Als je in een vloek gelooft, geloof je ook dat je die kunt afsmeken. Geen hond die daaraan twijfelt in Semarang. Tijdens een promotour op Java voor de Indonesische vertaling van zijn roman De onschuld van een vis (Ikan Tanpa Salah) maakt Alfred Birney een tussenstop voor een selamatan in Ungaran. Die valt uitgerekend op 10 oktober 2004, de zondag voor het begin van de vasten, als de mensen volgens de pre-ramadantraditie en masse de graven van de overledenen bezoeken.
Mijn vertaalster Widjajanti Dharmowijono vergezelt me naar het cateringbedrijf dat selamatans verzorgt. Het ligt in een volksstraat, met een open erf en de deuren wijd open. De baas zit in een rolstoel, maar zijn tevreden gezicht zegt dat de zaak goed loopt. Aan de eenvoudige receptie, waarachter vier vrouwen zitten, maken wij onze wensen kenbaar en bestellen een passende selamatan, inclusief een geestelijke, exclusief vervoer. Ik ga akkoord met de kosten van 500.000 rupiah. Afdingen op een selamatan valt buiten mijn fatsoensnormen.
Volgens mijn vertaalster zal de geestelijke straks met vijf euro extra dik tevreden zal zijn. Ze is blij dat ze op het vervoer heeft weten te bezuinigen. Ze is Chinese, net als mijn grootmoeder, vandaar. Ze vindt mij buitengewoon on-Chinees vanwege mijn dédain voor geldzaken, en juist weer heel Chinees door mijn hang naar grootouderverering en mijn gebruik van de I Ching.
De dag is aangebroken. De chauffeur van mijn vertaalster haalt de hoge Japanse terreinauto uit de garage en we stappen in. Ik koop bloemen langs de weg, in vijf rieten mandjes, de symboliek van de pancasila indachtig. Bij het cateringbedrijf is alles in gereedheid gebracht. De geestelijke in kwestie is een mudin, hij die oproept tot het gebed in de moskee. Hadji’s worden niet gevraagd. Die staan hoger op de mohammedaanse ladder en behoren zich niet met een van oorsprong zijnde hindoe selamatan in te laten.
De mudin is innemend. Bij de kennismaking laat ik alvast wat geld in zijn hand glijden, opdat hij extra zijn best zal doen. Het is een wat oudere man, rustig, met een prettige, licht doorrookte stem. Hij loopt op sandalen, draagt een gebatikte lange blouse over zijn donkerblauwe katoenen pantalon en het bekende petji op zijn hoofd. Met de chauffeur legt hij de etenswaren, verpakt in pisangbladeren, bamboe mandjes en met linten gestrikte roodwitte gebaksdozen, op ronde bamboe schalen in de laadruimte van de terreinauto. Ook gaan er kleden mee voor de magische picknick.
Ungaran ligt niet ver zuidwaarts, maar het is hectisch op de hoofdweg, die loopt van Semarang in het noorden naar Yogyakarta in het zuiden. Rond tienen duiken we langs een asfaltweg omlaag naar het stille Ungaran. Twee, drie straten door en we rijden het erf op, dat ik in mijn roman Vogels rond een vrouw beschreef. Het oude koloniale landhuis is een ruïne inmiddels. Na het overlijden van de vereenzaamde weduwe van mijn oom wilde niemand hier meer wonen. De marmeren voorgalerij ziet zwart van de aanslag, de felle zon werpt banen licht door de gaten in het dak. Twee jaar terug huisden er kippen, nu is het huis zelfs voor pluimvee te min. Wie weet halen zelfs de spoken inmiddels de neus op voor deze bouwval.
Ik ga het gestorven huis binnen en probeer me een voorstelling te maken van hoe mijn grootmoeder hier heeft gewoond. In welke ruimte zal haar ziekbed hebben gestaan? De bepleistering is van de muren losgeweekt, het bakstenen geraamte op de funderingen zal misschien een eeuw oud zijn en zwijgt. Mijn grootmoeder stierf hier in 1965, mijn oom in 1978 onder raadselachtige omstandigheden. Goena-goena, waarschijnlijk. Toen een van mijn tantes met haar familie hier eens kwam logeren, werden ze weggepest door een boze geest, die alsmaar aan de deuren rammelde. Was díe het die mijn vader zo achtervolgde, naast die vervloekte oorlogsherinneringen? Waarop doelde hij vroeger altijd wanneer hij sprak van een vloek over de familie?
Ik vertel de mudin dat ik hier tweemaal eerder was en heb vergeten bloemen op het graf van mijn grootmoeder te strooien. Dat ik twee jaar terug iemand geld heb gegeven om het graf te laten restaureren en dat uitgerekend op die dag mijn broer in Holland door een mysterieuze ziekte werd overvallen, die geen arts kan plaatsen. Dat ik denk dat de geesten het op mij gemunt hadden, maar dat ik beschermd ben geweest door mijn grootmoeder, zodat de boze krachten mijn broer te pakken hebben genomen. Dat wij geloven dat er een oude vloek op onze familie rust.
