De witte krokodil (2)

logo alfred birney Swan Nio was nog te klein om te denken aan de man, maar groot genoeg om te denken aan de krokodil. Ze wist dat ze op moest passen wanneer rivier de Brantas buiten haar oevers trad. Je kon dan plotseling gegrepen worden door de krokodil uit het liedje Teran Bulan. Maar nooit door de witte krokodil, want die was de bewaker van de Brantas.

Elke ochtend gooiden mensen kippen en geiten vanaf de brug in het water om de witte krokodil te eten te geven. Op die manier hoefde de witte krokodil geen moeite te doen om zelf te jagen en kon hij zich geheel aan zijn taak wijden: waken over rivier de Brantas.

De mensen zeiden dat de witte krokodil zich nooit liet zien wanneer je hem zocht. Er waren mensen die beweerden hem te hebben gezien, bij toeval, wanneer ze niet aan hem dachten.

Op een dag ontmoette Swan Nio als achttienjarige een Chinese jongeman van de andere kant van Kediri op de brug over de Brantas. Haar ouders zagen in hem een goede partij voor haar. De twee trouwden met elkaar en kregen een dochter, die ze Nonnie noemden. Swan Nio trok zich terug in huis met haar dochter Nonnie en zag haar man steeds vaker en langer wegblijven. De man nam geld mee naar buiten maar bracht niets binnen. Het hinderde Swan Nio niet dat haar man een gokker was, het hinderde haar dat hij een slechte gokker was. Op een avond kwam hij thuis, onder invloed van drank. Zij bespotte hem, hij sloeg haar en vertrok.

Swan Nio moest uit werken en kwam terecht bij een blanke Indo, een advocaat die nooit lang in Kediri was en wiens wegen geheimzinnig waren. Swan Nio hield zijn huis onberispelijk schoon, want de man kwam altijd onaangekondigd en het was nooit te zeggen hoe lang hij blijven zou. De man kleedde zich als alle Europeanen, met hooggesloten kraag, en ontving familieleden die de fabrieken ter plaatse in suiker en tabak bestierden.

Op een nacht haalde de blanke Indo haar uit haar slaapvertrek, hij voelde zich alleen en zij moest voortaan bij hem slapen. Later haalde hij haar weg uit Kediri en nam haar mee tot waar de Brantas stroomde: naar Surabaya. Zijn familieleden spraken er schande van dat hij, wiens wettige echtgenote in Europa woonde, met zijn huishoudster samenleefde. Maar dat hinderde hem niet. Hij beloofde Swan Nio zelfs dat hij eens met haar zou trouwen.

Swan Nio wachtte jaren. Pas toen ze aan zijn graf stond leerde ze geloof hechten aan het volksliedje Teran Bulan uit haar meisjesjaren. In de dubbelzinnige tekst stelt de buaya niet alleen de verraderlijke krokodil voor, maar ook ‘de man’, wiens woorden je nooit moet geloven. Mannen hebben mooie praatjes, maar als het erop aankomt, deinzen ze terug en nemen ze de benen. Precies zoals hij, mijn grootvader, had gedaan.

Haagsche Courant, vrijdag 28 januari 2005

De witte krokodil (1)

logo alfred birney Toen ik het graf van mijn grootmoeder Sie Swan Nio voor de derde keer had bezocht in Ungaran op Java, bedacht ik dat een bezoek aan haar geboorteplaats mij misschien een frisser idee van haar leven zou geven. Rond een graf is het eeuwig herfst, in een graf eeuwig winter. Ik verlangde naar de lente.

Kediri, Oost-Java, ligt op een dagreis per auto van Semarang. Toen we het stadje binnenreden keek ik hongerig om me heen, met ogen die 100 jaar terug in de tijd wilden kijken. Bij het oversteken van de rivier liet ik de chauffeur mij midden op de brug afzetten. Ik wilde gaan staren over rivier de Brantas. Mijn begeleiders, een bevriende muzikant en een ingehuurde Chinese chauffeur, een hypernerveuze wegpiraat, moesten om mij lachen. Ze begrepen mij niet.

