Indië in diffuus perspectief

oude indische wereld De geschiedenis van koloniale handelsvestigingen in Azië wordt meestal verteld uit het gezichtspunt van de nieuwkomers, de kolonisatoren.’ Zo opent een hoofdstuk uit De oude Indische wereld, van Ulbe Bosma en Remco Raben. De auteurs zijn wetenschappers van de nieuwe lichting en doen een poging die wereld in een niet-koloniaal perspectief te plaatsen.

De term ‘Indisch’ wordt doorgaans in twee betekenissen gebruikt, zeggen ze: als ‘koloniaal’ en als ‘aanduiding van Euraziatische gemengdbloedigheid’. Beide omschrijvingen vinden ze onbevredigend. ‘De Indische wereld bestond dankzij het kolonialisme, maar ontwikkelde een eigen dynamiek, waarin het koloniale bestuur slechts een van de bepalende elementen was.’ Om deze stelling te omkleden kozen ze voor de familiegeschiedenis als leidraad in hun geschiedschrijving. Met deze strategie begeven ze zich op het terrein van biograaf en romancier. Dat dat een meer dan redelijke schrijfkunst vereist dan wetenschappers over het algemeen tonen, laat zich raden.

De auteurs opereerden eerder in een groter teamverband in het toegankelijke, populaire boek Uit Indië geboren (1997), waarin de vrouw de hoofdrol kreeg toebedeeld. Kennelijk willen Bosma en Raben niets meer dan dit jeugdavontuur weten; de titel staat althans niet in de literatuurlijst van hun jongste werk.

Helaas zal zowel de beginnende als de ingewijde lezer soms tureluurs worden van de wankelmoedige vertel- en betoogtrant die de auteurs etaleren. De beschrijving van de vereniging van families gaat ten onder aan een hoeveelheid namen waar zelfs geen klassieke Russische roman tegenop kan.

Bij een naam hoort iets karakteristieks, wil je een geschiedenis vertellen. Of een familie nou uitgebreid of bondig wordt beschreven, er is werkelijk geen telg die de lezer bijblijft. Waar een romancier vijf bladzijden voor neemt, wordt door Bosma en Raben amechtig in een alinea gefrommeld. Impressies van het leven van de dag worden aardig beschreven, totdat er weer zo’n stoet van lokale moeders, Europese vaders, zwagers, aangewaaide neven, nichten, al dan niet erkende kinderen en geschaakte prinsessen in een fletse processie over de bladzijden komt aan marcheren. Duizelingwekkende genealogie, droge geschiedschrijving, softe polemische terzijdes en nietszeggende cijfers vormen geen eenheid in dit boek. Dat is jammer vanwege de soms interessante informatie die in deze sociaalboekhoudkundige tjampoer vol stijlbreuken zit. De Indische wereld wordt alleen maar diffuser dan ze al was. En onze geschiedenisleraren hebben het er al zo moeilijk mee.

Soms slaan de auteurs er maar een slag naar als ze geschiedkundige feiten gebruiken om hun familieschetsen te kleuren. Op grond van de ontdekking dat privé-gevangenissen niet alleen in Deli maar ook in de Vorstenlanden bestonden, neemt men meteen in een adem aan dat de planters op Oost-Java vergeleken met die in Deli ‘in gebrek aan scrupules ten opzichte van de bevolking en in gebrek aan respect voor het Binnenlandse Bestuur niet voor elkaar onder’ deden. Hebben Bosma en Raben dan nooit van de ‘Koelie-ordonnantie gehoord die alleen gold in Deli en de planters sinds 1880 in staat stelde eigenhandig doodstraffen uit te voeren? Daar kunnen ze De waaier van het fortuin (1998) van J.J.P. de Jong op naslaan, om maar een belangrijke titel te noemen. Dat boek staat toch netjes vermeld in hun eigen literatuuropgave.

Nog erger is dat de auteurs in hun eigen valkuilen trappen. Raciale kenmerken als scheidslijnen in koloniale samenlevingen wogen minder dan verschillen in klasse, opleiding, cultuur en sociale omstandigheden, is het refrein in dit boek. Laten dat nou net de verschillen zijn waar het koloniale bestuur zo de hand in had. Maar schreef het duo eerder niet dat het koloniale bestuur ‘slechts een van de bepalende elementen was’? Bedeesd wordt gehannest met raciale criteria, die Bosma en Raben het liefst zouden wegmoffelen; racisme wordt gemakshalve op straat gesitueerd alsof daar geen gouvernementslieden rondliepen.

