23/2

hat logo meneer b Toen ik vanmorgen wakker werd, miste ik het gescharrel van verplegend personeel om me heen. Kennelijk heeft de griep me teruggezet in een modus waarin ik gewend ben verzorgd te worden, zoals een jaar terug, toen ik voor bijna drie weken in het ziekenhuis kwam te liggen. Het was op de 23e februari, een vreemde dag, ik was laat opgestaan en voelde me uiterst gejaagd. Ik hikte tegen een deadline aan, moest een boek van Hanif Kureishi recenseren, een auteur die me al nooit beviel en nu met zijn autobiografische Mijn oor aan je hart een zeer onwaarachtige indruk op me had gemaakt. Ik kampte met méér deadlines, leefde op magnetronmaaltijden, coca cola en sigaretten. Het liep tegen zevenen en ik vroeg me af of ik niet naar de sportschool moest, die ik al een jaarlang had verwaarloosd. Het was al donker toen ik begon te transpireren en door een eigenaardige onrust bevangen werd. Ik ging op de bank zitten om mezelf tot rust te manen. Mijn rechterhand zocht met masserende bewegingen automatisch mijn hartstreek. Ik kreeg pijn, ging op mijn knieën zitten, kon nauwelijks overeind komen en raakte in een lichte paniek. Ik pakte mijn gsm, belde een vriend, een hartpatiënt, maar hij nam niet op. De commissaris van de sportschool nam ook niet op. Toen belde ik mijn broer. Hij was op de sportschool, nam mijn alarm serieus en kleedde zich direct om. Een kwartier later was hij bij me. Hij probeerde iets met magnetisme, ik liet hem een kwartier zijn gang gaan, stak nog een sigaret op, nam twee trekjes en drukte hem uit. ‘Ik rook niet meer,’ zei ik en sleepte me de trap op naar mijn slaapkamer. Mijn lijf had een bed nodig, plus eerste hulp. Ik vroeg mijn broer een ambulance te bellen.

Zeven minuten wachten. Je ziet aan de gezichten van de ambulancebroeders dat er iets niet helemaal goed is. Ze beplakken je met elektroden en komen dan met het nieuws dat je een hartinfarct hebt. Je vraagt of je dood gaat en zij zeggen van nee. De trappen in mijn huis zijn te steil voor de brancard, ik loop zelf naar beneden. Buren kijken achter de ramen naar hoe je wordt vastgesjord op de brancard. Een sirene klinkt anders in een ambulance dan erbuiten. Gedempt. In het ziekenhuis vliegen de plafondlichten boven je langs, zoals in een B-film. Nadat je in de operatiekamer buiten levensgevaar bent gebracht, volgen weken van vergeefs wachten op een vervolgbehandeling. Eenmaal thuis leef je een half jaar als een oude man voordat je eindelijk wordt afbehandeld en kan gaan revalideren.

De verhouding van het aantal mensen rond je ziekbed in het ziekenhuis en het aantal dat jou thuis bezoekt is verbijsterend. Ze komen soms met tien tegelijk in het ziekenhuis en vragen hoe dat nou voelt, zo’n hartinfarct, zodat je urenlang moet bijslapen als ze eenmaal zijn vertrokken. Zit je eenmaal thuis, dan blijven ze weg. Kaalslag teistert je adressenboek. Het leven gaat te snel voor je en kennelijk ga jij te langzaam voor al die mensen, die het alsmaar zo druk hebben. Als het conflict dáárin ligt, dan moet dat de reden zijn dat de mensen niet komen opdagen. Het leven als een afvalrace, zoiets.

De geadviseerde griepprik die ik in oktober haalde, heeft me niet geholpen. Sterker: ik voel me grieperiger dan ooit. Maar dat mag geen naam hebben vergeleken bij zoiets als een hartinfarct. Enfin, dat was een jaar terug en ik zal het er vanaf nu niet meer over hebben. En over de mensen kun je misschien maar beter helemaal zwijgen.

