Birney’s clash of cultures from within

alfred birney ikan tanpa salah

The Jakarta Post

Features – October 10, 2004
—————————–Ikan Tanpa Salah (A Blameless Fish) Alfred Birney, Galang Press, 2004 277 pp —————————–

Birney’s clash of cultures from within
Sherry Samtani

Indonesia’s fight for freedom from the Dutch in the last century was the driving motif behind all forms of arts, so much so that today many find the subject to be hackneyed. But the recently launched Ikan Tanpa Salah by the Eurasian author Alfred Birney, makes the issue both fresh and contemporary.

A familiar face in Dutch literary circles, Birney still remains relatively unknown here despite his Indonesian heritage. His previous novel, translated from the Dutch original, Lalu Ada Burung (And Then Came a Bird), was a mild success in sales, but was critically acclaimed for its melancholic depiction of the effects of war on the post-war, second generation.

Ikan Tanpa Salah, a translation of Den Onschuld Van Een Vis with a foreword by Jakob Sumardjo, seems set to follow in its literary footsteps with a similar focus.

The emphasis on the second generation originates from Birney’s own life as the son of a soldier of mixed parentage, who fought for the Netherlands as colonialism was on the wane in the archipelago. His novel, in fact, consists of fictitious elements trickled into a background that is completely his and enriched by his colorful heritage.

The man with the salt and pepper mane was born in The Hague in 1951. Birney’s mother was pure Dutch but his father was a melting pot of cultures — the illegitimate son of a Dutchman who resided in the Dutch East Indies and his Chinese-Indonesian concubine.

Birney’s father was brought up single-handedly by his mother, cementing the Oriental culture that would later be a source of fascination for his own offspring. As Indonesia struggled for freedom, he battled for the Dutch and witnessed firsthand the horrors of war, unyielding memories that haunted him and his family in the years to come.

Being multiracial in the 1950s was no easy task for the young Alfred. Carrying Indonesian genes in a Netherlands that was still bitter about its loss of a lucrative colonial outpost was even harder. Birney struggled from an early age, falling in the shadow between his birthplace and the land of his heritage — a shadow that still shrouded him as he forayed into the literary world.

A musician until the age of 30, a near fatal accident while performing martial arts ended his musical aspirations. A lover of literature, he ventured into writing, drawing inspiration from personal dilemmas — his ambivalence regarding the cultures of either parent, the horror’s of his father’s past and the urgent need to find a sense of belonging.

These three issues are extensively highlighted in Ikan Tanpa Salah. The story centers around Edu, a history teacher, who upon the orders of his mother must empty his father’s house, a martial art’s teacher who departed to his birthplace, Indonesia, and abandoned his entire family.

The father, a didactic, austere mixed Indonesian-Dutch, represented the Netherlands during Indonesia’s freedom struggle, but his sadistic inclinations did not end with his prisoners; instead he treated his children with the same venom. The only beings spared from the abuse were his fish.

In a story that spans over 12 days but continuously sways between the present and past, the hatred and estrangement felt by Edu starts to dissolve as he explores the house, with each object evoking memories both tragic and dear. In a desperate plight to understand his sworn enemy, Edu befriends his father’s Indonesian concubine.

Strong rhetoric and enigmatic symbolism make the novel an interesting read as the protagonist walks the thin line between hatred and love. The plot itself lacks lustre but scores on a stylistic approach that is deliberately slow.

Birney classifies himself as a “new world” author, a new genre for writers like himself, who discover their own culture through their work. His works definitely provide food for thought, with minuscule details and ideas that take him years to turn into a full-fledged novel.

Ikan Tanpa Salah is a novel that should be relished in parts, and is definitely not recommended for those in favor of a quick read.

© 2004 Sherry Samtani

Uit: The Jakarta Post, over de Indonesische vertaling van De onschuld van een vis.