Een eigenschap van koloniale studies die ze onderuit willen halen is de marginale positie van de ‘mestiezen’. Hun gemengde afkomst maakt hen ‘vreemd aan zowel Aziaten als Europeanen en daarmee marginaal’. Marginaliteit is taboe voor het schrijversduo, dat pleit voor een ‘positievere interpretatie van de mesties als intermediair tussen de Europese en Aziatische delen van de samenleving’. Terwijl het intermediair door zijn marginaliteit nou juist zijn identiteit krijgt. Wat een bevoogding achteraf! En dat wil de kolonialistische geschiedschrijving te lijf.

Etniciteit speelde dus een rol maar was verder weinig bepalend. Intussen rollen de ‘totoks’, ‘Indische jongens’, ‘kleurlingen’, ‘inlandse kinderen’, ‘sinjo’s’, ‘liplappen’, ‘creolen’, ‘Ambonezen’, ‘Indo’s’, ‘volbloed en halfbloed Europeanen’ onafgebroken over het toneel. In hun zucht generalisaties weg te redeneren, maken de auteurs het oude Indië nog mooier dan de hardnekkigste tempo doeloe-freak doet. Het lijkt wel een wetenschappelijke reclamecampagne. Maar dan: ze noemen krontjongmuziek niet ‘authentiek Indisch’, kennelijk met het oog op de Portugese fado. Nou, wat was ‘authentiek Indisch’ dan wel? Een smeltkroes waarin ‘authenticiteit’ een ‘nieuwe dynamiek’ kreeg? Zoiets wordt betoogd en vervolgens door de bedenkers zelf weer onderuitgehaald. Geen touw aan vast te knopen.

Een regelrechte blunder is het gebruik van de term Indonesiër toen ze nog niet bestond en verderop in het boek doodleuk de abjecte term ‘inlander’ te gebruiken toen de term Indonesiër al wel bestond. Niet elke totok was een koloniaal, wordt ons lezers ingepeperd. En met de invloed van de nieuwkomers aan het begin van de twintigste eeuw viel het ook allemaal wel ‘reuze mee’. Er valt trouwens een heleboel ‘reuze mee’ in dit boek. Je zou bijna vermoeden dat de auteurs die vierhonderd bladzijden in sarong en kabaja uit antieke schrijfmachines hebben zitten hameren in een oud koloniaal landhuis ergens op Java.

De wetenschapper leeft achter een façade van voetnoten in een wereld waar een veelal kleinzielige naijver speelt. Elk hoofdstuk, elke alinea, elke zin, elke term dient te worden verantwoord tegenover collega’s, willen ze serieus genomen worden. Ook Bosma en Raben nemen, hun ongetwijfeld goede bedoelingen ten spijt, hun collega-wetenschappers serieuzer dan het lezerspubliek. Dat mag best, maar dat kan ook op A4-tjes in een ringbandje. Is geen paperback voor nodig.

Ulbe Bosma en Remco Raben
De oude Indische wereld 1500 – 1920
Uitgever: Bert Bakker
Prijs: € 25

© 2003 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van de Haagsche Courant op vrijdag 31 oktober 2003.

NAKONI

logo alfred birney Zelfverdediging is in. Wellicht als reactie op de toename van geweld op straat en niet te vergeten in huis. Aan de basis van vele zelfverdedigingssystemen ligt het jiujitsu. Maar waar ligt nou de bron van het jiujitsu? Men zegt bij de Japanse samoerai en ninja-krijgers. Maar mensen willen namen horen. Nou, tegen het einde van de 17e eeuw ging ene Akijama Shirobei Yashitoki, een Japanse arts, voor een tijdje naar China. Een religieuze groepering leerde er hem een speciale gevechtsmethode, maar Akiyama bleef verstoken van de essentie. Terug in Japan bekeek hij op zekere dag de takken van een ondergesneeuwde kerselaar en een wilg. Die van de kerselaar braken af, terwijl die van de wilg bogen, zodat de sneeuw eraf gleed. Akijama begreep toen dat een vechter moet ‘meegeven om te overwinnen’. Dat is nu nog het motto van de jiujitsubeoefenaar. Het wordt overigens meestal vergeten, de weg van oefening naar kunst is immers lang.