De mudin knikt begrijpend en laat me op de achterzijde van een promotieansichtkaart die ik bij me heb de namen van mijn familieleden in volgorde van generatie noteren. Ik wijs de mudin het graf van mijn grootmoeder. Voor de selamatan wordt het iets hoger gelegen overdekte terras gekozen. Stil gaat het nieuws in de schaars bevolkte omgeving rond, dat een familielid van een der begravenen uit Europa is gekomen om hier een selamatan te houden. Wanneer de mudin en de chauffeur de kleden op de terrasvloer hebben gelegd, verschijnen een voor een de opgetrommelde mannen, die in kleine huisjes rond de begraafplaats wonen. Op eerbiedige afstand blijven ze staan wachten. Vrouwen zijn van het ritueel uitgesloten.
De sandalen en slippers zijn uitgetrapt, zes kampongbewoners vormen een halve maan op de kleden rond de uitgestalde etenswaren. Ik deel een kleed met de mudin en de chauffeur aan het hoofd van de kring. Mijn vertaalster mag van buiten het terras foto’s maken. De mudin heet de kampongbewoners welkom in het Bahasa Indonesia en dankt hen dat zij zo goed willen zijn aan de selamatan voor deze Indo-Belanda deel te nemen. Allah zal hen daarvoor ongetwijfeld prijzen. Ik word vriendelijk en meelevend toegeknikt. De mudin zit tussen mij en de chauffeur in en houdt een inleiding in het Javaans. Dan word ik verzocht om de bloemen op het graf van mijn grootmoeder te strooien. De chauffeur loopt mee om de mandjes aan te reiken. Na een innerlijk schietgebedje bestrooi ik het graf met de bloemen.
Teruggekomen laat de mudin mij nu in het midden van het kleed zitten, neemt zelf links plaats en ontsteekt de wierookpot. Met mijn promotieansichtkaart met de namen in zijn hand gaat hij verder in het Arabisch. De kampongbewoners prevelen nu en dan ‘ja’ terwijl de mudin zijn smeekbeden aan de hemel richt. Ik hoor hoe de namen van mij en mijn familieleden, naarmate het uur verstrijkt, steeds Arabischer gaan klinken. Voor het eerst in mijn leven ervaar ik een vrome saamhorigheid met en temidden van islamieten. Wij openen de handen om de zegen van boven te ontvangen, terwijl de mudin zijn magische zangerige verzen laat horen.
De verdeling van het eten in de bèsèks, vierkante rieten mandjes, begint. Ik krijg het topje van de rijstkegel. De mudin laat mij de voorgeschreven negen stukken van de kip nemen. Ik ben vrij in het kiezen uit de overige gerechten, mag de mat verlaten en aan de rand van het terras aan mijn maaltijd beginnen. De kampongmensen wensen mij selamat makan toe en volgen verlekkerd de handelingen van de mudin, die het overige eten verdeelt. Tevreden nemen ze afscheid van me en vertrekken met hun bèsèks om de spijzen thuis te nuttigen. De mudin zondert zich af voor de offerande bij het graf van mijn grootmoeder. Kleine schaaltjes van pisangblad met zoetigheid worden bij de hoeken van het graf geplaatst. Ook de belendende graven krijgen schaaltjes met zoetigheid, zodat de naburige geesten mee kunnen eten voor groter heil. De mudin draagt mij na zijn slotgebed op met mijn rechterhand driemaal het graf aan te raken, en dan is het gedaan.
Onderweg terug naar Semarang zegt de mudin dat als je in de omgeving woont je ten minste eens in de drie maanden een selamatan moet houden. Woon je verder weg, dan eens per jaar. Kom je van overzee, probeer dan eens in de drie jaar te komen. “En hoed je voor de hadji’s, zij staan alleen maar hoger dan mudins omdat zij tweemaal de bedevaart naar Mekka hebben gemaakt. Ik ken er zoveel die zich trots hadji noemen maar helemaal niets weten. Zij vergeten dat het niet uitmaakt of je een selamatan houdt voor een moslim, een christen, een boeddhist of een hindoe. Wij zijn allen mensen, allen gelijk, er is maar één God en het maakt niet uit hoe wij hem noemen.”
In de namiddag neem ik een bad in mijn hotelkamer en val op bed in slaap. Ik word gewekt door mijn mobiele telefoon. Een sms van mijn zieke broer meldt dat hij al urenlang stemmen hoort, Indonesische stemmen van een jaar of vijftig terug, zo lijkt het wel. Ze zijn volgens hem met vijf en praten opgewonden over iets dat ze indertijd nooit hadden mogen toestaan. Maar wat? En hoe hoort hij die stemmen dan? In zijn hoofd? Nee, niet precies. In zijn kamer? Ook dat niet precies. Maar ze zijn er, die stemmen, en hij zal ze zeven uur lang blijven horen eer ze verdwijnen als in een wegstervend refrein.
