Je zal maar een kalkoen zijn!

logo alfred birney Nou, nog een maandje en dan hangen we weer aan het spit. De lange monsters met hun vette schorten wikkelen ons ook nog in spek, alsof wij zo goed met de varkens kunnen opschieten. Laatst hoorde ik zo’n lange zeggen: ‘Je zal maar een kalkoen zijn!’ Intussen liet-ie lachend een schep graan op ons neerdalen, van dat nepspul met 20 procent dierlijk spul erdoorheen. Theo en Leentje, met wie ik een hoekje deel, proefden er rund in, maar volgens mij was het vermalen hond en kat uit het dierenasiel. We scharrelen hier met 1000 stuks op 10 x 10 meter, dat gaat nog wel. Het kan erger, zoals de kippen verderop, die zitten in gesubsidieerde flats met centrale verwarming. Ze zijn wel wat dommer dan wij, die kippen, ze laten zich gewoon volautomatisch de snavel afknippen zónder in opstand te komen! Dat komt zo: ze worden gedrogeerd met tranquillizers. Nu gaan ze dat ons ook flikken, maar dan holistisch, sinds wij hier enorm zijn gaan krijsen toen wij laatst vermalen krokodil kregen, halfom door de maïs heen. Dat weigerden we natuurlijk te eten, ook wij trekken onze grenzen. De lange monsters in hun lebberige bevlekte schorten hebben toen ons gedrag gemeld aan de boerenorganisatie en die heeft nu iets nieuws voor ons verzonnen: Gregoriaanse muziek op cd! Die boerenorganisatie heeft eergisteren dus zo’n gettoblaster in ons kamp laten neerzetten en nu moeten we de ganse dag naar dat vreselijke Gregoriaans luisteren. Wat een grafmuziek is dat! Dat draaien ze om ons rust te geven! Nou ja zeg! Ze zullen bedoelen dat die muziek voor de lange monsters zelf is bedoeld. Zij zijn het die in de stress schieten met dat naderende kerstfeest van ze. Wij niet! Wij hebben ons allang verzoend met de wetenschap dat wij straks bij de soortgenoten van de lange monsters op de tafel liggen. Wat dat betreft voelen de dierenactivisten ons wel aardig aan. Die hebben de boeren aangevallen op een verkeerde voorstelling van zaken en op misbruik van holistische benaderingswijzen. Maar ja, wat heet aanvallen… Een beetje gelul op de BBC-radio, daarna een reclameboodschap van een supermarkt die nu al de kerstboom bij de kassa heeft staan en dat was het dan. Echt op de vuist met die boeren gaan ze niet voor ons hoor, wij zijn maar pluimvee. En intussen vreten die dierenactivisten ook nog onze granen en sojabonen op in plaats van zich op die vieze dikke vette modderige varkens te werpen. En van Theo en Leentje hoor ik zo net dat ze de konijnen met house en rap willen gaan oppeppen, dan komen ze minder duf op de slachtbank terecht. Het gaat kortom om behoud van de natuurlijke smaak voordat de peper- en zoutmolen in actie komt. Enfin, de mode is dan weer dit en dan weer dat, maar u weet het nu: u kunt weldra kiezen tussen in slaap gezongen kalkoen en opgepept konijn. Als ik u was zou ik boerenkool met worst nemen. Dan weet je niet wat je eet en hoef je niet voor ons te bidden.

Haagsche Courant, 28 november 2003

Quasimodo

logo alfred birney Je had zo’n kwart eeuw geleden drie muziekwinkels dicht bijeen in een soort driehoek. Dat waren Servaas, de Bijenkorf voor de popmuzikant, Gerritsen, de V & D voor de modale muzikant, en Goebel, de HEMA voor de folkmuzikant. Bij Servaas zag ik Robbie van Leeuwen eens heel opzichtig bij de ingang op een flamencogitaar spelen. Dat klonk goed nep, is een kwaliteit op zich. Ik had een hekel aan Servaas, ze behandelden je als een bedelaar als je er alleen een setje snaren kwam kopen, maar haalden je als Sinterklaas binnen wanneer je met een bus en je complete band erbij een P.A.-installatie kwam wegslepen. Op een dag had ik zo’n genoeg van die kapsones van ze dat ik een verkoper de duurste Martin-gitaar uit een glazen vitrine liet halen. Ik speelde de sterren van de hemel – dat gelooft u wel, hè? – haalde toen mijn neus op en gaf hem dat schitterende instrument terug terwijl ik duidelijk hoorbaar voor iedereen zei: ‘Wat een brandhout, zeg!’

