Uitnodiging

logo alfred birney Een mailtje van de krantenredactie. Een zekere meneer, wiens naam ik vast wel ken (nou, niet dus) wil graag mijn telefoonnummer om mij te polsen over deelname aan een forum. Ik mail de redactie terug dat die meneer mij maar een mailtje moet sturen. Het voordeel van e-mail is dat je meteen ziet wat men van je moet. Aan de telefoon moet je vaak een half uur naar iemands gezwets luisteren eer men ter zake komt. Maar meneer heeft zijn paladijnen. Ik krijg iemand van een mij bekende stichting aan de lijn: of een zekere meneer mij mag bellen over deelname aan een forum op de Pasar Malam Besar. ‘O, de Pasar! Goed, zeg die meneer maar dat hij mij kan mailen.’ ‘Meneer houdt niet erg van mailen,’ zegt de stem: ‘hij praat liever.’ Nou, ik zie het al voor me: een inleiding van een uur op een podium, ik mag in twee minuten mijn zegje doen, de anderen idem, er komt wat gelul uit de zaal en je kunt weer naar huis. ‘Zeg meneer maar dat ik niet van telefoneren houd en dat hij mij kan mailen. Mijn e-mailadres is…’ Weken later ontvang ik een mail via mijn mailprovider, die zo vriendelijk is geweest de punt nl achter mijn domeinnaam om te zetten in punt info, want die meneer die zo goed is aan de telefoon denkt dat de hele Nederlandse schrijverswereld een punt nl achter zijn naam heeft staan. Punt nl is voor boeren, meneer! Maar goed, uw mail toont dat u een volhouder bent, u overlaadt mij met maar liefst twee telefoonnummers plus vier websiteadressen, dus u kent het internet wel hè? Moet ik op het podium straks gaan uitleggen ‘hoe Indische kunstenaars binnen het kunstenveld integreren?’ Zegt u mij dat het forum bestaat uit ’intermediairs’ en dat u hoopt ‘nog enkele kunstenaars te vinden die een bijdrage kunnen leveren? Met name als een auteur die zijn Indische achtergrond prominent benoemt en erin is geslaagd zijn naam te vestigen?’ Watte? Hoe bedoelt u: prominent benoemen? Alles goed en wel, maar u rept met geen woord over een honorarium, mijn beste meneer! Eerst dát maar regelen? Okay? Tot later ja? Doei! Hey hoi, bent u daar weer? Watte? Een voorgesprek in Utrecht? Houdt daar de beschaving niet op? Hoe kom ik daar? Met de trein? Kost dat nou joh? Hoezo voorbespreking? Dacht u soms dat ik te voorprogrammeren was? Hey, wie denk je wel niet wie je voor je hebt joh, zakkenwasser! Ik ben toch een gevestigde naam, volgens u? Nou dan. Huldigt u soms de opvatting dat musici, artiesten, de kantinejuf, de portier en uzelf wel betaald moeten worden, maar schrijvers niet? Hallo bent u daar weer, meneer? Als ik het niet dacht! U bericht mij dat ‘niet kan worden voorzien in een honorarium, dit wegens budgettaire omstandigheden…’ Nou joh, dan kan ik toch beter maar een column gaan schrijven. In uw jargon heet dat: integreren binnen het mediaveld. Niet dat ze daar weten wát je waard bent. Maar wel dát je wat waard bent. Lees anders deze column voor joh. Is betaald.

