Slechte nacht. De wind beukt tegen mijn slaapkamerraam. Te lang achter mijn laptop zitten surfen. Ik droom onrustig, word vaak wakker. Ten slotte kom ik in een speelfilm terecht, waarin ik een achtervolger dood moet schieten. Mijn revolver werkt. Nu zit ik levenslang gevangen in een betonnen labyrint. De dag is nog niet aangebroken wanneer ik zwetend wakker word en uit mijn bed vlucht. Sinds de aanval op mijn hart mogen sigaretten mij niet meer kalmeren. Dan maar een kartonnetje sojadrank. Wat een ordinaire speelfilm! Stellig een erfenis van het ziekenhuis, waar ik ’s avonds veel in de televisiezaal rondhing. Ik heb me trouwens vergist laatst. Het is niet zo dat ik helemaal niet heb gelezen in het ziekenhuis. Ik heb het geprobeerd. De drie musketiers van Alexandre Dumas. Kijken of ik nog een jongen was. Nee. Het hoofdkussenboek van Sei Shônagon. Paste niet in de omgeving. Iemand nam een bundel mee van artikelen die Marguerite Duras ooit uit broodnood in kranten publiceerde. Ik slaagde erin twee korte aanklachten uit te lezen. Marguerite Duras beschrijft racistische taferelen rond Algerijnen in het Parijs anno 1957. Dat is bijna een halve eeuw voordat ik iets vergelijkbaars schrijf rond Marokkanen in Den Haag. Ik las ooit in een andere pocket met geselecteerde stukken van Marguerite Duras, dat zij graag urenlang naar de zee keek in Den Haag. Ze zal Scheveningen hebben bedoeld. Ik zie ernaar uit. Als ik naar de zee kijk, dan denk ik niet. Niet denken geeft een gevoel van welzijn.
Maandelijks archief: March 2006
De liefde en de dood
F. van den Bosch schrijft in zijn laatste verhalenbundel Aan de oever van ooit en nooit meer hoe een Zweeds familielid van hem samen met mijn grootvader de bankiers van Surabaya voor de gek hielden door hen een goudmijn voor te spiegelen ergens op Borneo. Mijn grootvader nam mooie vrouwen mee op zijn schip tussen Java en Borneo, waar hij en zijn compagnon niet meer dan een baggerschuit hadden liggen… We hebben er hard om moeten lachen, toen het nog niet op papier stond en we elkaar ontmoetten op een feestje, – een bejaarde kwajongen genaamd Frits ploft naast me neer op de sofa, kruipt samenzweerderig dicht tegen me aan en vraagt me of mijn grootvader soms Willem heette. We wisselen lacherig schelmenverhalen uit. Frits houdt zichzelf wakker door de askegel van zijn sigaret als een soort zandloper tussen zijn nicotinevingers te houden. Later ontdek ik Oom James als een steeds terugkerende figuur in zijn verhalenbundels. Oom James wil niet slapen in zijn bed, hij verkiest de sofa, bang voor oorlogstaferelen in zijn nachtmerries. Op een avond wordt hij onwel. Frits en een nichtje van Oom James brengen hem naar zijn bed, waarin hij sterft, terwijl zij de liefde bedrijven op de sofa tussen blauwe kussens met oranje vogels. Wanneer ik op de Pasar Malam Besar in de rol van interviewer op het podium de schrijver F. van den Bosch aan die scène herinner, begint hij te huilen. Anders dan Oom James stierf hij niet in bed. Hij lag ernaast.