Die kop van mij konden ze niet meer luchten of zien daar. Ik werd klant bij Goebel, de HEMA voor folkies. Ik kocht er mijn eerste flattop, een Yamaha met massief bovenblad, de rest van triplex maar nog geen IKEA-hout zoals nu. Goede gitaar, is later verpest door iemand die hem een weekendje tegen de cv aanzette. Hals krom, je kon dat ding zo weggooien, wat een stomme mensen lopen er ook rond op de aarde, wie zet er nou een gitaar tegen een verwarmingsradiator, je zet toch ook geen piano in een vriesruimte, tjonge jonge.

Bij Gerritsen kocht ik van de weeromstuit een dure Martin D-35, eentje van mindere kwaliteit dan die D-45 bij Servaas, maar toch ook geen HEMA-spul van die brave Goebel, waar je nog snaren per stuk kon kopen, wat een tijden waren dat. Ik beweerde dus net dat ik bij Servaas de sterren van de hemel speelde, maar dat kan niet, want wat kon ik nou eigenlijk op dat ding? Ik liep altijd een jaar of twee achter mijn voorbeelden aan, nou dan ben je niks, helemaal niks, je moet een ander tot voorbeeld dienen, dan ben je pas wat.

Gerritsen had ook een pianoafdeling. Soms kwam een reïncarnatie van Quasimodo binnenschuiven en die ging daar dan orgel zitten spelen alsof hij Jimmy Smith was. Zijn enige publiek was de verkoper, die ook speelde en met wie hij soms fluisterde over ‘oplossingen’. Ingewikkelde jazzstuff dus. En ik maar pingelen in die stompzinnige folkschemaatjes.
Victor Hugo’s boek over Quasimodo speelt in 1482 maar werd een kleine vier eeuwen later geschreven. Wie zou model voor de gebochelde klokkenluider hebben gestaan? Een organist in een kerk misschien? Als ik een reïncarnatie van Victor Hugo was, zou ik de Quasimodo uit mijn herinnering kanonnier maken op een VOC-schip rond 1600. Esmeralda een nonna uit Batavia. En de corrupte priester Frollo predikant Servaas. That’s how it works.

Haagsche Courant, vrijdag 21 november 2003

Hoestnorm

logo alfred birney Nou had ik net het plan opgevat een column te schrijven onder de Q, X of Y, want die letters heb ik nog niet in mijn columnalfabet, en nu krijg ik de hoest! Het enige voordeel van de hoest is dat je het er warm van krijgt en niet kunt roken. Nadelen te over. Helder denken wordt lastig. Het is al middernacht en ik heb nog geen letter op papier, ik bedoel op het scherm. Maar ik zal en moet een column schrijven, een columnist is namelijk nooit ziek, hoest of geen hoest. Hé! Hoe’s’t? Aan de hoest!? Medicijn tegen de hoest? Gewoon niet hoesten! Schreef Atte Jongstra eens ergens, de nar van de Nederlandse letteren, het zou in Groente of hoe-heet-dat-boek kunnen staan maar ik duik nu even niet mijn boekenkast in, die vieze stoffige boeken bezorgen me straks nog meer hoest. Het stofvrije internet biedt veel info tegen de hoest maar zonder een omschrijving van normen en waarden. Ligt hier geen taak voor de overheid? Wat is hoest eigenlijk? Volgens mij zijn er twee soorten hoest: hoest waaraan je niet en hoest waaraan je wel doodgaat. Over geen van deze soorten hoef je je druk te maken, immers beide leiden naar de weg die de goden voor je hebben uitgestippeld. Maar is er geen gedragscode voor het openbaar bedrijven van de hoest in onze samenleving? Ik bedoel kan er geen hoestmelding boven deze column in een verder leeg veld? Dan kan ik mijn nest in! Nu moet ik schrijven terwijl ik over mijn toetsenbord klap van de hoest. Wie weet begint de lezer bij deze woorden wel spontaan te hoesten! Is hoest eigenlijk geen groter taboe dan seks? Wordt het geen tijd voor lekkere hoestprogramma’s op teevee? Dan kan het van de straat, begrijpt u? Mensen hoesten elkaar maar in de smoel onder het motto ‘ik de hoest, jij de hoest’. Moet dat voor saamhorigheid doorgaan of zo? Wat zou zo’n minister Hoogervorst van Volksgezondheid voor bespiegelingen koesteren rond de hoest? Onze premier Balkenende verbluft ons toch steeds maar weer met zijn ethische bezwaren aangaande huwelijken, televisieprogramma’s en zo meer. Als alles klopt is hij nu even niet aanspreekbaar. Zijn naam begint met een B., dus Balkenende, Berlusconi, Birney en Bush zijn aan de hoest. De A’s waren al begonnen, straks komen de C’s erbij enzovoort. Dit volgens de aanname van uw snotterige columnist in alweer een ijdele zoektocht naar wetmatigheid, maar goed, voordat de H’s aan de beurt zijn kan zo’n Hoogervorst, al is hij liberaal, als pleister voor Operatie Afbraak Volksgezondheid toch alvast voorstellen de Japanse gewoonte om bij hoest een mondkapje te dragen te laten onderzoeken? Bestaat die gewoonte nog wel? Is in het kader van de eeuwenoude betrekkingen tussen Nederland en Japan geen mondkapjesconferentie te beleggen? Het idee achter het mondkapje is niet, zoals bij SARS, de angst besmet te worden, maar de wens te voorkomen dat anderen door jou aangestoken worden. Hé, is een ratel niks?

