Er was geen regen

hat logo meneer b Er is niets fijners dan bij zware regen in je bed te blijven liggen. Ik heb medelijden met al die mensen die vroeg in de ochtend eruit moeten om mee te draaien in de krankzinnige economische molen, al is mijn leven zwaarder, zeker nu uitgevers ons schrijvers tot schrijfvee hebben gedegradeerd. Terwijl de regen viel en ik naar het plafond staarde, klonk David Crosby’s ‘What are their names’ (1971) in mijn hoofd. Meerstemmig klinken de woorden: ‘I wonder who they are, the men who really run this land, And I wonder why they run it with such a thoughtless hand…’ De muziek komt dan net op toeren. Aanvankelijk plukt iemand wat aan de snaren van een gitaar, een tweede en derde vallen in, ze vinden een eenvoudig motief en wanneer de hele band eenmaal draait, ben je deelgenoot van een commune die een mantra zingt. Die leidt naar een climax en ebt traag weg. Mooi. Muziek die als een orkaan op je afgevuurd vind ik een gruwel. Net als die studente van hierachter in de tuinkamer. Ik denk dat ze een jongen uit de kroeg had meegenomen. Ze hieven de glazen, ze trok haar broek uit en vroeg hem om cunnilingus. Het hele ritueel voltrok zich zo snel dat ze de tijd niet hadden de gordijnen te sluiten. Even later was ze alleen, ze keek televisie en at snacks. Het was zomer, een jaar terug. Het was warm, er was geen regen nodig om dit samenzijn zo armzalig te maken.

Niet als de dag van gisteren

hat logo meneer b De dag was niet als die van gisteren. Ik weet niet of ik dat moet betreuren. Herhaling is immers dodelijk. Het was minder koud buiten, maar miezerig, je hoort veel mensen hoesten. De avond was ook niet als die van gisteren, toen ik bij kaarslicht in de keuken zat en met lui gestrekte benen mijn hakken op de radiator van de centrale verwarming liet rusten. Een van de meisjes van de overkant, ik denk een studente, was bedrijvig achter haar aanrecht in haar studentenkamer. Ik zag alleen haar silhouet, ze droeg een rok, ze bewoog zich niet gespannen, zoals veel mensen doen die moeten koken als er visite wordt verwacht. Integendeel, ze bewoog zich gracieus en soepel, een genot om naar te kijken. Ik zag haar op de rug en heb geen idee hoe haar gezicht eruit ziet. Dat kan me niet schelen overigens. Ze schonk me een genoeglijk uur. Ik bedacht dat niet veel meisjes rokken dragen, ze dragen allemaal broeken, wat ik met het klimmen der jaren steeds afschuwelijker ga vinden. Ik voelde me wel een gluurder, wat je snel hebt wanneer je hier uit het raam kijkt. Ik moest denken aan ‘De ziener’ van Simon Vestdijk, hoewel ik me nauwelijks iets van dat boek herinner. Klom die onooglijke man niet eens in een boom om iemand te kunnen bespieden? Geen boek om te herlezen, anders dan ‘De kelner en de levenden’, een boek met een sfeer die waarschijnlijk veel invloed had op mijn eigen eerste boek.

De dag

hat logo meneer b De dag was goed, fris en zuurstofrijk, ik presteerde het zelfs om in de namiddag achter mijn laptop in de keuken te zitten. Eerder had ik dingen gedaan die een mens nu eenmaal moet doen: naar de wasserette en de fietshersteller. Zaken die het leven zo banaal maken. Mijn fiets wachtte overigens al enkele weken, dus dat had nog wel langer kunnen wachten, ik kan immers lopen, wat goed schijnt te zijn voor mijn heup, die door het slopende spook van de slijtage is gevonden. Maar dat wilde ik nog niet melden. De belangrijkste reden om vandaag zo snel mogelijk mijn onderkomen te verlaten, was dat ik sigaretten nodig had. Opstaan, een douche nemen, ontbijten en slechts één sigaret in je pakje vinden is een zeer beangstigende zaak. Het zou weliswaar een goede gewoonte zijn om aan het einde van de nacht nog maar één sigaret over hebben, zodat ik bij het opstaan steeds gedwongen ben snel de straat op te gaan. De kans dat ik Naomi eens voorbij zie fietsen is dan ook groter. Op mijn weg terug dacht ik dat ik haar langs het plein zag fietsen. Rechtop op een iets te grote hallelujafiets. Haar in een staart. Holle rug. Het was een andere nimf. Ik bewonder elke vrouw die rechtop op een fiets zit. Zodra een vrouw zich ook maar iets naar het stuur buigt, verliest ze alle bekoring. Er is een beroemd schilderij van een naakte vrouw op een fiets. Wie was de schilder ook weer?

