De koffergrammofoon

hat logo meneer b Ik zocht naar de gele koffergrammofoon waarop we onze 45-toeren-singles draaiden en vond hem op de website van het Nederlands Grammofoon Genootschap. Volgens het Nederlands Grammofoon Genootschap ging het om een Philips AG 9148 uit het jaar 1959 en had onze vriend een uitgangsvermogen van – hier gaat u van opzien – 2 Watt! De volumeknop hadden we nooit helemaal openstaan, anders was het gekras niet om aan te horen, en toch kwam regelmatig een leider of leidster woedend het knutselhok instuiven en om stilte verzoeken. De koffergrammofoon deed dienst toen ik in Huize Nieuw-Voordorp arriveerde, in 1964. De grote jongens, rond de 18, draaiden Elvis Presley, P.J. Proby, Gene Pitney, René and his Alligators, Cliff Richard, The Shadows, Ricky Nelson en die langspeelplaat van The West Side Story. Toen ik vertrok en de versleten koffergrammofoon vaarwel zei, in 1968, keek ik terug op The Beatles, The Walker Brothers, The Rolling Stones, Them, The Scorpions, The Kinks, The Golden Earrings, The Motions, The Shoes, Cuby & The Blizzards, The Outsiders, The Beach Boys, The Searchers en natuurlijk Jeff Beck, een figurant, maar uiteindelijk een stevig anker. Ik heb maar wat namen uit mijn toetsenbord geramd. Het waren er veel meer die in luttele jaren langskwamen. Ik weet niet hoeveel het er tegenwoordig zijn, het aantal moet zich enorm hebben vermenigvuldigd. Ik weet alleen dat toentertijd je steeds handmatig die naald op de plaat moest zetten. Je nam meer tijd voor minder. Er zaten stiltes tussen de nummers. Muziek kon toen nog slapen.

Jeff Beck en oesters eten

hat logo meneer b Wat ons moet hebben gecharmeerd in de solopartij van Jeff Beck’s Hi Ho silver lining, is de hoekige stijl, wat warse toon en terloopse onverschilligheid die de Britse gitarist ten gehore bracht. Rebelse stijl, zoiets. We wisten toen niet dat Jeff Beck eerder, in 1965, de plaats van Eric Clapton bij de Yardbirds had ingenomen en dat hij het was die die vreemde gitaargeluiden voortbracht, die wij thans kennen als distortion, het overstuurde geluid waarmee Jimi Hendrix aan de haal zou gaan en grote hoogten zou bereiken op bijvoorbeeld Who knows met zijn Band of Gypsys (1969/70). De elektrische gitaar had toen nog vele geheimen, er waren geen leraren die wisten wat die popmusici allemaal deden, en het verschijnsel video bestond nog niet als middel om alles af te kijken. Maar ik weet nog dat ook in 1976 vooraanstaande Haagse gitaristen avonden lang konden bomen over Jeff Beck’s uitvoering van Charles Mingus’ Goodbye Pork Pie Hat en veel toeschreven aan overdubs meer van dat soort trucs in de opnamestudio. Ze dachten toen nog dat Jeff Beck, zoals de meeste popgitaristen, met een plectrum speelde. Dat hadden ze mis. Geen plastic tussen zijn vingers en de snaren. Wat ze wel begrepen was dat Jeff Beck geen spervuur van noten nodig had, die supersnelle gitaristen lieten horen, om muziek te kunnen maken. Jeff Beck lijkt wat mij betreft zijn lyrische gevoel te verbergen onder het smerige gitaargeluid waar hij patent op heeft. De schoonheid erin ontdekken heeft iets van oesters leren eten.