In een andere verhaalversie stichtte ene Akiyama Sinobu, een dokter uit Nagasaki, in 1732 een school die het vechten met de blote hand verspreidde volgens het principe van de meegevende wilgentakken. Was deze Akiyama Sinobu misschien een familielid van eerstgenoemde? Sommige bronnen houden beide personen voor een en dezelfde.

De ontwikkeling van het jiujitsu in Nederland kent ook naamsverwarring. Voor de Tweede Wereldoorlog hing hier nog een waas van geheimzinnigheid rond jiujitsu. Tijdens de oorlog verschenen van Alfred Mazure de populaire Dick Bos-strips. In een aflevering ontmoet de held Dick Bos een jiujitsu-expert genaamd Maurice van Nieuwenhuizen, op wie hij later meer en meer zou gaan lijken. Stripheld Dick Bos werd synoniem aan jiujitsu. Zijn geestelijke vader was in werkelijkheid een leerling van Maurice van Nieuwenhuizen. Indertijd werd ook het eerste volledige Nederlandse jiujitsu-systeem ontwikkeld, het NAKONI-systeem, een acroniem naar de bedenkers NAuwelaerts, KOning en NIeuwenhuizen. Hiervoor tekende niet Maurice, zoals velen beweren, maar zijn talentvolle broer Bob van Nieuwenhuizen.

Diens leerlingen droegen ooit witte kersenbloesems op hun jiujitsupakken. Waarom geen wilgenbloesem is mij een raadsel… De kleur van de knop gaf de gradatie aan, naar analogie van het judo in wit, geel, oranje, groen, blauw, bruin en zwart. Bevoegde leraren droegen een rode knop in een zwarte kersenbloesem. In de volksmond sprak men van het ‘kersenbloesemsysteem’. Hoewel leerlingen op de huidige school van Steve van Nieuwenhuizen nog altijd het klassieke NAKONI-systeem volgen, dragen zij nu judobanden. De gradatie is zo duidelijker zichtbaar dan in een kersenbloesem, maar de rijpere leerling kijkt door de kleur van een band heen. Zoals de meester door iemands façade heen kijkt.

Haagsche Courant, vrijdag 19 december 2003

X-files van de Apachen

logo alfred birney De verhalen over Nederlands-Indië die mijn vader me vroeger vertelde, stonden niet alleen bol van de jacht op wilde zwijnen, toeren op de Harley Davidson of kattenkwaad uithalen in de kampong, zoals in de vertelsels van Tjalie Robinson. Ook hocus-pocus, wonderlijke gebeurtenissen en vervloekingen waren veel terugkerende motieven. Nou komen vervloekingen voor in alle culturen over de hele wereld. Alleen de bijbel al is een groot kookboek van vervloekingen. Ook de Apachen kennen hun vervloekingen. De bekendste is geadresseerd aan een rijtje presidenten van Amerika. Een of ander opperhoofd van een Apachestam zou een vloek hebben uitgesproken over de ‘blanke baas’ van de kolonisten. De werking begon in 1840. Sindsdien zijn zeven hoofden van het Witte Huis tijdens hun ambtsperiode gestorven. Het gaat om presidenten die zijn gekozen tijdens het samenvallen van de planeten Jupiter en Saturnus, een stand die eens in de twintig jaar voorkomt. Het eerste slachtoffer van de Apachenvloek was William Harrison. Hij werd gekozen in 1840 en stierf, amper een maand aan de macht, in de lente van 1841 aan een longontsteking. Abraham Lincoln, de geliefdste president tot nu toe, gekozen in 1860, werd in de lente van 1865 in een theater doodgeschoten door een acteur die de slavernij aanhing. James Garfield, aan de macht gekomen in 1880, werd in de zomer van 1881 op het treinstation van Pennsylvania neergeschoten door een advocaat, wie een baantje als consul was geweigerd. William McKinley, herkozen in 1900, werd aan het einde van de zomer in 1901 door de kogels van een ‘anarchist’ geveld. Warren Harding, gekozen in 1920, stierf in de zomer van 1923 plotseling aan een trombose, enigszins verdacht, al had hij een zwak hart. Franklin Roosevelt, liefst viermaal tot president gekozen, onder meer in 1940, stierf aan een hersenbloeding in de lente van 1945. Het laatste slachtoffer van de vloek was John F. Kennedy, gekozen in 1960. De aanslag op hem in de herfst van 1963 is nu nog een hot issue. De president die twintig jaar later werd gekozen, dus in 1980, was Ronald Reagan. Hij ontsnapte ternauwernood aan een moordaanslag in de lente van 1981. Veel indianen zien hierin het bewijs dat de vloek is ‘opgeheven’. Maar afstammelingen van het Apacheopperhoofd dat de vloek uitsprak, willen dat pas geloven indien George Bush jr., gekozen in 2000, niet in het harnas sterft. Mijn vader zou zeggen: een vloek strekt zich uit tot in het zevende geslacht. Tot en met Kennedy dus. Misschien bedoelen de afstammelingen van het Apacheopperhoofd ook wel te zeggen dat als Bush echt groot wil worden, hij terstond aftreedt. Uit eerbetoon aan de Apachen. Kijk, tegen zo’n zegen kan geen vloek op.