Redacteuren

hat logo meneer b Ik begin een beetje genoeg te krijgen van die redacteuren. Nou waren ze vroeger al niet helemaal in orde, gemankeerde schrijvers in de meeste gevallen, maar enig respect wisten ze nog wel te tonen. Ik denk niet dat ze wisten wat het schrijven van een boek, of ook maar een verhaal, inhield. Maar ze hadden althans een vermoeden. De huidige generatie redacteuren lijkt totaal geen weet te hebben van wat het is een boek te schrijven. Het lijken wel bloggers van het soort dat denkt dat je in twee weken een roman in elkaar flanst. Wat ze goed kunnen: ideeën lanceren. Eén ideetje flits door hun hoofd en ze wanen zich een genie. Ze schreeuwen het van de kansel, brengen allerlei geschut in stelling en dan moet het gaan gebeuren. Hun idee moet vorm krijgen. Hoe? Met de hulp van schrijvers. Ooit stonden die in aanzien, zij staan immers aan de basis van een enorme keten. Zonder schrijvers géén boeken, géén drukkers, géén boekhandel, géén lezers, géén omzet, géén geld. Op één of andere manier zijn redacteuren het in hun hoofd gaan halen dat zij nu aan de basis staan. Waar ze het idee vandaan halen is een raadsel dat uiteraard naar de uitgevers voert. De uitgever, als speculant op de beurs, ziet alleen nog zijn redacteur en houdt hem voor een schrijver. De redacteur, blij om alle lof die hem toevalt, behandelt zijn schrijvers als voetvolk. Alleen slechte schrijvers laten zich geselen en doen wat van hun gevraagd wordt.

Nieuwjaarsdag anno 4704

hat logo meneer b Ik had geloof ik beter op oudejaarsdag mijn racefiets schoon kunnen maken, gisteren dus. Chinezen maken namelijk op oudejaarsdag hun huis schoon. Wat ze op nieuwjaarsdag doen kun je wel raden. Ze zullen ongetwijfeld heel veel eten van de niangao, de nieuwjaarscake. De kids die ik gisteren achter aan de processie zag – ze stonden zo’n beetje in conclaaf over de verder te volgen procedure – vond ik nogal fors uitgevallen. Meisjes en jongens van rond de 20, en dan al van die enorme babi-konten en -smoeltjes. Ik zou ze eerder op de racefiets zetten dan naar de kung fu-schuur sturen achter het een of andere vieze restaurant. Een jaartje flink fietsen en ze kunnen op de catwalk. Ik heb nog nooit een Chinees op een racefiets gezien, maar ik moet zeggen dat mijn rennersjaren ver achter me liggen. De fiets die ik vandaag schoon maakte, is uit 1991. Italiaans stalen frame met Campagnolo onderdelen, daar rijdt geen hond meer op. Het merk is van de vader van Ivan Basso, die ooit een goede sprinter was. Ik kocht de fiets van het geld van een literaire prijs, ik denk dat ie nu slechts 100 euro oplevert. Vijf jaar terug heb ik er nog 500 kilometer op gereden, maar ben toen aan vechtkunst gaan doen. Vechtkunst en wielrennen gaan niet samen. Ziet u Lance Armstrong al van zijn fiets klimmen en een kata uitvoeren? Dat is zoiets als Marilyn Monroe op gummilaarzen de ploem-ploem-jenka zien dansen. Vergeef me dit anachronisme. Ik ben overigens nog niet klaar met het schoonmaken van mijn fiets. De waarheid wil dat dat ding zo smerig was, dat ik er vandaag alleen de stofzuiger overheen heb gehaald. Ik heb me in moeten houden. Anders zou ik, volgens de Chinezen, mijn geluk hebben weggepoetst. Morgen ga ik mijn geluk oppoetsen.

Chinees nieuwjaar knort me tegemoet

hat logo meneer b Ik had een halve afspraak in de stad met de ex-hoofdredacteur van een krant, maar versliep me grandioos vandaag. Ik zag een gemiste oproep op mijn mobiel, belde de man op, sprak wat in zijn voicemail en at een boterham met aardbeienjam. Die aardbeienjam is bedoeld als afwisseling op de kersenjam die ik bij elk ontbijt tot mij neem. Ik ben overigens een poosje aan de gemberjam geweest, maar toen rookte ik nog. Ik vind gemberjam echt iets voor rokers. Kersenjam vind ik iets voor dames, maar op één of andere manier past het ook wel bij een schrijver. Ik hoop dat u begrijpt wat ik bedoel. Is dat niet het geval, wéét dan dat ik zelf ook niet helemaal weet wat ik nou precies bedoel.

De dag was ook wel eigenaardig. Ik had het gevoel naar de stad te moeten vanwege die halve afspraak en besloot om dan maar de Chinese nieuwjaarsviering bij te wonen. Mijn zoon, gekluisterd aan zijn pc, wilde niet mee. Eenmaal buiten besloot ik om een grote omweg te maken, zodat ik, eenmaal in de stad gekomen, het einde van de Chinese optocht zou zien. Ik houd namelijk erg van achteraan lopen, ik weet niet waarom, maar als jongen liep ik tijdens schoolreisjes en zo meer graag achteraan.