Haagsche Courant, vrijdag 28 mei 2004

Zus Soemini

logo alfred birney Zus Soemini was jarig, ik bedoel haar warung was jarig. Hollandse restaurants vieren hun zoveeljarig bestaan, maar de warung van Zus was dus jarig. Ze werd vijf. Nogal roerige jeugd, vijf inbraken in drie jaar tijd. Haar warung, op de hoek van de Weimarstraat en de Franklinstraat, had een volglazen deur van een Jamin-zaak geërfd en gemeenteambtenaren wilden dat onding met die pompeuze nepgouden deurknop behouden voor ons armzalige cultuurgoed. Er vliegt een steen doorheen, inbrekers nemen een paar duiten mee en Zus zit met een paar duizend gulden schade. Glazen deur hersteld, weer een steen erdoorheen, inbrekers kapen een doos AA-sportdrank en na een derde inbraak kan de deur niet meer gerepareerd. Maandenlang moet Zus het stellen met een deur van sinaasappelkistjeshout, terwijl gemeenteambtenaren zich buigen over de richtlijnen inzake het straatbeeld. Na veel bureaucratische soesa heeft Zus nu een glazen deur met sponningen, iets tussen Jamin en ABN-AMRO in, met het zegel van onze gemeenteambtenaartjes. Ze kwamen niet eten op de verjaardag van de warung. Ik zou ze stellig hebben herkend. Humorloos type, zuinige lolliemondjes en een historisch besef dat niet verder teruggaat dan de deuren van Jamin: een snoepwinkelketen die ooit hele legers tandartsen wist te mobiliseren. In mobiliseren is Nederland altijd goed geweest, met name in verband met slavernij en ronselarij. In de periode van 1890 – 1939 werden ruim 30.000 Javaanse contractarbeiders van Nederlands-Indië naar Suriname verscheept, waar de slavernij in 1863 was afgeschaft en de ‘vrije slaven’ en masse naar Paramaribo waren getrokken. Het ontstane tekort aan arbeidskrachten had men eerder geprobeerd te dekken met Portugezen uit Madeira en Chinezen uit Java en, onder handjeklap met de Engelse regering, met Hindoestanen uit Brits Guyana. De aanwas van Javanen stopte bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Een derde van hen keerde na de oorlog terug naar Java. De onafhankelijkheid van Suriname in 1975 dreef groepen Javanen met Hindoestanen, Creolen en Chinezen naar Nederland. De Javanen hebben nog het meest weg van Indo’s, je hoort ze het minst van allemaal. Beetje broertjes en zusjes, zo voelt dat voor mij. Daarom noem ik de eigenaresse van Warung Soemini ‘zus’. Ze werkt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Als ze eens vakantie heeft gaat ze naar Jakarta, waar ze nog familie heeft wonen. Misschien zit er nog een oudje bij die zich destijds niet door de Hollanders in de maling heeft laten nemen met een armzalig contractje voor ontberingen op zee en harde arbeid op de plantages, allemaal onder het toeziende oog van Hollandse gouverneurs van het slag dat nu mag bepalen aan welke eisen een deur van een Javaans-Surinaamse warung moet voldoen. Hogere functies vereisen geen bijzonder talent maar een mentaliteit, begrijpt u?

Haagsche Courant, vrijdag 21 mei 2004

Operasi Goerami

logo alfred birney Misschien hield Soerabaja Papa wel een aquarium uit heimwee naar Indië. Hij sprak met veel nadruk van ‘tropisch’ aquarium. Een koudwaterbak was hem niet kleurrijk genoeg, zo’n stekelbaarsje viel toch helemaal in het niet bij een maanvis en wat erger was: je kon geen Siamese kempvissen tegen elkaar laten knokken. We maakten geldstukken van karton en legden in op een rode of blauwe kempvis, waarvan er altijd een moest sneuvelen, een nogal wreed en afkeurenswaardig ‘Indisch’ tijdverdrijf in de ogen van Mama Helmond. Waar het hoofd der school heimwee naar had zou ik niet weten en ik zal hem maar niet nader noemen, al liggen hij en zijn gebouw al lang en breed onder de zoden. Hij was een rasechte Batavier en ook hij hield een tropisch aquarium en wel in de hal van die verschrikkelijke school. En móói die bak! En hoe lelijk en vies die bak bij ons thuis! De ene na de andere vis zwom er de eeuwige tubifexvelden in. Enkel de goerami’s wisten te overleven… fresh from Indonesia, het land waar Soerabaja Papa uit was geschopt. Vijf stuks van die vraatzuchtige beesten (vertegenwoordigers van de Panca Sila zal ik maar zeggen) hadden we en ze maakten het leven der guppen en meer van die losers in het aquarium bepaald onveilig. Gelukkig had het hoofd der school een bloedhekel aan Indische kinderen. Toen ik voor de zoveelste keer geen 10 maar een 8 voor een foutloos proefwerk Engels had gehaald, werd het tijd voor Soerabaja Papa om wraak op die Indo-hater te nemen. Zijn aquarium was wel groot maar zou door onze terroristen stellig binnen een week worden leeggevreten. Aldus werden vijf goerami’s in een wekfles door ons onder veel vertoon van hoffelijkheid aan het hoofd der school overhandigd. Die was er zo blij mee dat ik een week later zowaar met een 8+ voor Engels werd beloond. Intussen deden onze goerami’s hun werk bepaald slecht. Ze vielen ook wel wat klein uit in dat enorme schoolaquarium. Maar op een dag werden mijn tweelingbroer en ik bij het hoofd der school ontboden. Ha, was onze doodsbrigade eindelijk in actie gekomen? Nee, we hadden het eh… bestaan om Wilma Flintstone half ontkleed voor een dubbeltje per stuk aan de man te brengen. Hele lessenaars lagen vol van onze porno. En hoewel we onze kunstwerken niet hadden gesigneerd, had het hoofd der school er toch onze vakkundige hand van tekenen in vermoed. We konden direct onze tassen pakken. Woah! Soerabaja Papa zou ons vast alle hoeken van de kamer laten zien! Mis. Hij gelastte ons direct terug te gaan en zijn overige drie telgen van school te halen. De goerami’s zwommen nog altijd lui in het schoolaquarium rond. ‘Het zijn net Javanen,’ zei Soerabaja Papa later: ‘niet te vertrouwen, je hebt er geen fluit aan.’ Dat wilden we wel geloven, maar begrijpen deden we het niet. Dat Wilma Flintstone half ontkleed meer kon aanrichten bij het schoolhoofd dan een stel vissen, dat begrepen we wel.