Promotour (7) Spoken in Semarang

logo alfred birney De klimmende weg van Jogjakarta naar Semarang is op zich fraai. Maar autobussen en overige rijdende doodskisten komen uit tegengestelde richting met duizelingwekkende vaart omlaag sjezen en mijn chauffeur is zo dom om het gevaar met zogeheten behendige inhaalmanoeuvres te tarten. Halverwege de rit weet hij op hoge snelheid een tegenligger maar net te ontwijken. Ik roep hem toe dat ik niet dood wens te gaan en werp hem via zijn achteruitkijkspiegel een waarschuwende blik toe. Hij heeft de boodschap begrepen en nu kan ik pas rustig om me heen kijken. Veel oud-koloniale gebouwen in Magelang, Salatiga en Ungaran, waar mijn grootmoeder ligt begraven.

In Semarang wachten mijn laatste optredens, daarna ben ik vrij. Het is een vreemde tijd. Er heeft net een brand gewoed in de “Akademi Bahasa 17 Agustus 1945”. De Engelse en Nederlandse klaslokalen zijn in rook opgegaan. Mijn vertaalster, hoofd van de studierichting Nederlands, weet niet of ze aan een aanslag moet denken of aan kortsluiting, waar de politie het voorlopig bij houdt. Ze ontvangt haar studenten Nederlands voorlopig in een lokaal bij haar thuis.

Mijn optreden aan de Universitas Diponegoro wordt zeer goed bezocht, mijn boeken raken er in een mum van tijd uitverkocht en ik ga nu op eigen kosten vakantie vieren. Ik heb nagelaten mijn verblijf in mijn hotel tijdig te verlengen en moet nu op zoek naar een ander hotel. Dat blijkt onverwacht lastig, want alle hotels in Semarang lijken volgeboekt. Het zijn de dagen voor de ramadan en mensen komen van heinde en verre om de graven van hun familieleden te bezoeken. Ook ik wil het graf van mijn grootmoeder bezoeken, maar ik zal toch eerst een hotel moeten zien te vinden.

Mijn vertaalster belt in het rond en hoort dat er in de bovenstad nog een hotel enkele kamers vrij heeft. Maar bij aankomst herken ik het hotel als het spookgebouw dat mij ook twee jaar eerder al niet bijster aantrok. En wie wel? Iedereen schijnt dit hotel te mijden.

‘Spookt het hier?’ vraagt mijn vertaalster aan de receptioniste achter de balie.

‘Daar houden buitenlanders toch van?’ antwoordt de vrouw met een dubbelzinnig lachje.

Hotel California, een oude hit van The Eagles, begint opeens in mijn hoofd te jengelen. Dat gaat over een hotel waar je van harte welkom bent, maar waar je ook nooit meer vandaan zult komen.

Ik vlucht terug naar de benedenstad en vind een laatste kamer in een smoezelig oud logement met een galerij rond een binnenplaats. Er zitten alleen Indonesiërs. Leden van een grote band komen laat terug en schoppen een muzikale keet met hun cello’s en violen. Niemand klaagt. Daarvoor spelen ze te mooi in de bloedhete nacht.

Haagsche Courant, vrijdag 29 oktober 2004

Promotour (6) Jogja Bookfair

logo alfred birney Mijn trein uit Bandung arriveert een uur te vroeg in Jogja. Hoe is dat mogelijk in Indonesië? Ik ga op een trapje voor het station zitten sms-en naar de organisatie en wacht totdat men mij komt afhalen. Wel een verademing dit lome Jogja, wanneer je uit het westen van Java komt. Het leven is kalmer hier, de temperatuur aangenaam, de mensen zijn hoffelijk en het verkeer is minder hectisch.

Twee jongens van Galang Press komen me halen en brengen me naar Hotel Mercure, voorheen Hotel Phoenix. De inspectie op autobommen vergeleken met Jakarta en Bandung is hier nauwelijks serieus te noemen. Een formaliteit. Twee jaar terug beviel het hotel me niet, maar nu een Fransman er de scepter zwaait, hangt er een prettige mix van Oost en West. In de ochtend klinkt gamelanmuziek, in de avond jazzy pianomuziek. In de middag kun je een duik nemen in het zwembad, een bezoekje brengen aan de massagekamer, internetten of gewoon naar de karpers kijken die langs je tafeltje zwemmen.

Maar ik moet aan het werk. Dat wil zeggen: act de présence geven op de Bookfair die in Jogja gaande is. Het aantal stands met uitgeverijen is duizelingwekkend, het aantal nieuwe boekuitgaven loopt in de duizenden, ik ben de enige aanwezige buitenlandse gast, mijn collega’s zullen hier zo snel niet komen, die gaan liever naar Londen of New York – ordinair hè?

