Meisje met gitaar

hat logo meneer b De huizen aan de tuinzijde van mijn afzichtelijke flatwoning stammen uit het begin van de vorige eeuw. Ze zijn meest opgesplitst in appartementen en studio’s. Er wonen veel alleenstaande jonge vrouwen. Eén van de tuinkamers moet een bijzonder erotische feng shui-energieveld hebben, want ik heb er menig stel de liefde zien bedrijven. Maar de kamer moet ook voor onrust zorgen, of scheiding, immers er is geen mens dat het er langer dan een jaar uithoudt. Het meisje dat er thans woont, schat ik begin twintig. Studente, zoiets. Ik heb haar tot nog toe drie mannen zien ontvangen, one night stands, zoals die generatie eenmalige amourettes noemen. Het meisje was zonder uitzondering de actieve partij. Bij de eerste man vergat ze de gordijnen te sluiten. De namiddagzon scheen in haar kamer, het was zomer, het meisje bereed wild en onstuimig haar minnaar, die schuilging onder het kozijn. De tweede minnaar bracht haar dominante trekken naar boven: ze liet hem haar broek uittrekken en trok zijn hoofd aan de haren naar haar kruis. Onlangs was er een derde op bezoek. Ze klom steeds weer speels op zijn schoot en had uren nodig hem in bed te krijgen. De taal van zijn lichaam verraadde weerzin. Maar hij wilde haar niet weerstaan. De gordijnen werden gesloten. Het liefdesspel duurde kort. Lange intervallen scheiden haar minnaars. De scènes zijn plat, triviaal. Laatst raakte ik wel bijna in vervoering toen ik het meisje met een gitaar op schoot zag zitten. Maar ook dat kreeg geen vervolg.

Hartszaken (2)

hat logo meneer b Mocht mijn cardioloog er in slagen het team van Batavieren achter zich te krijgen, dan word ik opgeroepen binnen vier tot zes weken vanaf de datum van dit bericht. Half mei, eind mei, zoiets. Word ik niet opgeroepen, dan ziet de cardioloog mij terug medio juli. Intussen probeer ik wat te fietsen. Ik schijn ook weer te mogen schrijven, maar dan liever wat vrolijkers dan die depressieve stuff die u ongetwijfeld van mij kent. Hier een suggestie van mijn huisarts, die beter op de hoogte is van mijn werk dan mijn cardioloog. Probleem hier is dat wanneer anderen de mondhoeken laten zakken ik meestal in een deuk lig van het lachen. Samuel Beckett bijvoorbeeld, zeg nou zelf, dat is toch amusante kost? Nou dan! Ook schijn ik optredens te mogen verzorgen, ik mag zelfs naar conferenties in het buitenland. Organisaties moeten er alleen geen probleem van maken als meneer Birney in het geheel niet komt opdagen, sterker: helemaal niks van zich laat horen. Wat dat betreft heb ik de tijd niet mee: schitteren in afwezigheid is not done in de jachtige wereld van nu. Ik ben nooit een tempo doeloe-figuur geweest, met heimwee naar de koloniale levensstijl, die je thans nog ziet bij het welgestelde volksdeel in Indonesië. Maar met een huishouding van zo’n 12 personen zou mijn leven toch een stuk aangenamer zijn dan dat gekluizenaar in een shabby hermitage. Beter voor het hart. Of juist niet? Kan een ascetische leefstijl niet ook een zekere aangenaamheid in zich bergen?

Hartszaken (1)

hat logo meneer b Mijn cardioloog, een grootheid in het hospitaal (hoe het daarbuiten zit, zou ik even niet weten), liet mij vandaag weten dat hij er nog altijd voor voelt enig onderhoud aan het wegennet rond mijn hart te plegen. De man ziet hier kennelijk een grote uitdaging in. Reden waarom ik zes weken terug geen tweede behandeling heb mogen ondergaan, lag in de wat afwachtende houding van het medisch team in hospitaal numero 1, waar men over de moderne technische middelen beschikt. Mijn cardioloog vierde toen feest in Suriname, en zoals u weet is het vandaaruit altijd lastig enige invloed uit te oefenen op die eigenwijze Batavieren hier in de Lage Landen. Toen de man terugkwam uit Suriname adviseerde het team in hospitaal numero 1 hem dat hij de schrijver maar naar huis moest sturen om hem daar op een meesterwerk te laten broeden. De dagen van de schrijver vertonen nogal grillige grafieken. Hem is evenwel opgedragen om maar op de fiets te klimmen. Niet te hard fietsen direct, dus het wordt de stadsfiets. Als proviand draagt hij een flesje Nitrolingual bij zich, een spray dat hij onder de tong moet spuiten als de Goden weer eens proberen hem bij zich te krijgen. Intussen gaat zijn cardioloog het team der Batavieren in hospitaal numero 1 trachten over te halen om hem nog eens onder het mes te krijgen. Het aangetaste deel van het gestel van de schrijver noemt hij ‘diffuus’. Het ‘traject’ is lang en meandrisch. De ingreep een ‘nogal technische kwestie’.

