Vergankelijkheid

hat logo meneer b De zomer was kort, heet. De zomer is een herinnering nu. Mijn lichaam houdt van warmte, hitte zelfs, maar misschien is ook dat een herinnering straks. Ik was maar één keer op het strand, met mijn zoon en een vriendje van hem, en fietsend op de terugweg stortte ik in, kwam amper nog vooruit. Ik had me te druk gemaakt om het gedrag van de jongens op het strand. Ik heb er de fut niet meer voor op een stel van die snotneuzen te letten. Had ik mezelf overschat? Welnee. Een door mijn cardioloog verordonneerde fietstest gaf een afwijking aan de kransslagader te zien. Hij was ondanks de goede waarden in mijn bloed, altijd achterdochtig gebleven. Nu had hij eindelijk iets gevonden waarmee hij het team in het concurrerende ziekenhuis – want dat zijn ze hier in Holland: concurrenten – kon overtuigen van de noodzaak mij nogmaals op de behandeltafel terug te zien. Doet me deugd, al blijft het knarsetanden met dat getreuzel van ze, reden waarom veel Nederlanders hun heil in Belgische ziekenhuizen zoeken. Het is een kwestie van wachten nu: twee, drie, vier, vijf weken. Misschien zal ik dan een nieuw hoofdstuk aan een roman-in-wording hebben toegevoegd. Ik ben weer een beetje gaan geloven in fictie, ja. Nooit gedacht, nee. Waar ik niet in geloof, is een commercieel succes. Mijn ambitie is een andere. Helaas gedragen uitgevers zich aldoor vaker als speculanten, en hun redacteuren zich als managers. Het publiek begrijpt dat. Kunst moet lonen. Wie wil zulk publiek?

Verloop

hat logo meneer b Het verloop is groot bij het kamerverhuurbedrijf, dat mij ongewild op gezette tijden aan de vergankelijkheid herinnert. De studente met de bril in de kamer boven de tuinkamer, het meisje bij wie ik nooit een jongen zag, alleen een vriendin, is vertrokken. Ik stel me voor dat ze buitenlandse was en hier voor een jaar kwam studeren. Voordat zij kwam, woonde er enkele jaren een meisje, dat niets anders deed dan studeren. Ze kookte nooit, haalde haar eten bij de pizzaboeren en toko’s in de omgeving en nam elke avond op een vast tijdstip een douche. Ze had de jaloezieën van de badruimte naar binnen gedraaid, zodat je haar altijd gemakkelijk kon begluren. Er is weinig gewoners dan iemand onder de douche te zien gaan en zich even laten zien afdrogen en kleden. Het meisje was lang, heel lang, alleen. Pas tegen het einde van haar studie scheen ze zich open te stellen voor een vriend. Die kwam. Eén, twee, drie keer. En weg was ze. Is een degelijk en saai leven, zoveel mogelijk gepland, de weg naar het geluk? De studente die zojuist vertrokken is, was de schoonheid zelve niet. Haar weg zal niet over rozen gaan. Haar opvolgster is een mooi blond meisje met een mooi lijf. Ik zag hoe ze zich omkleedde in de badruimte, waar vreemd genoeg een verhoogd bed is ingebouwd, wat ik nu pas zag. Ze trok een jurkje aan en ging op bed liggen. In de woonkamer rookte haar vriend zijn laatste sigaret.