In de avond at ik met mijn begeleiders van een enorme goerami, gevangen uit Rivier de Brantas. De vis was zo groot, dat we hem niet opkregen. Daarna wandelde ik alleen in het maanlicht langs de oever van de rivier, waar het bijna Hollands waaide. Ik kreeg het gevoel voor altijd daar te willen blijven wonen.

Rond middernacht zat ik voor de kleine bungalow in een nieuw hotelcomplex en hoorde een tokeh zevenmaal roepen. Zeven keer! Wat een geluk! Een klein Chinees meisje liep voorbij en ik keek haar na.

Anno 1900 zal mijn grootmoeder Swan Nio ongeveer tien jaar oud zijn geweest. Een klein Chinees meisje. Toch moet zij toen al beter hebben kunnen lopen dan haar moeder, een Chinese vrouw met traditioneel ingebonden lotusvoeten. Swan Nio was geboren in Kediri, Oost Java, anders dan haar ouders, die uit Canton, China afkomstig waren.

Kediri was een slaperig stadje dat soms werd opgeschrikt door het wassende water van rivier de Brantas. De plaatselijke bevolking van Kediri zei dat de rivier bewaakt werd door een witte krokodil. Hij leefde onder de grote brug en scheen van een andere aard dan de krokodil die werd bezongen in het volksliedje Terang Bulan:

Terang bulan, terang bulan di kali
(maneschijn, maneschijn op de rivier)
Buaya timbul, disangka mati
(een krokodil komt boven drijven, hij lijkt wel dood)
Jangan percaya mulut lelaki
(geloof nooit de mond van een man)
Berani sumpah, tapi takut mati
(hij durft te zweren, maar vreest te sterven)

De rivier lijkt altijd mooi bij maanlicht, maar pas op voor de krokodil, want die doet zich voor als een drijvende boomstam! Deze eerste regels kon de tienjarige wel begrijpen. Maar van de laatste regels begreep ze weinig. Dat was iets voor oudere mensen. Toen ze de liefde leerde kennen kwamen andere liedjes. Die waarschuwden niet, die beloofden. Vergeet de rivier, de krokodil, kijk omhoog naar de maan. En schrik niet als je mijn hand voelt op je ranke schouder.

Haagsche Courant, vrijdag 21 januari 2005

Oom Soen

logo alfred birney Mijn vader kreeg in zijn eerste levensjaar te kampen met een lelijke zweer achter zijn oor, die niet wilde genezen. De artsen van zijn vader, Europeanen van faam, gaven hem op. Moeder Swan kon haar kleine nakomeling niet zien sterven en gaf hem aan haar jongere broer Soen ter genezing mee naar Blitar, een plaatsje niet ver van moeder Swans geboorteplaats Kediri. Mocht oom Soen met zijn Oosterse geneeskunst falen, dan diende hij de kleine diep in de rimboe te begraven, binnen de loop van rivier de Brantas.

Oom Soen wikkelde hem in lompen en een oude sarong en nam hem mee, weg uit het drukke en hete Soerabaja. Ik weet niet hoe oom Soen reisde midden jaren twintig in de vorige eeuw, er waren al auto’s en treinen, misschien ging hij deels te paard langs rivier de Brantas.

In Blitar kreeg Oom Soen hulp van twee zusters en een paar nichten. Na twee jaar werd de kleine nakomeling genezen en enkel nog wat gehinderd door rachitis teruggestuurd naar zijn moeder in Soerabaja. Moeder Swan gaf hem voortaan driemaal daags levertraan te slikken tegen de rachitis. Tegensputteren kwam de kleine op tien zweepslagen te staan.

Oom Soen kwam pas weer terug in mijn vaders verhalen toen de man oud was: half blind en mank, gewapend met een stok. De man scheen over uitzonderlijke gaven te beschikken en moest in zijn jonge jaren de geheimen van de gevechtskunst hebben geleerd van een oude Chinese meester. Naar gelang de aard van de straf die hij wenste uit te delen kon hij met een doeltreffende tik van zijn stok iemands arm of been naar keuze voor een week verlammen, voor een maand of voor drie maanden. Een langzame dood met een looptijd van drie tot zes maanden was ook mogelijk, maar dan met een tik op iemands borst. Het ergste dat oom Soen kon doen was iemand met een uitgesproken vloek naar de andere wereld helpen.