Haagsche Courant, vrijdag 12 december 2003

Yahoodan

logo alfred birney Lollig, de populairste zoekmachine op het internet genaamd Google, te vinden onder www.google.nl, heeft een subversief knechtje gekregen. Dat knechtje noemt zichzelf Soople en is te vinden onder www.soople.nl. Wat Soople doet is zich allereerst profileren als Soople, met een grappig logo dat met de twee o’s in de naam onmiskenbaar lijkt of dat van Google. Soople heeft van Google’s rode en gele brillenglazen pupillen gemaakt en in de o’s gepenseeld. Naast het logo staat dunnetjes, niet direct opvallend vermeld: ‘soepel zoeken in Google’. Wat heeft Soople dan aan Google toe te voegen? Nou, feitelijk niks. Soople toont gewoon de zoekresultaten van Google, meer niet. Maar hoe! Soople werkt als portaal van Google eenvoudig, beter, sneller, slimmer, makkelijker. Bij Google moet je eerst gaan zoeken naar allerlei half weggemoffelde functies. Dat doe je niet zo snel. Internetten is toch voor velen zoiets als zappen met de muis, en dat moet snel in naam van die onbestemde verveling waaraan je achter een beeldscherm ten prooi kunt vallen. Soople helpt je een handje door alle functies van Googles tegelijk op één webpagina te tonen. Typ de naam van uw columnist in, click op ‘zoeken in meerdere sites tegelijk’ en er verschijnt een waslijst van 100 websites op één pagina. Of click op ‘zoeken naar plaatjes’ en hup daar zijn ze, compleet met missers uiteraard. Alle subzoekfuncties worden op bij Soople op één pagina getoond. Hierbij vergeleken wordt zelfs grote vriend Google een logge machine. Soople laat eerlijkheidshalve weten dat het geen banden heeft met Google, geen officiële althans, en dat is ze geraden want gedoe kunnen ze krijgen met dat portaal van ze. Wie clickt op ‘over Soople’ krijgt van de webmaster een blablaverhaaltje te horen als zou hij of zij de webpagina hebben gemaakt voor moederlief en zo meer. Intussen staat er mooi geen naam onder. Ja, een info@soople.nl- adres. Da’s des webs. Al wat niet helemaal te vertrouwen is, zet geen naam onder een website, hooguit een pseudoniem. Het is wel na te gaan wie de bezitter is van het domein www.soople.nl, maar ja, dat kan ook het neefje zijn van de broer van de moeder voor wie het portaal zogenaamd aanvankelijk was bestemd. Met een beetje reclame heeft Soople in no time zo veel bezoekers dat er wellicht grote sponsors op ze afkomen. Ik ben dan ook zeer benieuwd naar de reactie van Google. Stel je eens voor dat dit soort praktijken niet kunnen worden tegengegaan. Dan krijgt straks het oude vertrouwde Yahoo nog een Nederlands portaal onder de naam Yahoodan. Ja hoe dan? Gewoon soepeltjes Soople nadoen, Jan.

Haagsche Courant, vrijdag 5 december 2003