoe? Ja, met hun samoeraizwaarden natuurlijk!’

Of dat nou echt was of verzonnen, weet ik nu, na 40 jaar, nog niet.

Haagsche Courant, vrijdag 19 september 2003

Het zwevende paard

logo alfred birney Ik was al vertrouwd met die kale sokkel op het Koningsplein, zo’n antieke Oost-Europese kolos waaronder je voortdurend het graf vermoedt van een of andere dictator. Prikkelend voor de fantasie, zo’n leeg wit voetstuk. Maar ons buurtbewoners was een standbeeld beloofd. Op de laatste dag van de hete zomer was het feest op het Koningsplein, heel aardig, al was het maar omdat je dan eens de gezichten ziet van je buren. Het stadsleven: je woont jarenlang tussen mensen die je nauwelijks ziet of spreekt, je weet niet eens wanneer ze doodgaan, enfin, dat weten we nu wel. En opeens wandel je tussen ze op een stoffig vernieuwd onverhard Koningsplein. Je kijkt wat naar elkaar. Eh… hallo… toerist hier?
Tijdens de matinee beklimt een actrice de sokkel voor een standbeeldact. Mooi, zo’n levend standbeeld. Maar dat wordt verkracht ’s nachts, niet? Of eigentijds van de sokkel geschoten.
Er is weinig treuriger dan de aanblik van een verlaten plein, dat kort geleden bevolkt werd door honderden mensen. Waar zijn ze heen, die mensen? Verdoen ze hun tijd met het stompzinnigste dat een mens in Nederland kan doen sinds 1951, namelijk televisie kijken? De kale sokkel is in elk geval mooi, vooral in de spotlights.
Dan, opeens staat er een doorschijnend paard op. Het schittert, nee het spookt in de middagzon. Hoe is het erop geklommen? Ik kijk onwillekeurig omhoog om te zien of er soms gieren boven het Koningsplein vliegen. Het dier ziet er uit als een kaalgevreten skelet. Het is zo plat als de tekening die als voorbeeld moet hebben gediend, zelfs de cryptische verwijstekens zijn door de artiest meegelast.
Maak een ommetje en nader het paard en front. Je ziet dan één lijn, zoals de zijkant van een muntstuk. Het paard als hellebaard, zoiets. Er zit niemand op zijn rug, niks geen Willem III, die zet je niet op een skelet, en al helemaal niet in Den Haag. Toch heeft het dier wel wat, het heeft heel veel eigenlijk, al is het maar omdat het er steeds anders uitziet in de vele schakeringen tussen licht en donker onder de Hollandse lucht. Spoken doet het van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Wedden dat het wakker is bij nacht?
Ik verlaat mijn huis bij volle maan en wandel naar het slapende Koningsplein.
‘Hé paard…’
‘Hé schrijver…’
‘Waarom vlieg je niet weg, paard? Dat kan makkelijk! Je zweeft immers al!’
‘Doe niet zo mal, man. Het zijn de spotlights beneden me. Mijn benen worden niet beschenen en daardoor lijk ik te zweven. Maar zie je dan niet dat ik het eeuwige leven heb? Dat moet jij nog maar zien te bereiken, sukkel.’

Haagsche Courant, vrijdag 12 september 2003

Knokken voor een huwelijk

logo alfred birney The Straits Times Interactive meldt het verhaal van een twintigjarige Chinese dame die eens wat anders wilde dan een contactadvertentie, blind date of optreden in een datingprogramma op televisie. Voor haar een vechtsporttoernooi, waar de man die haar wil huwen haar eerst maar eens moest zien te verslaan. Fang Xiaojing doet sinds haar dertiende jaar aan gewichtheffen en vechtsport. Ze was kampioen gewichtheffen bij de amateurs in 1999. Verleden jaar december werd ze kampioen taekwondo in Wuhan (Hubei). Intussen geeft ze les op een boksschool. Kortom een aantrekkelijke partner voor een man die geen doetje op de sofa wil, maar een vrouw die eigenhandig je varken slacht, je kip plukt, je vrienden eruit flikkert als ze vervelend worden en jou ook nog scherp houdt, huh.

Verleden week zaterdag was de dag, ergens in Huangshi (Hubei). De 21-jarige He Qichun meldde zich, een onbekende vechter die in zijn vrije tijd wat handelt dan wel een handelaar die in zijn vrije tijd wat knokt. Hij kreeg eerst twee rivalen tegenover zich, want je komt natuurlijk niet zomaar voor de koningin te staan. Hij versloeg ze één voor één. Toen mocht hij gaan sparren tegen de vrouw in no nonsence wielerbroek en blauw shirt. Hijzelf droeg een rode kickboksbroek met witte biezen. Beiden droegen bokshandschoenen overigens. Op een foto zie je hem doorkomen met een hoge trap die zij maar half weet te weren. De wedstrijd duurde 13 minuten. He Qichun versloeg de sterke vrouw tweemaal en werd tot winnaar uitgeroepen. Waarop het tweetal rozen ruilde temidden van een uitzinnig publiek.

Maar ja. Juffrouw Fang zei tegen de pers dat eh… mwah, ze dacht niet dat haar opponent direct een liefdeskandidaat was. Nou ja, nóg niet dan. Maar wanneer dan wel? Moet ie haar nou ook nog eens verslaan aan de afwasteil of zo? He Qichun leek bang om alsnog een stoot voor zijn kop te krijgen. Als een verstandige jongen verklaarde hij namelijk dat hij juffrouw Fang eerst wat beter wilde leren kennen. En dat als het eenmaal klikt, dat hij haar dan echt zou huwen. De arena dus als voorportaal. Een gevecht als bewijs van inschrijving. Dat is toch gewoon nep joh. Bedrog! Een gimmick! Helemaal niks vind ik dat. Knokken en meteen trouwen, dát hadden ze moeten doen. En public, in real time. Wie speelt moet blijven spelen.

Tja, het gaat om het innerlijk en de uitstraling, hè? De chemie noemt men dat tegenwoordig. Wáár vind je elkaar? Niet in de ring dus. In bed? Hm, later. Waar dán? Waar begint het? Wat een vraag hè? Kun je je hele leven mee toe. De ringen rond de diepe kern zijn een maskerade. Wie het leven als een spel beschouwt, komt niet ver, zegt de I Ching. Maar wat voor wie het spel speelt zonder het te weten? Ligt de sleutel misschien in argeloosheid? Zo ja, betekent dit dan dat de mens maar beter niet kan proberen te bepalen waar en hoe je elkaar vindt?

Haagsche Courant, vrijdag 5 september 2003