Onveranderlijk

hat logo meneer b Ik refereerde eens aan een Maleis citaat in De Zondvloed van Jeroen Brouwers: Denk niet terug aan wie je kwijt bent. Die is toch heel iemand anders nu… De Franstalige Belgische schrijver Jean-Philippe Toussaint drukte zich in een van zijn eerste boeken grappiger uit. Als ik ergens een hekel aan heb, dan zijn het oude vrienden. Zoiets. Hij staat niet in mijn boekenkast, ik kan het niet nagaan. Ik zou niet weten of Toussaint ook oude vriendinnen bedoelde, maar het zal wel. Wie verlangt er naar een jeugdliefde van 40 jaar terug? Geen hond toch? Voer voor romans, dat wel, ik stopte dit motief nog in mijn laatste roman, wat alweer zes jaar geleden is. De persoon die model stond, kwam me vanavond oppikken voor een babbel in een café. Ze zoekt namelijk een weg naar een uitgever. We zagen elkaar al eens eerder terug, in 2004. Het lot had ons uit elkaar gedreven in 1964. Die veertig jaren zijn te bespottelijk voor woorden, maar dat doet er niet toe. Dat we elkaar terugvonden via het internet doet er ook niet toe en evenmin of het ooit nog wat zal worden tussen ons. Wat er toe doet is dat zij dezelfde is als toen. In belegen Nederlands gezegd: de verwelkte bloem van nu bestond reeds in de knop die ik destijds als twaalfjarige zo liefhad Maar zijn de mensen nou zo onveranderlijk omdat het leven zo onveranderlijk is, of is het leven zo onveranderlijk omdat de mensen zo onveranderlijk zijn?

De herkenning (2)

hat logo meneer b De mysterieuze herkenning van gisteren kreeg vandaag een onverwacht, nogal prozaïsch vervolg. Ik zat in de keuken met de hakken op de verwarming een sigaret te roken en sloeg één van de huursters aan de overkant gade. Het jonge vrouw was bezig met haar wasgoed, dat ze zo te zien van de wasserette had gehaald. Ik kreeg haar pas echt goed te zien toen ze de ramen ging zemen, typisch voor de zaterdag. Ze droeg een bril, misschien wel zo eentje die die superjuf van gisteren in de supermarkt had gedragen. Ik zag haar een paar maal duidelijk in mijn richting kijken. Toen legde ik de link. Een mooi lelijk gezicht, met hoogstwaarschijnlijk een uiterst sensuele mond die veel goedmaakt. Ze droeg een versleten joggingbroek, ik kon haar billen moeilijk beoordelen terwijl ze door haar kamer zwierde met de stofzuiger en al die afschuwelijke spullen die een mens nodig heeft om zijn huis schoon te houden. Later belde ze aldoor met haar gsm aan het oor, net als gisteren in de supermarkt. Van deze afstand, de lengte van twee binnentuinen, leek ze meer op een doodgewone studente dan op een juf. Misschien een buitenlandse? Toen ik me na het eten te rusten ging leggen op de bank in de huiskamer, zag ik nog dat ze zich, met de gordijnen half dichtgetrokken, opmaakte om uit te gaan. Ik zag niet of ze die jeans van gisteren weer aantrok. Toen ik na een uur wakker werd, was het donker in haar kamer.

De herkenning (1)

hat logo meneer b Wie de herinnering als onderwerp heeft van zijn geschriften kan niet om de herkenning heen. Herkenning kan verbazingwekkend zijn, werkelijk, het was een eigenaardige dag, de mensen waren jachtig, nu al, terwijl de maan pas over drie dagen vol in Leeuw zal schijnen. Vooral het verkeer in de supermarkt was hectisch. Het is een afgrijselijk idee dat de mensen geen benul hebben van de werking van de maan op hun gemoed. Bij de groentenafdeling trok een vrouw mijn aandacht, ik zag haar op de rug, haar heupen en billen in een perfect sluitende jeans waren een genot om naar te kijken. Ik kon het niet laten even stil te houden. Toen zij zich omdraaide, zag ik een gezicht dat ik totaal niet had verwacht. Ze was mooi lelijk, ze droeg een afschuwelijke yuppenbril en haar kapsel behoorde ook al toe aan een generatie waar ik helemaal niets van begrijp. Positief was dat ze op een juf leek, wellicht was ze een advocate in spé. Hinderlijk vond ik het dat ze aldoor met het thuisfront telefoneerde over de boodschappen, waarschijnlijk met haar vriend. De superjuf verlangde stellig naar de avond, ik zag het aan de losheid van haar heupen, maar dat doet er allemaal niet toe. Wat er toe doet is de vraag: hoe herkende ik een juf die op de rug gezien nog het meest weghad van een sexy actrice? En wat herkende ze in mij toen ze mij zo nakeek bij de kassa? Moet ik alsnog Proust gaan lezen?

