Aangezien ik een hekel heb aan gewauwel over gezondheidszaken, vind ik het ordinair te moeten melden dat ik in het ziekenhuis heb gelegen. Mijn hart had alarm geslagen. Zwaailichten, jengelende sirenes boven de ambulance, ziekenbroeders die met elektroden op mijn lijf in de weer zijn en me vragen stellen als: ‘Rookt u?’ Maar ik was ze al voor geweest met de vraag: ‘Ga ik dood, heren?’ Nee, ik zou niet doodgaan, nog niet althans. Ik zal verder niet ingaan op wat er in de operatiezaal gebeurde, al wil ik wel kwijt dat de assistente van de cardioloog aldoor sprak over een ex-vriendje uit een of andere familietak van me. Dat ze hem nooit was vergeten, enzovoort. Om drie uur in de nacht werd ik na de spoedhulp naar een ander ziekenhuis gereden, alwaar ik kwam te liggen op een tweepersoonskamer. Die deelde ik eerst met een volkse kastelein, die zijn dagelijkse gemopper op het zouteloze eten afwisselde met moppentappen. Na hem kwam wegens plaatsgebrek een kankerpatiënt naast me te liggen, verbonden aan een batterij chemische preparaten, dwangmatig lezend in afwisselend detectives en stripverhalen. Toen hij weg was verhuisde ik naar het raam en maakte ik een oude man mee die niet meer wilde leven. Een vierde kamergenoot zag ik nauwelijks meer, ik hing rond in de televisiezaal met mensen wier gewoonten zo alledaags waren dat ze me verbaasden. Mijn favoriete verpleegster was blank, slank en sprak met een mooi Twents accent. Ze was jong. Ik voelde me zo oud opeens.
Maandelijks archief: March 2006
Raadsel uit de Maleise bellettrie
Maya Sutedja – Liem, collega publicist in Archipel Magazine, mailde me naar aanleiding van mijn tweedelig artikel Goena-goena volgens P.A. Daum en Victor Ido in genoemd tijdschrift. Ter sprake komt onder andere een verhouding tussen de zoon van een Indonesische huishoudster en een blanke Europese vrouw, een kwestie waarop in de koloniale tijd een zwaar taboe rustte en waarover veelal slechts angstvallig werd geschreven. Maya kent een boek uit het Maleis, waarin het taboe-onderwerp vrijmoedig bij de kladden wordt genomen.
Het verhaal is getiteld Njai Isah en geschreven door een zekere Ferdinand Wiggers, een Indo-Europeaan die gewoonlijk in het Maleis publiceerde. Het verhaal verscheen aanvankelijk als feuilleton in een Maleise krant in 1903 en daarna in enkele boekdelen. Het gaat over een Nederlands meisje dat een verhouding krijgt met de zoon van hun Indonesische bediende en zwanger raakt. Om haar reputatie niet te schaden moeten man en kind worden weggemoffeld. Het meisje zelf ziet zich gedwongen een Nederlandse man te vinden om mee te trouwen, wat gepaard gaat met goena-goena en meer van die typische motieven uit de koloniale bellettrie.
Maya heeft slechts twee delen in een Leidse bibliotheek kunnen opsporen. Omdat het motief nogal spectaculair was voor die tijd vraagt zij zich af of het boek misschien geen vertaling is van een Nederlands verhaal. Ikzelf neem aan van niet, omdat de fatsoensrakkers eerder in Nederland dan in het voormalige Nederlands-Indië gezocht moesten worden. Het colofon in het boek geeft geen uitsluitsel, wat indertijd niet ongebruikelijk was. Als uitgever wordt genoemd de NV tot exploitatie van Mal. week- en andere bladen in Nederlandsch-Indië. Meer is niet bekend.