Haagsche Courant, vrijdag 14 mei 2004

Bevrijdingsfeest anno 2004

logo alfred birney Mijn Nederlandse moeder vierde de 5e mei, de Duitse capitulatie in Nederland, en mijn Indische vader herdacht de 15e augustus, de Japanse capitulatie in Nederlands-Indië. Wij, de kinderen, dienden te herdenken wat zij herdachten. En hoe. Ernstige smoelen trekken bij het luiden van afschuwelijke klokken. Maar de tijd is een zegen: de dingen krijgen een ander gezicht. Ik hoor ergens rap-muziek vandaan komen, ga naar buiten en kom op mijn gehoor bij het Koningsplein uit. Op een podium staan jongens van allerlei komaf over hun rauwe leven in Den Haag te rappen. Doen ze in het Nederlands, wow, dat is moeilijk. Ze schieten sigarettenpeuken de straat op, zuipen bier en claimen een redelijk leven in de Schilderswijk, waar ze zijn geboren. Ik hou van rap, het is de redding voor de poëzie. Verderop wordt door Hollanders vrolijk op Afrikaanse trommels geslagen terwijl aikidoka’s van een van de dojo’s uit de omtrek pauzeren met hun jassen over hun Japanse tenues, want het is fris. (Of een Japanse gevechtskunstdemonstratie op de 15e augustus bij het Indisch monument zou kunnen denk ik niet, al zijn de beste aikidoka-leraren uit Den Haag nota bene Indo’s: Peter Bacas en Francisca van Leeuwen.) Ik verlaat het Koningsplein en loop de Weimarstraat in. Op de kruising bij de Surinaamse toko en de Turkse tabaksboer is een breakdance battle op een verhoging aan de gang. Uit twee breakdance-groepen van elk ongeveer zes personen maken zich er steeds twee los om met elkaar een dansgevecht aan te gaan. Ze dansen om beurten op rapmuziek en proberen elkaar met adembenemende acrobatische toeren en mime de loef af te steken. Donkere jongens overheersen licht in aantal. Ik zie geen donkere meisjes, wel blanke. Een lange soepele blanke jongen met Slavische trekken valt mij op. Op zijn shirt staan de letters CCCP. Ik vraag hem of hij Russisch is en hij zegt: ‘Hoe weet je dat?’ Ze noemen hem Daan. Zijn stijl van dansen is zeer communicatief, de mime op zijn gelaat is superieur aan die van de anderen, ik zet mijn kaarten op hem. Een Aziaat demonstreert een groot acrobatisch vermogen, maar speelt soms vals door zijn opponent te storen in zijn dans. Wanneer na een ladies battle een van de Hollandse meisjes tegen een Mediterraanse jongen mag uitkomen, wordt het spannend. Het meisje opent uitdagend, maar fatsoenlijk. De jongen antwoordt met een obscene dansbeweging en wordt door de showmaster vermaand. RESPECT. Dat zegt hij. Dat woord zal als een mantra nog vaak worden uitgesproken door de breakdancers onderling. De breakdance battle eindigt in een strijd tussen Daan en alias ‘Latino’. De jury, die uit de serre op de eerste etage boven de Turkse tabaksboer hangt, laat het tweetal een extra ronde doen. Daan verliest van Latino. Misschien vond de jury die Russische danspasjes tussendoor wel te on-Amerikaans. Ze snappen het niet. Wij zijn toch ook door de Russen bevrijd?

Haagsche Courant, vrijdag 7 mei 2004