Burn-out

hat logo meneer b Het internet begint me stierlijk te vervelen. De meerstemmigheid van weleer verstomt bijkans bij het mondiale gesprek van de dag, wat thans neerkomt op berichten over christenen versus moslims en vice versa. Duizenden weblogs besteden aandacht aan dezelfde issues. Wie niet voor mij is, is tegen mij. Die leus regeert. Genuanceerd denken past niet bij de snelheid van een muisclick, dus ik grijp maar terug op de papieren krant. Helaas dreigt de krant, na de verloren race met de televisie, nu achter het internet aan te hollen. Het zappen gaat evenwel sneller met zo’n tabloid in je handen. De krant is verder vrij van virussen, pop ups, pop unders, floating ads, spyware en ad aware en je leest een artikel eerder helemaal uit. Zoals het bericht van de nieuwste richtlijnen van psychologen, dat je bij een burn-out zo snel mogelijk weer aan het werk moet. Uitrusten is uit den boze dus. Interessant is dat de krant verplegend personeel als eerste risicogroep noemt, terwijl Wikipedia softwareontwikkelaars hoog op de lijst heeft staan. Nou meen ik zelf een burn-out te hebben, maar aangezien schrijven niet als werken wordt beschouwd, behalve dan door de Belastingdienst, lijkt het me lastig om weer als een idioot op een volslagen zinloze roman te gaan zitten broeden. Trouwens: tegen de tijd dat je boek in de pers besproken wordt, is het uit de winkelschappen verdwenen. Nog even en de uitgevers zetten een houdbaarheidsdatum op onze omslagen. Het is dit soort geklaag waarmee ik u even wilde vervelen.

Krant van gisteren

hat logo meneer b Ik heb mijn boekenkast nog altijd niet opgeruimd, mijn boeken staan niet op alfabetische volgorde naar auteur. Nu kan ik Robert Vernooy niet vinden. Ik denk dat het om De tijd van de gesel gaat, waarin het ethische vraagstuk aan de orde komt van zelfmoord als daad van solidariteit aan de anderen. Ik herinner me de thriller nauwelijks, wél dat mijn collega zich enorm over dit soort vraagstukken kon opwinden. De laatste keer dat ik hem zag en sprak was tijdens een boekpresentatie in Amsterdam, een jaar of tien geleden, waarbij wij met vier andere auteurs tegelijk het podium beklommen. Ik moest aan hem denken toen ik in de krant van gisteren een bericht las over een zelfmoordkliniek in Zwitserland, die zeer in trek is bij Nederlanders. In Nederland heeft men tegenwoordig de mogelijkheid om een ernstig zieke de laatste dagen van zijn leven in een zeer diepe slaap te brengen voordat de dood intreedt. Men spreekt dan niet van euthanasie maar van palliatieve sedatie. Deze omzeiling van de euthanasiewet wordt door een groeiende groep Nederlanders als onbevredigend ervaren, reden waarom men afreist naar Dignitas in Zwitserland. Leden die aan allerlei voorwaarden voldoen, kunnen daar barbituraat als drankje krijgen, een narcosemiddel dat niet voor narcosen wordt gebruikt omdat het daarvoor te gevaarlijk is. Zwitserland krijgt thans problemen met het imago rond sterftoerisme. Toch voorzie ik geen verbod op, veeleer een toename van dit soort klinieken. En het bijkans verplichte sterven, later, wanneer je de samenleving te veel geld gaat kosten.