Jeff Beck als eikpunt

hat logo meneer b Als er één heerlijke leefregel is voor hartpatiënten, dan is het wel dat je bij voorkeur overal maling aan moet hebben. Of je zelfs aan leefregels maling moet hebben, lijkt wat dubbel, dus ik zou niet weten of ik vanmorgen heb gezondigd door onbehoorlijk lang uit te slapen. De herinnering aan Jeff Beck’s leefregel van 40 jaar terug, dat om half 11 opstaan wel volstaat voor iemand die buiten het kantoortijdenregime valt, moet hebben geholpen. Ik schreef gisteren dat Love is blue (1968) destijds mijn favoriet was. Toch jengelt de hele dag Hi Ho silver lining (1967) door mijn hoofd. Eén van mijn groepsgenoten in Huize Nieuw-Voordorp had de 45-toeren-single, herinner ik me. In het knutselhok hadden we een aftandse Philips koffergrammofoon staan, waarop we Jeff Beck’s bescheiden tophit grijs draaiden. Want zo gaat het in het leven, ook in een kindertehuis. Je kunt ergens niet genoeg van krijgen totdat je er genoeg van krijgt en op zoek gaat naar iets anders waar je geen genoeg van kunt krijgen totdat je er genoeg van krijgt, ad libidum. Popmuziek biedt met zijn enorme archieven een schat aan ijkpunten voor de herinnering van zowel het individu als het collectief. (Wat een afgrijselijke zin is dit, ik lijk wel een journalist of wetenschapper.) Wijze mensen beweren dat leven in het hier en nu de weg naar de verlichting wijst. Je moet dan niet zoeken naar of wachten op de verlichting, want ook dat is iets willen waar je geen genoeg van kunt krijgen.

Jeff Beck weet van uitrusten

hat logo meneer b Met het oog op artiesten die ons ontvallen kun je treurig worden van de vergankelijkheid. Andersom kunnen artiesten die na jaren opeens weer opduiken je monter stemmen. Jeff Beck draait al 40 jaar mee. In de jaren zestig had hij drie hits. Zijn instrumentale versie in 1966 van Love is blue was mijn favoriet. Hij was geen groot zanger, maar als gitarist had hij iets eigens. Hij kon zowel lyrisch als ruig spelen. Jeff Beck was geen grote ster. Ik herinner me een interviewtje over één kolom in een of ander muziektijdschrift. Snapshot aan het aanrecht in zijn flat erbij. Hij zet koffie, neemt elke dag de tijd om rustig wakker te worden, hij komt pas om half 11 zijn bed uit. Dat maakt diepe indruk op me. Zo wil ik ook leven! Half 11 op, niet eerder! Vrijheid! Ik vergat zijn muziek, maar nooit dat hij pas om half 11 zijn bed uitkwam. Tien jaar later verraste hij de gitaristenscene met zijn versie van Charles Mingus’ Goodbye Pork Pie Hat op zijn elpee Wired (1976). Het leek toen al een eeuwigheid terug dat ik hem gehoord had. En dan kom je hem 30 jaar later weer tegen, zomaar op een surftocht door cyberspace. Jeff Beck is te gast bij een groot bluesorkest. Hij oogt vitaal, tourt nog altijd, zonder sterallures, wordt veel gevraagd door collega’s, nog geen spoor van verval. Zijn carrière kent jarenlange pauzes. Deze man weet van uitslapen, van wanneer het tijd is om uit te rusten.

Pieken en dalen

hat logo meneer b De top-3 der domste vragen die ik gesteld heb gekregen over mijn hartinfarct: 1. hoe komt dat? 2. had je dat niet kunnen vermijden? 3. wat voel je dan? Die laatste vraag stelde ikzelf ook ooit aan een vriend van me. Aanvankelijk probeerde hij onder woorden te brengen wat je zo ongeveer voelt, later is hij ermee opgehouden. Hij zei voortaan: als je het krijgt, dan weet je het. Ja, het is net zo lastig als een maagd of knaapje uit te leggen wat een orgasme is. Nou is een hartinfarct op zich zo erg nog niet: je wordt misselijk, een unheimisch gevoel komt over je, dan komt de pijn, je vermoedt iets, je gelooft het niet, maar als de krampen zo hevig worden dat je er bijna onder bezwijkt, dan moet je eraan geloven. De ambulance is snel in Nederland. De ziekenhuizen zijn wat trager: mismanagement en bezuinigingen. Maar het vervolg op een infarct is niet te overzien. Langzaam begint het tot mij door te dringen wat voor verwoestend effect het op je leven kan hebben, in elk geval de eerste zes maanden na de schok. Afspraken maken heeft geen zin, de gesteldheid van je lichaam is te zeer onderhevig aan pieken en dalen. Vandaag had ik een dip die me driemaal terug naar bed joeg. Een onschuldige wandeling met mijn zoon langs een buurtbraderie was een uitputtingsslag. Maar onderneem je niets, dan wen je helemaal nergens meer aan. Een weblog bijhouden is een zegen. Het lijkt net schrijven.