Aanvankelijk dacht ik dat het mijn zoon was die met nonchalant juveniel elan de afwas te lijf was gegaan en daarna een stevig gebonden soep door de afvoer had geperst. Hij hoeft bijna nooit af te wassen, alleen maar wanneer ik een slechte dag heb op het pad van mijn revalidatie. Verleden week was de afvoer zo verstopt dat ik een loodgieter moest bellen. Ik begon mijn thuishulp te verdenken van enig onhandig gedrag, als ik dat zo zeggen mag. De loodgieter klaarde de klus en vertelde me dat ik elke keer na de afwas uit een volgelopen spoelbak schoon water door de leiding moet jagen. Ik nam dit advies, dat ik overigens al ken sinds ik mijn moeder met de afwas hielp, voor kennisgeving aan, in elk geval blij dat ik weer kon afwassen, want ja, er bestaat voor een schrijver toch bijna niets inzichtgevenders dan afwassen. Het is namelijk tijdens de afwas dat de talloze knopen in je verwarde denken wegspoelen en je in een meditatieve staat kunt geraken, waarin de ganse schepping zich in één enkele zeepbel manifesteert. Dit hoeft natuurlijk niet te gelden voor een thuishulp die je boeken zeemt en ondersteboven in de kast terugzet. Ze had gisteren haar kont nog niet gekeerd of mijn afvoer was wéér verstopt! Ik heb eerst haar werkgever gebeld en om een ander gevraagd (dat wordt de vierde in de rij). Vandaag liet de loodgieter me een Siberische soep van stukken dweil, theedoek en schuursponsjes in een emmer zien.
Maandelijks archief: November 2006
Nar (3)
Ik herinnerde me vaag dat Nar was weggelopen. Dat klopte: vijfmaal. Ik vroeg haar of ze, net als ik, ooit in Huize Welkom in Arnhem, met streng gescheiden afdelingen, had gezeten. Ze zei dat ze er bijna een jaar had gezeten. Ik haalde direct mijn medicijnendoosje tevoorschijn om mezelf een tranquillizer met een slok cola toe te kunnen dienen. Ik dacht: dit kan niet. Zo lang houdt een mens het niet uit in zo’n afschuwelijk doorgangstehuis. Ik zat er zelf tweemaal gedurende veel kortere periodes, maar ik ben jarenlang achtervolgd door nachtmerries. We kwamen over nachtmerries te praten en daarna begon ze te vertellen over haar leven, nadat ze was ontsnapt uit dat afschuwelijke tehuis. Het was een opeenvolging van scènes uit een speelfilm: Franse setting, zwart-wit. Had Patrick Modiano haar pad gekruist, dan was ze nooit tussen die drie vrouwen in zijn boek Onbekende vrouwen terechtgekomen. Ze is teveel survivor, ze zou een apart boek hebben gekregen. Maar heeft ze zelf nooit geprobeerd iets op papier te zetten? Ja, schrijven is niet moeilijk, maar goed schrijven is iets anders. Ze doet wat ze goed kan: handelen in lingerie. We vergaten de tijd. Toen ik om halfvijf in de ochtend vertrok, moesten we tot ons leedwezen toegeven dat Huize Nieuw-Voordorp in Voorschoten het beste tehuis was dat we hadden gekend. We hebben het alleen toen, 40 jaar terug, niet geweten. Het is als het besef dat je ooit wegliep van je enige ware geliefde, naar wie je nooit meer terugkunt.
