‘De schoonste zege van de mens is niet het paard. Het is het dier dat, tot volle wasdom gekoesterd in de buidel der moederfabriek, niet hoeft te leren, onmiddellijk bereid staat tot alles in de wereld van het verkeer.’ – Zo opent Bordewijk zijn ultrakorte roman ‘Knorrende beesten’, dat verscheen in 1933, voorwaar geen gisteren. Ik houd niet van die schrijver, hij is slechts goed voor scholieren en beginnende schrijvers die willen zien wat strijden met stijl is. Toch moest ik aan hem als ziener denken toen ik afgelopen middag naar de stad fietste om er snel een broek te kopen. Ik koop eens per jaar een broek en wel omdat ik steeds een jaar nodig heb om ertoe over te gaan een broek te kopen. Broeken kopen is een bijzonder vervelende aangelegenheid, al heb ik een makkelijke maat en is er altijd wel iets te vinden in het jeans assortiment. Er is één winkel waar ik altijd slaag en onderweg op de fiets vielen mij voor een rood stoplicht die afschuwelijke knorrende beesten weer eens op, en nu vooral de inzittenden, die met geronk en gestink het milieu verzieken. Het is werkelijk afschuwelijk die vadsige mensen achter hun stuur gade te slaan, suffend in die moordwapens van ze. Afschuwelijker nog is het idee dat er mensen tussen zitten die jou wel zouden kunnen neermaaien als je toevallig een sigaret bij hen in de buurt opsteekt. ‘Het leven is vurrukkulluk’. Dat is toch wel de afschuwelijkste titel uit de Nederlandse letterkunde.
Maandelijks archief: December 2005
Tanizaki en Kawabata
Voor ik dit onderkomen betrad, een jaar of acht geleden, was mijn boekenkast het toonbeeld van ordening. Ik betrad dit huis, schroefde een degelijke boekenkast tegen de muren, kwakte er mijn boeken in en keek er niet meer naar om. Geen idee hoeveel titels er staan. De afgelopen dagen heb ik in elk geval alle Japanse titels tussen de boekenruggen uit kunnen vissen. Ze staan nu op een aparte plank. ‘De liefde van een dwaas’ – bekend als ‘Naomi in Engelse vertaling – van Tanizaki zit er niet bij. Van hem heb ik alleen het latere ‘Dagboek van een oude dwaas’. Ik heb het boek nooit kunnen uitlezen, hoe vaak ik er ook aan ben begonnen. Tanizaki’s stijl ligt mij niet. Misschien bevalt mij zijn Lolita-thematiek al evenmin. Tanizaki is interessant om te vergelijken met Nabokov, althans wanneer je de nimfijnen zoekt en de mannen die zich door hen laten dollen. Kawabata voerde in zijn roman ‘Het geluid van de berg’ eveneens een nimf op, maar anders dan Tanizaki en Nabokov. Beschreven wordt de liefde van een 61-jarige zakenman voor zijn jonge schoondochter, met wie hij de liefde voor flora en fauna deelt. Deze liefde is platonisch. Zuiver. Kawabata kéék. Veel van zijn romanfiguren kwamen niet verder dan kijken, als ik mij zijn boeken goed herinner. In ‘De schone slaapsters’ krijgt een man een meisje bij zich, maar hij mag haar niet aanraken. Het meisje slaapt. De man slaat haar gade, denkt na, het meisje geeft geen aanstoot. Ze ís.
Ze wil groot zijn
Ik had vandaag een goede dag, ofschoon ik moeizaam de slaap had kunnen vatten en door mijn zoon moest worden gewekt. Hij maakte gerucht rond kwart over twee. Wekken doet hij mij nooit, en ik hem nooit. Wij halen elkaar en passant uit slaap. Mijn zoon is de afgelopen maanden zo’n beetje de enige die ik zie. Hij komt hier elke woensdag en is er doorgaans van vrijdag tot halverwege de zondag. Een zeer prettig persoon om bij je te hebben. Voordat hij om half zes naar de sportschool vertrok, om daarna terug naar zijn moeder te gaan, aten we een pizza op de hoek bij de brug. Ik zag in een flits een jonge dame op een fiets over de stoep voorbijkomen en wist meteen dat het Naomi was, al zag ik haar op de rug en leek ze veel ouder dan ze in werkelijkheid is. Haar in een knotje samengebonden. Het geweken zonlicht en de regen hebben haar haar inmiddels donkerblond gekleurd. Ze had een vriendinnetje achterop, dat ze thuisbracht. Toen ze terugfietste, reed ze op straat. Ik kon haar beter zien. Ze zat fraai recht op de fiets, moest lijf en benen helemaal rekken en strekken toen ze de brug opreed. Zou die fiets van haar moeder zijn? Ik zei tegen mijn zoon dat ze groot geworden was. Hij zei dat het maar zo leek, omdat ze op die grote fiets zat. Hij zit bij haar op school. Hij ziet haar nooit. Hij spreekt nooit over haar.