Archipel Magazine, lente 2005
Copyright © 2005 Alfred Birney
Reproduction not allowed
Deze scène komt in een zeer vrije bewerking terug in de novelle Rivier de Brantas, het 3e en laatste deel van Birney’s Rivieren-trilogie.

Van alle namen uit het adressenboekje van mijn vader die tijdens mijn vroege jeugd in Den Haag voorbijkwamen was die van Stokkermans het gewoonst. Een naam die paste in beeld en spraak van de Hollandse karakteristiek. Veel van mijn vaders vrienden droegen Europese namen die wat detoneerden bij hun Indisch uiterlijk. Er was er maar één wiens naam bijna op zijn gezicht stond geschreven: Matagora. Hij was dan ook geen Indo maar een Ambonees met die typische a’s in de naam: lange, open klanken, zo anders dan de potdichte naam van Stokkermans.
Zatoichi is de naam van een legendarische blinde zwaardvechter, wiens verhaal sinds 1962 al 27 maal is verfilmd. De 27e editie van Zatoichi haalde hier in Den Haag nog maar net het Filmhuis, terwijl hele volksstammen in de rij stonden voor Kill Bill. Maar in Jakarta lagen de rollen omgekeerd. Ik heb Zatoichi er een keer of tien bekeken en er later net zo veel westerse recensies over gelezen. Geen recensent ging in op het martiale aspect van het verhaal.
Het sneeuwt niet vaak in Holland, daarom spreekt het zo tot de verbeelding. Sneeuw is goed voor slechte poëzie, afgezaagde schilderkunst en kerstkaarten. Sneeuw roept koude herinneringen bij me op. Het is winter, vroege jaren zeventig. De hippies van Voorschoten, alle rond de 20, houden beurtelings open huis. Ik raak verzeild bij een getalenteerd kunstenaar die zijn tijd verdoet met blowen. We verkrachten de naald van zijn koffergrammofoon met bekraste elpees van Santana, Pink Floyd en Pearls Before Swine. Iemand duwt een gitaar in mijn handen en vraagt om songs van Leonard Cohen. Mijn stem is laag, ik speel ons cult-idool gemakkelijk na. Maar ik zing en speel mezelf een peilloze diepte in, verlies het contact met de mensen in de kring en voel me verloren. Ik krijg het benauwd en vlucht het balkon op. Fris is de avondlucht, zonder hoop maar vol zuurstof. Iemand komt bij me zitten en rookt een sigaret met me. We zijn jong maar we voelen ons oud, het leven is een hel. Hey, we moeten er eens uit. Waaruit? Uit de hel. Waarheen? Naar de sneeuw! Hij was al van plan geweest om met zijn meisje een paar dagen naar Drenthe te gaan. Brak vakantiehuisje met oliekachels, moeilijk bereikbaar. We delen drie kamers met vijf personen. Het meisje en haar vriend ondernemen een huiselijke ontdekkingstocht naar hun latere huwelijksstaat. Er is een kapiteinsdochter die haar geluk zoekt in problematiek en dramatiek. Ik deel een bed met haar, ze koketteert met een geslachtsziekte die ze bij een popster heeft opgelopen en houdt me wakker met monologen van onvervuld verlangen. Er is nog een vijfde persoon. Hield hij van haar? Sliep hij op de bank? Hoe zat dat ook weer? Ik herinner me zijn voetsporen in de sneeuw. We wandelden tussen kale sparren onder een godverlaten gele hemel. De jongen was lang, zijn blonde haar netjes gekapt, hij droeg een zwarte jopper, hij was niet echt een van ons, hij was geen hippie, we noemden hem square, hij reed zelfs in een sportauto. Verbeten dacht hij na over de zin van het leven. Hij sprak nauwelijks, gaf me stuff te roken en liep in zijn opgezette kraag gedoken met opgetrokken schouders voor me uit. Opeens was hij verdwenen. Ik raakte zijn spoor bijster in de sneeuw en verdwaalde tussen bevroren modderhopen in een landschap zonder liefde voor de kleumende sparren. Ik zag geen huizen, geen wegen, wist niet waar te gaan, en toen ben ik gaan schreeuwen. De blonde jongen kwam terug, in vaderlijk gepeins. We vonden een gerieflijk vakantiehuis, waar een vrouw van een jaar of veertig ons binnenliet. Een open haard brandde, er was soep en brood, de vrouw doodde de tijd met breiwerk voor haar zoon die in een andere kamer televisie zat te kijken. Ik vroeg haar of ze me had horen schreeuwen. Ze knikte. Ik verontschuldigde me. Maar ze zei dat elk mens weleens bang is en het recht heeft om te schreeuwen. Terug in Voorschoten vertelde de blonde jongen overal in het rond dat hij met de jaarwisseling een stunt zou gaan uithalen. We wachtten op een grap, maar het spektakel wilde dat hij zich verhing aan de nokbalk bij zijn ouders op zolder.