Hoe een tijdschrift verdwijnt

vlagdolfijn Als een speciaal team van dertig wetenschappers gedurende zes weken 3400 kilometer van de Yangtze hebben uitgekamd en nog altijd de Chinese vlagdolfijn (Lipotes vexillifer) niet hebben gevonden, dan wordt hij als uitgestorven beschouwd, ondanks de hoop die een enkele rasoptimist nog koestert. De dolfijn in kwestie heeft twintig miljoen jaar op aarde geleefd en mocht daarom de pers halen. Dat was zo’n twee weken terug en tel er nog twee bij op en je kunt deze dolfijn tevens als vergeten beschouwen. Een vergelijking met Archipel Magazine is nu nog zot, maar de digitale revolutie heeft zo’n enorme kracht dat het verdwijnen van tijdschriften misschien wel de totale uitsterving aankondigt. Het blad had eind verleden jaar al moeten verdwijnen, maar na veel gesoebat van de hoofdredacteur streek Maasland Uitgeverij de hand over het hart en gaf Archipel nog een jaartje dodencel erbij. Thans ligt het laatste nummer van 2006 voor me. Uit niets blijkt dat het niet meer zal verschijnen. Er wordt zelfs doodleuk een volgend nummer aangekondigd, terwijl ik helemaal niets van een deadline heb gehoord. Ook advertenties beloven een zonnige toekomst. En dan de bijdragen… Met Rudy Kousbroek, Peter van Dongen, Hans Vervoort en Frans Lopulalan vorm ik niet direct het zwaarste literaire geschut op aarde, maar we zijn toch ook niet niks, dacht ik zo. De journalistieke artikelen van Maya Liem e.c. kom je nergens anders tegen, ook niet in Moesson. Maar ja, de Indische mensen zijn bezig uit te sterven. En wie uitsterft komt geen uitgeverij meer binnen, hooguit een hospitaal. Archipels hoofdredacteur weigerde aan de telefoon toe te geven dat zijn blad volgend jaar niet meer zal bestaan. Een Vlagdolfijn op de cover van Archipel in het voorjaar, met een bericht dat het dier weer is aangetroffen leek me aardig om van te dromen. Intussen ontving ik wel een nieuwjaarskaart van de uitgever met de tekst: Hartelijk Dank Voor De Prettige Samenwerking.

Het spijt me, dank u, het spijt mij ook

hat logo meneer b Het was voor het eerst dat ik het Japanse winkeltje binnenging in de winkelstraat bij mij om de hoek over de brug. Ik had de eigenaar, een jongeman van 35, vaker op straat gezien en zowel hij als ik hadden bij het passeren de ogen neergeslagen. In het gewone verkeer kijk je als man naar een vrouw, je kijkt van een man weg, maar de ogen neerslaan is wat anders. Ik was nog niet binnen of de Japanse jongeman vroeg me of ik Indo was. Hij wachtte amper op antwoord en begon zich te verontschuldigen voor wat de Japanners de Indo’s hadden aangedaan in WO-II in Indonesië. Ik glimlachte hem toe en zei dat ik van de Tweede Generatie was en in het geheel niet met wrok rondliep jegens de Japanners. Zoals er veel Hollanders van mijn generatie zijn die niet met wrok rondlopen jegens de Duitsers. Sterker, mijn tante had een kind van een Japanse soldaat, dus het deugde allemaal al niet in mijn familie, zei ik hem en hij moest er erg om lachen. We namen in sneltreinvaart de geschiedenis van Japan, Amerika en Nederland en Overzeesche Gebiedsdeelen door en kwamen toen pas ter zake. Dat had niet veel om het lijf, ik had alleen wat Japans briefpapier nodig. Later besefte ik dat in oosterse culturen men meer aansprakelijk is op het gedrag van de voorouders dan in westerse culturen. Zo werd ik eens op een lezing in Indonesië door studenten ter verantwoording geroepen voor mijn vaders oorlogsverleden.

Heer, gaat de dood u niet snel genoeg?