Eenzaten rond mij heen
Nou had ik mijzelf op Sinterklaasavond op een zware dip willen trakteren, een depressie die tot en met de Kerst, nee tot en met Oud & Nieuw zou aanhouden, maar nu ik zo door de ramen naar de huizen rond mijn gevangenis kijk, moet ik vaststellen dat ik niet de enige ben die verstoken is van dat eigenaardige feest rond een man met een baard, geflankeerd door Zwarte Pieten. De vrouw aan de overkant, die zich elke avond weer ladderzat schijnt te zuipen, zit in haar eentje. In het hok boven haar heeft de kunsthistoricus evenmin mensen op bezoek. Het huis naast het zijne is nog altijd leeg en van de uitvinder daaronder weet je nooit of hij thuis is, aangezien hij nogal spaarzaam met zijn gloeilampen omgaat. De huizen aan de achterkant van mijn onderkomen vallen onder de noemer onroerend melkkoegoed. De doorstroming is er groter. Huizenmelkers stoppen er bij voorkeur vrouwen in. Typisch Hollands, de woningnood bewust hoog houden, opdat de handel in huurvee blijft floreren. Maar over onze regering wilde ik het helemaal niet hebben. Wat mij bijzonder verheugde was dat ik een nieuwkomer schuin links op tweehoog achter zag rondscharrelen. Ze droeg een heupbroek en een topje, die haar middel bloot lieten, en bewoog zich bijzonder soepel bij het uitpakken van haar huishoudelijke goederen. Helaas hing ze zo-even een gordijn op. Rood! Bijzonder prikkelend. Maar ook bij haar zullen Sinterklaas en zijn Slaven niet langskomen. De man toont namelijk een dubieuze voorkeur voor kinderen in grote gezinnen.
Huis van afzondering
Lolita’s plein is niet rond maar ovaal. Op mijn vorige adres woonde ik bij een plein uit de rechthoekige architectenmode. Afschuwelijk. Een plein moet rond zijn. Er moeten vier straten op uitkomen. Geen acht, zoals hier, tenzij de straten onderling een hoek van 45 graden met elkaar maken. In de noordnoordwestelijke hoek van het asymmetrisch misbaksel ligt een café, dat denk ik gefrequenteerd wordt door mijn buurvrouw van één hoog achter, over wie later meer. In de zuidzuidoostelijke hoek ligt de eetzaal van een opvanghuis voor ex-psychiatrische patiënten. De onbedekte ramen geven geen triest beeld te zien, zoals in Nighthawks van Edward Hopper uit 1942. Het in zichzelf gekeerde stel aan de toog, de eenzame man schuin tegenover hen en een barman aan wie niet valt af te lezen of hij ooit andere mensen bediende – dat schilderij is oneindig triester dan de 20 mensen die in zuidzuidoost hun avondpotje zaten te eten toen ik rond zessen langsliep. De regen viel mee. Eerlijk gezegd lag de verregende straat in het licht van zuinige straatlantaarns er fraai bij. Misschien haat ik ook wel niet de regen, maar de wind. Je moet de wind niet tegen hebben wanneer je een paar blikjes coca cola bij de avondwinkel gaat kopen. In mijn bureaulade koester ik een doosje diazepam voor speciale ogenblikken. Een pilletje van 5 milligram, in twee fasen ingenomen met een blikje cola geeft een bijzondere balans aan mijn gemoed. Het maakt licht onverschillig maar niet depressief in mijn huis van afzondering.