Nar (2)
Ze ontving me op zondagavond in haar penthouse. Sinds mijn verblijf op de hartbewaking in februari in het stadsziekenhuis had ik niet meer zo’n fraai uitzicht gehad op de stad. Het penthouse was schoon en smaakvol ingericht. Ik koos een hoekje op de zachte bank, Nar zat op een stoel schuin tegenover me. Ze zag er nog net zo uit als toen, alleen 40 jaar ouder. Zij dronk wijn, ik cola, – ik ben verslaafd aan cola sinds mijn hartinfarct, ik weet niet waarom en dat kan me ook niet schelen, het zal wel weer overgaan. Nar zei dat ze me had herkend aan mijn stem bij de kassa, toen ik iets tegen het kassameisje zei. Het was niet mijn stem van weleer in het kindertehuis, maar van een of ander radioprogramma over een van mijn boeken. Ze was mijn laatste roman gaan herlezen. Ze had zichzelf het boek cadeau gedaan in de lente van 2000. Haar zoon liet haar geamuseerd overbrieven dat hij nog een boek van me had uit een bibliotheek. Hij had het er geleend en nooit teruggebracht. Ik had Nar per e-mail aangeraden het boek niet te lezen, nu zei ze dat ze er van moest dromen. Maar die dromen hinderden haar niet. Ze toonde veel gevoel voor literatuur en stelde geen vragen over wie model voor wie had gestaan. Ze noemde allerlei details uit het boek die haar aanspraken. Ik begon me af te vragen hoe haar boek over die periode eruit zou hebben gezien.
Nar (1)
Iemand sprak me aan bij de kassa in een supermarkt. Ze wilde weten of ik degene was die ze dacht voor zich te hebben. Ik knikte kortaf en vroeg wie zij was. Toen ze zich bekend maakte, zag ik het meisje van 40 jaar terug in haar gezicht. Het einde van de lopende band, waar mensen veelal gestresst hun boodschappen in plastic tassen frommelen, is geen prettige plek om bij te praten. Ze gaf me haar kaartje, een mooi kaartje; het is tamelijk knap om nu nog met een opvallend smaakvol kaartje te komen. Nar handelde intussen in lingerie. Ik geef niets om lingerie, wel vind ik het boeiend om van iemand te horen hoe er wordt gehandeld in lingerie. Ik had geen kaartje bij me, die dingen zijn op, ik roep meestal: kijk maar op Google, wat waarschijnlijk arrogant en ongeïnteresseerd overkomt. Maar ik haat winkelen, bestellen, de stad in moeten, en eigenlijk haat ik ook wel kaartjes. Ik heb een la vol kaartjes en overweeg om ze maar met Oud en Nieuw op de brandstapel te gooien. Wat moet ik nou met die obligate kaartjes van politici, radiomakers, kunsthandelaren, mensenrechtenactivisten, uitgevers en ga zo maar door, als ik er de gezichten niet bij zie? Maar Nar, dat is wat anders. Ze was ooit een van de drie schoonheden uit de meisjesvleugel van kindertehuis Nieuw-Voordorp in Voorschoten. Een heldin in onze ogen, een onverbeterlijke wilde meid in de dossiers van de kinderbescherming. Hoe was het haar die jaren vergaan?
Onbekende vrouw
Het display op mijn GSM toonde een privé-nummer toen hij overging. Ik had een dutje op de bank gedaan na een iets te drukke dag. Gewoonlijk neem ik niet op, wars van anonieme bellers, maar ik verwachtte een telefoontje van een journalist. Hij was het niet. Het was K., een dolende secretaresse. Ze moet haar adres geheimhouden in verband met de een of andere inlichtingendienst. Haar verhalen waren ooit zo duizelingwekkend, dat ik nog altijd niet weet of ze nou voor of tegen de Palestijnen heeft gevochten. Belt ze steeds met een andere simkaart? Ik had haar lang niet meer gesproken. De sfeer van onze oeverloze telefoontjes op de late avond was direct weer terug. Ze vroeg hoe het ging en ik zei dat het goed ging. Toen ik haar vroeg hoe het ging begon ze opeens over haar ouders. Ik wist niet dat ze die nog had. Ze had altijd alleen maar over haar zoon gesproken. Ik begon er opeens aan te twijfelen of ze díe wel had. Er viel een stilte. Ik ging over op een schertsende toon. Dat doet het goed bij haar. Maar scherts aan de telefoon is voor zakenlui. En flirten dreigt altijd in de richting te gaan van een afspraak ergens in een hotel. K. schijnt alleen te kunnen minnen in een hotel. Haar angst voor intimiteit is net zo groot als die van de man die zich Guy Vincent noemt in Modiano’s novellenbundel Onbekende vrouwen, waarin ik afgelopen nacht las. Heet zij eigenlijk wel K.?