Zoals alle meesters der gevechtskunst verstond oom Soen ook de buitengewone geneeskunst. Zijn handoplegging scheen wonderbaarlijk. De door hem gebrouwde drankjes en zalfjes vonden gretig aftrek tot in de wijde omgeving. En zoals alle grote geesten verstond oom Soen de kunst van het alleen zijn. Hij bewoonde een klein huis ergens aan de rand van Soerabaja, waar hij dagelijks zijn planten verzorgde totdat de rimboe voor hem begon te zingen wanneer de pendule zesmaal sloeg en de avond viel.

Het was lang na de oorlog en mijn vaders vlucht uit Indonesië dat het overlijdensbericht van oom Soen per brief tot hem kwam. De mensen uit de omgeving hadden gezegd dat in het uur van zijn dood de pendule stil was blijven staan en dat tegelijk met hem alle planten in en rond het huis waren gestorven.

Haagsche Courant, vrijdag 14 januari 2005

Strafkamp Aarde

logo alfred birney In Genesis 6:1-4 staat een van de raadselachtigste zinnen uit de Bijbel: “De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam.”

Het woordje ‘daarna’ verwijst naar de Zondvloed, die ongetwijfeld momenteel door fundamentalistische christenen met de jongste tsunami in verband zal worden gebracht. Niet hardop, dat past niet bij de huidige massale hulpverlening, die over de grenzen van alle religies heen stapt. Kan de politiek wat van leren. Of helemaal niets. Politiek is immers berekening.

Laat ik de Zondvloed als oer-tsunami even vergeten. Wie waren die reuzen dan? Wanneer waren ze eigenlijk gekomen? En hoe? Met ruimteschepen? En wanneer vertrokken ze van hier? Er is veel over geschreven, gedebatteerd, gebakkeleid, kortom: gefantaseerd. In mijn donkerste ogenblikken koester ik de fantasie dat de reuzen van een andere planeet waren, die de opdracht hadden het grootste tuig uit het universum, mensen genoemd, maar op Strafkamp Aarde te dumpen.

Ja, we zijn maar mensen. Nog geen week na de ramp in Zuid-Oost-Azië wordt de eerste opblaasbare tsunami al aangeboden. Kunnen de kids lekker glijbaantje op spelen. Je kunt er donder op zeggen dat nu al een schrijversteam aan een Hollywoodscenario werkt, want de poen die de VS uitgaat moet er ook weer binnenkomen. Maar dergelijke commerciële streken zijn oneindig doorzichtiger dan de duistere breinen van politici op het wereldtoneel. De Duitse bondskanselier denkt investerend, wat dacht je. Onze minister van Binnenlandse Zaken Remkes doet dat juist niet, Colin Powell weer wel, tamelijk geloofwaardig ook nog, gezien zijn uitspraak dat zelfs hij als oorlogsveteraan nooit eerder zo’n ellende heeft aanschouwd.

Enige verholen ergernis is er over de onvoorziene hulp uit China. De Chinezen zouden iedereen maar voor de voeten lopen. China maakt een economische groei door die de wereld op zijn kop gaat zetten, dus het land begint zich gaandeweg te manifesteren. Zuid-Oost-Azië is als afzetgebied niet langer alleen aan Japan voorbehouden, zelfs Noord-Korea laat zich niet onbetuigd met de hulpverlening.

Niet alles is berekening natuurlijk. Vele mensen zijn geroerd. Dat duurt niet lang. Emoties zijn als golven. Emoties kunnen hele naties in beweging brengen voor kortetermijnhulp aan volkeren die in ellende zijn gedompeld. Gevoelens zijn als stromen, kalmer maar aanhoudender. Een blijvende en eerlijke verdeling van de welvaart over de hele wereld zou nog mooier zijn dan wat nu gebeurt. Dat krijgen wij mensen niet voor elkaar, wij vergeten snel. Kwamen de reuzen maar weer terug op aarde. Een bovenmaanse wereldregering zou een zegen zijn.

Haagsche Courant, vrijdag 7 januari 2005