Mijn boekpresentatie verloopt hier helaas ongelooflijk rommelig. Mijn vertaalster en een tweede spreekster komen veel te laat en weten niet wat ik dan allemaal al heb gezegd met een moderator die zijn best doet en een luie recensent die mijn boek niet heeft uitgelezen. Er zit veel publiek, maar spelende kinderen krijsen aldoor boven de geluidsinstallatie uit. Komt niet meer in orde vanavond. Mijn vertaalster is niet in goede doen en laatkomer numero 2 is een oubollige mohammedaanse intellectueel die mijn boek gebruikt om aandacht op de Koran te vestigen. ‘Deze roman bewijst dat de mens niet zonder systeem kan leven,’ zegt zij zonder enig benul van moderne literatuur. Haar motief ontgaat me, maar ze vindt het nodig om op haar hoge Javaanse adellijke afkomst te wijzen. Dat komt haar op een afstraffing van iemand uit het kritische Jogjase publiek te staan: ‘Dit boek beschrijft misschien niet alleen de verwarring van de Indo in Nederland maar wellicht die van alle Indonesiërs hier in Indonesië. Iemand van uw afkomst heeft geen benul van het leven van gewone mensen en kan zo’n boek dus onmogelijk begrijpen.’

Ziezo. Ik hoef alleen nog maar wat handtekeningen uit te delen. Ik kom laat in de avond in mijn hotel terug en neem een Europese maaltijd van lamskoteletjes en aardappelpuree. Als je buik heimwee heeft naar Den Haag, heb je dat dan zelf ook?

Haagsche Courant, vrijdag 22 oktober 2004

Promotour (5) Bandung bij nacht

logo alfred birney Ik reis van Jakarta naar Bandung per auto, begeleid door boekhandelaar Richard Oh van QB World en Sitok Srengenge, een Javaans dichter en bekende gast op Festival de Winternachten in Den Haag. De Indonesische autowegen zijn overvol, onvergelijkbaar met de drukste uren op de Nederlandse autowegen. De afstand tussen Jakarta en Bandung is niet groot, maar het kost ons vele uren om door de verkeerschaos heen te komen, het is heet, de uitlaatgassen zijn verstikkend. We stoppen ergens onderweg om bij een warung te eten. Ik heb een verschrikkelijke hoest uit Nederland meegenomen, slaap slecht en ben oververmoeid. Ik eet nasi tim, in rijst gekookte kip, het spul dat Indische moeders vroeger hun zieke kinderen te eten gaven.

Zodra we Bandung binnenrijden begint het enorm te hozen. De straten lopen in een mum van tijd onder water, kleine warungs worden bijkans weggespoeld door het snel stromende water. Richard Oh kiest een veel te duur hotel voor mij uit, ik haat vijfsterrenhotels, die worden bevolkt door stijve zakenlui en ook nog een gewild doelwit vormen voor terroristen. De beveiliging is er buitengewoon verscherpt: auto’s worden volledig nageplozen, iedereen die de detectiepoortjes achter zich heeft, wordt ook nog eens gefouilleerd, met excuus voor het ongemak uiteraard.

Een uur later word ik in QB World opgewacht door een batterij fotografen, ik lijk wel een popster hier. De boekpresentatie duurt uren, men houdt hier van eindeloze discussies over literatuur. In Jakarta doen ze alsof ze alles over literatuur weten, maar in Bandung weten ze het echt. Het wordt middernacht, er is geen tijd meer om boeken te signeren en ik word meegenomen naar een warung, gevolgd door een radiojournaliste en een schrijvende journalist van Tempo, het grootste serieuze magazine van geheel Indonesië. Ik geef mijn interviews terwijl ik lekker ordinair patat eet met gegrilde kip. Gut, hadden ze er maar appelmoes bij, hé. De Bandungse lucht bij nacht na de regenbui is heerlijk, zoals een Hollandse zomer aan Scheveningen. Hier zaten veel Hollanders en Indo’s in de oude tijd, want het weer is hier aangenaam, zelfs nu nog met die ongemeen smerige luchtverontreiniging.