Over de schrijver heeft Maya het volgende kunnen achterhalen. Ferdinand Wiggers (1862-1912) was een zoon van de Nederlandse (?) Frederik Ernst Wiggers en de Indonesische Pela (of Helena?). Ferdinand Wiggers huwde eveneens een Indonesische vrouw, genaamd Tjanting (later genoemd Enerstina Hermina?). Van de vijf kinderen die uit dit huwelijk voortkwamen, bleven twee zonen in leven: Norbertus Petrus (1886 – ?) en Ernst Ferdinand (1890-?). Ferdinand Wiggers was redacteur bij verschillende Maleise dagbladen, waarin hij veel publiceerde, wat soms tot een boekuitgave leidde. Daarnaast vertaalde hij ook veel Europese romans naar het Maleis, waaronder Van slaaf tot vorst van Melati van Java.
Maya is bezig stukken uit Njai Isah te vertalen. Ze beoogt de uitgave van haar vertalingen van korte Maleise verhalen in het komende jaar en zit nu met de brandende kwestie: in welke brontaal is het verhaal geschreven: het Maleis of het Nederlands? Stuur even een mail als u Maya Sutedja – Liem kunt helpen.
Borges, een leven
Op mijn bureau ligt een mooi gebonden uitgave van Edwin Williamson met de titel Borges, een leven. De vertaling is van Barber van de Pol, het origineel verscheen in 2004. Dat de Bezige Bij deze biografie uitgeeft, ligt voor de hand, de uitgeverij is verantwoordelijk voor de verspreiding van het werk van Borges in Nederland. Mijn literair agente liet het boek hier achter, ze weet dat ik een bewonderaar ben van Borges, al is er nog maar één verhaal dat ik blijf herlezen van deze Argentijnse schrijver (de rest ligt ergens in de kelder van mijn herinnering te rijpen): De ronde ruïnes uit De Aleph. Borges jongleerde met microkosmos en macrokosmos in literaire labyrinten en maakte daarbij geen vlekken met pen en inkpot. Kan een biografie over zo’n groot schrijver interessanter zijn dan het werk van de meester zelf?
Keltomania
National Geographic duikt deze maand in de Keltische cultuur, voorzover dat mogelijk is, en laat een doedelzakspeler aan het woord die luistert naar de naam Fred Morrison. Hij is afkomstig van de Schotse Buiten-Hebriden en toog in 1972, achttien jaar oud, naar Amsterdam om daar straatmuzikant te worden, waarna hij zich aansloot bij een groep Ierse muzikanten. Hij leerde vrijer spelen, klassieke regels doorbreken en gaf zo een nieuwe dynamiek aan het Keltische erfgoed:
“Ik leerde een muzikale rebel te zijn. Ik zal de traditie nooit de rug toekeren, maar ik ben gaan inzien dat traditie ook een strenge vader kan zijn die je niet de vrijheid biedt te improviseren.”
Fred Morrison wordt wel “de Jimi Hendrix onder de doedelzakspelers” genoemd. De clip op de site van National Geographic geeft een voorproefje, maar de site van Fred Morrison zelf biedt 3 sample audio tracks aan van diens nieuwe cd “Up South”. (Internet Explorer en Windows Media Player vereist.)
Osaka Dadadadan Tenko
Voor alle kunstvormen was 1987 een goed jaar. Zo richtte danser en choreograaf Isaya Mondori (Hirosjima, 1948) de groep Osaka Dadada-Dan Tenko op. In de tenko, de Japanse drum, had hij de dynamische ondersteuning gevonden om zijn dans energieker te kunnen maken. Fusion van klassieke en moderne uitingsvormen in muziek en dans zou het het signatuur worden van Tenko. De tien jonge muzikanten trainen dagelijks op lenigheid en fysieke kracht naast het oefenen op de drums, samisen en de shakuhachi. De groep trekt momenteel door Nederland, waar zij in liefst 20 plaatsen optreden. Meer informatie op de website van Osaka Dadadadan Tenko, met een clip, waarop je het Japanse gezelschap langs Hollandse molens ziet rennen en patat en haring kunt zien eten.