hat logo meneer b Weer veel te laat opgestaan, zonder zin in fietsen. Mijn zoon adviseerde me toch te gaan, het fietsen was er door die feestdagen al bij ingeschoten. Ik had namelijk gisteren nog een 3e kerstdag, high tea bij een gezelschap dat ik de laatste keer zag ergens in april. Het was aangenaam toen, gisteren minder. De gastvrouw had de kamertemperatuur bijzonder laag, ik had het erg koud. Haar zuster was al vertrokken toen ik aankwam, een bijzonder mens van wie een ondefinieerbare kalmerende werking uitgaat. Als je hoopt iemand ergens aan te treffen en die persoon is er niet, dan moet je niet die persoon gaan zitten missen, want dan ga je niet mee met waar je leven je brengt, wat het leven je biedt, wat het leven van je eist en zo meer. We zaten met ons vieren aan een ronde tafel, toch ontstond er geen geanimeerd gesprek, het liep allemaal door elkaar heen, nogal nerveus en ongericht. Het mooiste tafelgesprek met vier personen klinkt als een strijkkwartet. Misschien lag het aan mij en botsten mijn vibraties met die van de anderen. Het was geen groot probleem, immers de dagen tussen kerst en Oud en Nieuw vragen bijna om allerlei ongericht verkeer. Niet alleen in het sociale leven, maar ook op straat. In het kader van mijn revalidering maakte ik wat tempo op mijn zware stadsfiets en ontweek een tiental auto’s die vreemde capriolen uithaalden. Op de boulevard werd ik verwelkomd door twee begrafenisauto’s, die met gierende banden de bocht om scheurden.

Ik wacht wel tot de lente

hat logo meneer b De dag beginnen met The burning of the midnight lamp in mijn hoofd betekent voor mij een ochtenddepressie. Het is één van Jimi Hendrix zijn merkwaardigste nummers, niet alleen door die merkwaardige klanken, maar ook die rare akkoordenprogressie. Van de tekst liegen de eerste regels er niet om: The morning is dead, and the day is too. De dag nodigde niet bepaald uit voor een rondje fietsen, ik bleef in de keuken aan de ontbijttafel hangen, pakte mijn gitaar erbij en speelde mezelf naar een vrolijker stemming. Mijn zoon had een vriendje op bezoek. Toen ze een pizza gingen eten bij de Turkse bakker, klom ik op de fiets voor een bezoek aan de Turkse supermarkt. Tijdens het kerstdiner bij mijn beste vriend gisteren had ik gehoord dat zonnebloemolie slecht was voor hartpatiënten. Ik moest overgaan op arachideolie. Bij dezen. De gastheer, al tien jaar hartpatiënt, zei me ook dat ik gel in mijn haar moest doen. Een ander raadde me een of ander olieachtige shampoo aan. Ik vroeg me af waarom ze over mijn haar begonnen, totdat één van de vrouwen me vroeg waar mijn krullen waren gebleven. Mijn haar had altijd slagen gehad en er hingen meestal wel een paar pijpenkrullen in mijn nek. Op slag werd het me duidelijk waarom ik de afgelopen maanden zo in de weer ben geweest met antiroosshampoo en me vaker bij de kapper meldde dan normaal. Het is langzamerhand een droog touwhaarkapsel waarmee ik rondloop. Een gevolg van de medicijnen die ik moet slikken om allerlei waarden in mijn lijf op peil te houden, wil mijn hart lekker blijven kloppen. Ik ga niet met mijn haar stoeien, ben gewend om het met mijn vingers naar achteren te kammen en er dan de hele dag niet meer naar om te kijken. Ik keek ook maar één keer per dag in de spiegel. De lente is wel aardig om voor de rest van mijn leven een kort kapsel te nemen. Ik ben overigens in het geheel niet benieuwd naar wat mij nog meer aan verrassingen te wachten staan.

Heer, de kudde doolt

hat logo meneer b Heer, de kudde doolt, is danig in de war heer, ze denkt dat het zaterdag is, net als ikzelf gisteren dacht dat het zaterdag was, heer. In plaats van na de kerkgang vroom achter de geraniums te gaan zitten heer, de vitrages zedig gedrapeerd in zeikerige symmetrie, gaat de kudde zich te buiten aan snacken, cracken en nog iets dat op acken eindigt, maar dat kan ik zo gauw even niet verzinnen heer. Automobilisten keren midden op kruispunten spontaan om, misschien omdat ze opeens beseffen dat het kerst is en geen zaterdag, heer. Het aantal trimmers is niet te tellen heer, eentje snauwde een fietser bijkans het fietspad af heer, zo’n type buldog dat net van zijn alcoholverslaving af is, heer. Voor het overige allemaal lui die voor de City-Pier-City Loop trainen, dat zie je zo, heer. Ik had verwacht overal ongehinderd door te kunnen fietsen heer, en dat alle stoplichten op knipogen zouden staan vanwege matheid, saaiheid en verveling op deze eerste kerstdag. Ik was even vergeten dat de voltallige westerse wereld overal terroristische aanslagen verwacht van een club die door de yankees uit de koker is getoverd, heer. Die stoplichten veroorzaken een file van het Huis van Bewaring tot Scheveningen heer, waar het verkeer vaststaat en mensen hun auto’s uitkomen om met elkaar op de vuist te gaan! En dan zit de kudde nog niet eens aan de kalkoen, heer! Plus: morgen is er een tweede kerstdag, heer. Waarom, waarom moet u zo nodig twee dagen hebben, heer?