Het is lang na middernacht wanneer ik met dichter Sitok Srengenge terugga naar dat bizarre luxe hotel. Sitok valt onmiddellijk in slaap, ik kleef nog een uurtje als een tjitjak tegen het raam om mijn blik te laten dwalen over Bandung bij nacht.

Ik heb nauwelijks geslapen wanneer ik in de vroege ochtend word gewekt. Ik gebruik mijn ontbijt in grote haast en wordt dan in grote vaart naar het station gereden voor de lange treinreis naar Jogja. Er is veel over deze zuidroute gejubeld, maar de slaap wint het toch van het landschap met de palmen, bergen, desa’s en de rijstvelden met de bibitplanters. Ik ben hier niet op vakantie, zo is het.

Haagsche Courant, vrijdag 15 oktober 2004

Promotour (4) Bommen en varkensvlees

logo alfred birney Hoe langer je in Jakarta zit, hoe meer je de mensen hoort morren over de jongste bomaanslag. De stad is overspoeld met politieagenten. Indonesische meisjes beginnen hoofddoekjes op straat te dragen in de hoop dat de volgende kamikaze zijn auto een stukje verder zal rijden eer hij aan het koord van zijn bom trekt. Het dragen van hoofddoekjes is in Jakarta overigens minder gebruikelijk dan in Den Haag.

Het hoofd van het Erasmus Taalcentrum, waar ik een paar gastlessen verzorg, trekt zich van narigheid bijkans de haren uit het hoofd. Hij zit al 17 jaar in Jakarta, heeft alle aanslagen meegemaakt, inclusief de kerken die hier werden platgebrand, maar begint zich nu toch zorgen te maken. Zal het ETC straks aan de beurt zijn?

Op een Nederlandse school die ooit ruimte maakte voor Australische kinderen beginnen Nederlandse ouders nu te mopperen over hun aanwezigheid. Een enkeling houdt zijn kroost al thuis.

Op de avond van mijn boekpresentatie in QB World moet ik op mijn publiek wachten. De boekwinkel ligt in een gebouwencomplex dat veel bezocht wordt door welgestelde Indonesiërs, expats en buitenlanders. Een makkelijk doelwit voor terroristen. De winkels hier hebben de laatste weken al meer dan de helft van hun klanten verloren. Wil je het complex betreden, dan wordt je auto van onderen tot boven onderzocht op explosieven. Dat gaat tamelijk ongedwongen, de politie doet zelf ook liever wat anders, maar het moet wel gebeuren. Daarom begint mijn presentatie twee uur later dan aangekondigd.

Het wordt laat, want na de presentatie en de vragen uit het publiek moet ik mijn boek nog gaan signeren en tegelijk een interview geven aan een Indiase journaliste van de Jakarta Post. Is het publiek eenmaal weg, dan moet ik ook nog de resterende voorraad van mijn boeken van een handtekening voorzien, als geste aan de boekhandelaar. Ik zit aan het raam. Diep beneden me slingeren de overvolle autowegen zich tussen de enorme gebouwen door. Jakarta’s nachtleven begint.

Ik kom met de boekhandelaar, een journalist van Kompas en een collega schrijver terecht in het labyrintisch uitgaanscomplex van Jakarta West, waar ik me niet bijster op mijn gemak voel. Wie in dit waanzinnig Jakarta weet te overleven, kan dat overal, tot in New York, bedenk ik me. Na het stappen gaan we een nachtwaroeng binnen waar ze een speciale boeboer serveren. Alarm! Zodra een Indonesiër het over een specialiteit heeft, veins ik maagklachten, ha ha. Ik moet die rare pap niet die ze tot zich nemen, compleet met varkensvlees en wat al niet.

Eh… Pardon? Varkensvlees? Okay, de boekhandelaar is Chinees en boeddhist. Maar de schrijver en de journalist zijn Javaanse moslims toch? Jazeker, en daarom zegt de boeddhist voor de lol tegen zijn kompanen: ‘Zeg, er is nog eten over. Moeten jullie niks mee naar huis nemen?’ Waarop de schrijver met een grijns zegt: ‘Hey, wat denk je wat voor moslim ik eigenlijk ben? Thuis wordt halal gegeten, begrepen?’

Haagsche Courant, vrijdag 8 oktober 2004