Pasen, de hel

hat logo meneer b Pasen. De hel. Jarenlang de herinnering aan die afgrijselijke dag waarop mijn vader mijn vingers lam sloeg. Ik moet een jaar of zeven, acht zijn geweest. Het hinderde mijn vader al lang dat ik niet zelfstandig mijn schoenveters kon strikken, maar op die memorabele paasdag heeft hij zich laten gaan, een riem gepakt, mij gelast mijn vingers op de rand van het granieten aanrecht te leggen en de zweep erover gehaald. Met brandende vingers mocht ik nog eens proberen mijn veters te strikken. Dat ging niet. Het ritueel met de zweep herhaalde zich tweemaal. Mijn vingers zwollen zodanig op, dat zelfs mijn vader wijselijk even de keuken verliet. Mijn tweelingbroer sloop naar binnen en strikte snel mijn veters. Ik heb dit verhaal verwerkt in één van mijn boeken. De onschuld van een vis. Het hielp niet. Je kunt de dingen een plaats geven in proza, poëzie, muziek – de pijn van de herinnering blijft. Merkwaardig… mijn vader overleed enkele weken voor Kerstmis. Hij leefde in Spanje, ik had hem al meer dan tien jaar niet gezien. Het bericht was geen bevrijding voor me, integendeel. Twee maanden later lag ik met een hartinfarct in het hospitaal. Maar dan: Pasen… weg is de hel! Zelfs geen herinnering aan mijn bebloede vingers, waarmee ik nog twee weken in het verband heb gelopen. Geen wrok naar mijn vader ook. Als het zo is dat je een dode niets kwalijk kunt nemen, ligt hierin dan misschien het antwoord waarom wij, mensen, niets van de geschiedenis leren?

Garrincha volgens Zielinski

hat logo meneer b Ik ben het type schrijver dat is onderworpen aan grillen, nukken en buien. Als blogger blijk ik al net zo. Soms haal ik zelfs mijn site uit de lucht. Of ik ga op ontdekkingstocht in mijn boekenkast. De roman De engelenbron (2004) van de late debutant Erich Zielinski zag er ongelezen uit! Even proberen. Literaire cocaïneroman, tamelijk uniek. Ik ben een trage lezer en aangezien mijn conditie de afgelopen dagen te vergelijken was met die van een sufgeslagen zeehond, dansen de woorden me soms voor de ogen en moet ik bladzijden terugslaan om te kijken of de beelden die mij zo bekoorlijk voorkomen wel zijn toe te schrijven aan Erich Zielinski en niet aan mijn eigen fantasie, want die heeft zo zijn eigen conditie, waar ik moeilijk de vinger achter kan krijgen, wat ik ook niet moet doen, immers een poging daartoe zou al net zo ijdel blijken als trachten het begrip creativiteit te verklaren. Excuses voor deze lange zin. Blogonvriendelijk, niet? De engelenbron boeit mij, al maakt de Antilliaanse schrijver er soms een potje van. Een bejaarde ex-matroos was ooit in Zweden afgemonsterd om het Braziliaanse voetbalelftal te zien spelen. Hij had een foto meegebracht van de grote Garrincha met diens handtekening erop. Aldus Erich Zielinski. Nou dacht ik dat Garrincha als een beest kon spelen, zuipen en neuken, maar niet zijn naam kon schrijven. Gelukkig voor Zielinkski dat de gemiddelde boekbespreker van schrik met de handen gaat wapperen zodra er een voetbal op hem af komt rollen.