Vervreemd

hat logo meneer b Bloggen werpt me terug in mijn oude schrijfritme, ik weet niet of dat wel goed voor me is. In de jaren waarin ik het ene na het andere boek schreef, kampte ik met slapeloosheid, paniekaanvallen, hartritmestoornissen en dwangmatig gedrag op huishoudelijk niveau (herhaaldelijk kijken of het gas wel goed was uitgedraaid, dat soort huisvrouwenneurosen). Er waren winters waarin ik de dag helemaal niet zag. De nacht is goed voor schrijven, maar je moet om vier uur kunnen stoppen, zodat je uiterlijk om 12 uur in de middag op kunt staan. Alleen dan krijg je nog voldoende daglicht om zelfs de winterperiode redelijk door te komen, dat wil zeggen zonder al te diepe depressies. Ik had mezelf voorgenomen om vanmiddag tijdig naar de stad te gaan, maar het was al vier uur toen ik in het centrum arriveerde. Toch was het goed voor me. Ik zag dat de nieuwe architectuur in de aldoor metamorfoserende stad dezelfde vervreemding bij de mensen teweegbrengt als het dolen in cyberspace achter je laptop. Ik zag dat de mensen evenmin deel uitmaakten van hun omgeving als de surfer op het internet. Ik zag mensen ongeïnteresseerd langs stapels boeken lopen van schrijvers van wie ik nooit had gehoord. Ik vond geen trui, waarvoor ik naar de stad was gereisd. Ik zag twee jeugdige meisjes schielijk een sigaret opsteken, hun gezichten onder de jeugdpuistjes. Zij hebben hun dromen voor zich. Ik heb ze achter me. Er is geen verschil. Het beste is om ze helemaal niet te hebben.

Toedichten

hat logo meneer b Ik ben er nog niet achter of ik moe ben van het schrijven of van de wansmaak en blindheid in literaire kringen. Wellicht van het laatste. Er zijn voorbeelden van schrijvers met extreme reacties. Italo Svevo werd in de weg gezeten door Gabriele d’Annunzio en legde voor liefst 25 jaar de pen neer, waarin hij tevens aan geen enkele literaire activiteit deelnam. Zijn grootheid kwam postuum aan het licht. Ik heb zo-even mijn boekenkast doorzocht naar een roman van Italo Svevo. Ik weet zeker dat ik minstens één boek van hem heb, maar misschien heeft iemand het meegenomen. Alice misschien? Ze las niet veel, om niet te zeggen weinig, maar als ze eens iets las, dan was het altijd iets uit Latijnse hoek: Braziliaans, Italiaans, Spaans en zo meer. Ze viel ook op Latino’s. Ze wees me eens op het strand van Zakynthos een jongen met een fraai uiterlijk en een nogal onbenullig hoofd. Hier, op het plein, tijdens een of ander festival, wees ze me een rondkuierend Italiaans type met de uitstraling van een type leeghoofd dat zijn complete persoonlijkheid aan een ijdelheid ophangt die elke redelijke basis mist. Ik zag toen nog niet, of was er nog niet van overtuigd, dat in de narcis Alice zelf een gigantische leegte huisde. Ik zou dat moeten hebben kunnen aflezen aan haar fotografie. Maar het toedichten van allerlei verborgen talenten en bijzondere eigenschappen bij een ander behoort tot een der grootste zwaktes van de echte creatieve geest.