Nachtzuster
Tot twee weken na mijn ontslag ben ik voor dag en dauw ‘s morgens wakker geworden met het idee dat ik nog in het ziekenhuis lag. Het regiem van het ziekenhuis heeft mijn tijdklok flink verzet. Soms neem ik een klassieke siësta. Dat is niet erg, het wordt zelfs geadviseerd. Maar gisteren gaf ik me over aan een dutje na het avondeten. Rondom tien was ik als vanouds weer klaarwakker. De aansluipende nacht maakte me nerveus. Mijn polsslag was 60, maar ik kan mijn bloeddruk onmogelijk meten. Ik moet niet schromen te bellen, ze hebben liever loos alarm dan dat ik alsnog dit leven de rug toekeer. Misschien miste ik de nachtzuster. Net als F. van den Bosch in De man in de blauwe kamerjas had ook ik een favoriet. De zijne was een jaar of achttien, een jonge vrouw die zich Indonesisch noemde, al kwam haar vader uit Friesland en haar moeder van Menado. Ze heette Renske, ik vond haar terug in mijn bloemlezing Oost-Indische inkt uit 1998. F. van den Bosch, schrijver voor de connaisseur, piekert lang over de charme van zuster Renske. Ik deed dat ook over mijn favoriete nachtzuster, die ongeveer tweemaal zo oud was als zuster Renske. Ze was een full time nachtzuster, ervaren, alert en zeer geruisloos, al was ze Hollands. Ze radieerde eenzaamheid, was waarschijnlijk dagschuw, net als ik, en liep met aldoor licht verslagen hoofd door de gang. Alsof ze naar iets zocht dat ze ooit had verloren. Ergens, maar niet daar.
Energie
Vannacht is de zomertijd ingegaan, denkelijk niet langer onder het mom van energiebesparing maar als lichttherapie voor de jakkerende mens. Geef hem het idee dat hij een uur per dag extra zonlicht krijgt en hij trapt zijn gaspedaal nog dieper in om te jagen op het spook der geluk. Het universum is energie, het bestaan is energie, wij zijn energie, we manipuleren energie en vreten het als manna dat uit de hemel valt. Computers staan dag en nacht te loeien, energieleveranciers gooiden ooit botweg de prijzen omhoog nadat het volk op advies van de overheid massaal energie was gaan besparen. Het mooiste bezwaar tegen de zomertijd komt van de boeren, die zeggen dat de koeien er niet vroeger door opstaan. Vandaag was ik als een koe: ik stond niet eerder op dan gisteren. Dat wil zeggen om acht uur wintertijd, negen uur zomertijd. Ik sta sinds een week of vier al ‘s morgens op, synchroon met de jakkerende meute. De dag geeft me nog steeds een hilarisch gevoel, werkt als dope, antidepressivum, nadat ik jarenlang ‘s nachts leefde. Er is iets met me gebeurd dat me met harde hand terug dwong naar de dagen van weleer, toen ik de dag nog niet schuwde en ik de nacht mijn liefde nog moest gaan verklaren als zijnde monnik in dienst van muziek, literatuur en al die dingen die een leven mooier moesten maken. Wat er gebeurde, vertel ik later wel. Geen mensenwerk, denk ik met oog op de Goden. Iets met energie.
Ik hoefde niet te lezen
Het verhaal De man in de blauwe kamerjas uit de gelijknamige bundel van F. van den Bosch schiet me te binnen. Ik heb er zelfs eens een deel in een essay aan gewijd. Maar geen moment aan dat verhaal gedacht, ik las niet in het ziekenhuis. Ik deed iets wat ik zelden doe: televisie kijken. Misschien gold hetzelfde voor de lezers om me heen: dat ze anders nooit een boek lezen. Verder keek ik veel uit het raam naar de wispelturige luchten boven de rommelige architectuur van de stad. De kamerjas waarin ik rondliep over de gang had een onbestemde paarsgrijze kleur. Ik was minder in de war dan de held van F. van den Bosch, die eerder kampte met de gevolgen van de narcose dan met de aandoening waarvoor men hem hardhandig knock-out had gespoten. Toen ik eens met F. van den Bosch ergens op een podium zat – ik denk Hengelo of Almelo, wat voor mij ongeveer hetzelfde is – verwarde de interviewster de schrijver F. van den Bosch met diens protagonist in de blauwe kamerjas. Ze vroeg hem waarom hij een voorkeur had voor Indische boven Hollandse verpleegsters. F. van den Bosch antwoordde dat Hollandse verpleegsters zo luidruchtig binnen konden komen op die Zweedse gezondheidsklompen van ze, die toen erg in de mode waren. De Indische verpleegster uit zijn verhaal had meer de geruststellende sluipgang van een liever tijger. Ik heb het niet kunnen checken. Ze liepen allemaal op sportschoenen. Bovendien viel er geen Indische verpleegster te bekennen.