Haagsche Courant, vrijdag 14 november 2003

Folkies (3)

logo alfred birney Suzanne had als lijflied Suzanne van Leonard Cohen, nogal obligaat, evenals haar gewoonte vrienden op thee en sinasappels te onthalen, naar de schets in het lied: and she feeds you tea and oranges… De Canadese dichter speelde als folkzanger eigenwijs walsend op nylon snaren, zijn bezongen Suzanne was een vriendin die nu met zeven poezen samenwoont en onze Suzanne een blasé Amerikaanse kosmopoliet die met haar Texaanse ouders de wereld rondde onder de vlag van een of andere oliegigant. Maar die olie interesseerde me niet, en dat doet het nu nog niet. Wat me wel interesseerde was het uitzicht van haar tuinkamer op een grote vijver. De kamer lag achter de garage, waarnaar ze was verbannen, opdat het folk- en hippievolk buiten beeld zou blijven. De moeder van Suzanne had nog nooit een Indo gezien en toen ze mij met Dave eens in de hal zag, riep ze uit: ‘Oh my God, they look like Indians!’

Enfin, de tuinkamer. Die heb ik later gebruikt in mijn roman Sonatine voor zes vrouwen, want ja, vaak is de omgeving waarin mensen zich bevinden aanmerkelijk interessanter dan die mensen zelf. Maar nu ik aan die episode terugdenk komen de Amerikaantjes toch weer mijn herinnering binnenwandelen. Steve was cool. Hij reed op een weerbarstige bromfiets die om de vijf kilometer een sleutelbeurt nodig had. Maar hij klaagde nooit, zelfs niet met pech in de nachtelijke duinen richting zijn kamer ergens in Wassenaar. Maar we zitten nu even in een drive in-woning in Voorschoten. Mijn Indische ‘broertje’ Dave was mijn held, hij had op zijn veertiende al een plaat opgenomen. Hij kon alles op het eerste gehoor naspelen, echt alles. Als Mitch er was, een droogkloot met een John Sebastian-act, dan speelde Dave een komische gitaarpartij van Arlo Guthrie (zoon van Woody Guthrie, Bob Dylan’s held), en Mitch deed dan de complete vertolking van Alice’s Restaurant, met de gevleugelde woorden: I wanna kill, I mean I wanna, I wanna kill! Intussen lieten de Americanos hun bommen als manna uit de hemel vallen op Hanoi en Haifong en wij liepen met die ban-the-bomb-speldjes op legerjasjes; die kunnen nu het museum wel in.

Op een avond waren er twee Amerikaanse vreemdelingen, al wat ouder dan wij, vijfentwintig of zo. Een van hen leek precies op de folkartiest Jim Croce. Hij zat daar maar over zijn gitaar gebogen te piekeren zonder een noot te spelen, terwijl Suzanne hem tea and oranges voerde. Ik vroeg hem waar-ie aan dacht. Suzanne fluisterde me in dat hij in Vietnam had gezeten. ‘Oh boy, zei ik, ‘sorry hoor, neem me niet kwalijk. Maar nu we het er toch over hebben… heb jij daar mensen doodgeschoten? Lijkt me niks, dat.’ Een bombardement van dodelijke blikken joeg me op de vlucht. Het sneeuwde buiten. Hij was dus zo’n Universal soldier uit het repertoire van Donovan. Die moest je bezingen. Die mocht je niks vragen.

Haagsche Courant, vrijdag 7 november 2003