Het was erg rustig aan de boulevard, misschien bevindt een kwart van Nederland zich in de Europese sneeuwgebieden terwijl een tweede kwart wat rondhangt in goedkope Afrikaanse toeristenoorden en de rest met griep ligt? Ik besloot langs de Scheveningse gevangenis naar de stad terug te fietsen en zag in een flits Helga Ruebsamen, die aan de verkeerde kant van de weg fietste. De laatste keer dat ik haar zag was rond 1990, Margaretha Ferguson leefde toen nog en Helga Ruebsamen reed in een oude Mercedes rond. Nu reed ze op een fiets, zwaar opgemaakt, ze lachte een beetje schaapachtig maar ik zal wel ernstig hebben gekeken, want fietsen is ernst. Ik bedoel: als ik fiets, dan fiets ik en dan ga ik niet uitgebreid naar passerende collega’s zwaaien. Schrijvers onder elkaar is toch al een ramp, een enkele uitzondering daargelaten.

Ik hing zo’n beetje achter een jong wezen op een mountainbike en kon niet uitmaken of het een meisje of een jongen was. Achter me hoorde ik iemand in mijn wiel puffen, al fietste ik niet hard. Mijn zoon zou later zeggen dat vandaag iedereen duf was. Zeker suf geblaft in het voorbije Hondenjaar.

De weg was lang, werkelijk, het Haagse Bos doemde akelig kaal op, de Laan van Nieuw-Oost-Indië was desolaat als de hel, alsof de Engelsen dat gebied zijn blijven bombarderen sinds de Tweede Wereldoorlog. Ik kocht een risolles bij mijn vroegere favoriete toko, die inmiddels van naam is veranderd, en fietste naar mijn oude wijk achter het CS, momenteel nauwelijks bereikbaar vanwege allerlei nieuwbouwactiviteiten, een soort speeltuin voor gewetenloze projectontwikkelaars en hardvochtige architecten.

Op de hoek van mijn oude straat at ik mijn risolles, gezeten op de bagagedrager van mijn trouwe fiets. Verderop stond een huurwoning aangeboden, waarvoor ik hoge ogen zou kunnen scoren en die ik nu wilde gaan bekijken. Maar zodra ik mijn oude straat in fietste vroeg ik me af: moet een mens ooit teruggaan naar waar hij vandaan kwam? Je gaat toch ook niet terug naar een ex-geliefde? De woning bleek onzichtbaar ook nog, want het hele portiek ging schuil achter een ondoorzichtige plastic bouwzeil, alsof er een week eerder een bomaanslag was gepleegd of er tenminste een kakkerlakkenplaag is bestreden.

De wijk was ooit de enige stationsbuurt die níet was verpauperd, maar toen woonden er nog schrijvers als ik. De wijk was ook ooit één van de moeilijkst bereikbare van de stad, nu waarschijnlijk van het hele land. Zelfs op de fiets kon ik het gebied niet aan de kant van het station verlaten. Ik moest hem aan de hand nemen. Ik ontmoette troosteloze gezichten in een grimasserende stationshal. Toen klonk het geweld van de Chinese optocht uit de stad, ik sprong op mijn zadel en ging er op af. Bij de Markthof zag ik nog net de staart van de stoet het Spui oversteken naar het plein.

Ik denk dat het de staart van de Hond was, het voorbije jaar. Vandaag is immers oudjaar en morgen nieuwjaar: het jaar van het Varken. Waarom wordt het niet om middernacht gevierd? Omdat dan de christenen en de moslims willen slapen? Ik had trouwens een Hondenjaar, na een nog verschrikkelijker Hanenjaar. Mag ik nu varkentjes gaan wassen?

Vanwaar geen commentaar?

logo alfred birney Er wordt me wel eens gevraagd waarom de commentaren standaard uit staan op dit weblog. Een van de redenen is dat ik geen tijd heb om te reageren. Commentaren kunnen versnipperend werken, mensen gaan snel off topic en voor je het weet zit je in een discussie die een ander is begonnen. Veel weblogs zijn open, maar dat is geen wet van Meden en Perzen. Het weblog van Meneer B. is slechts een onderdeel van deze website. De statische informatiepagina’s zijn het belangrijkst. De columns vormen een archief als service aan mijn lezers, net als enkele vertaalde verhalen, en de rest is spielerei.

Ooit had ik de commentaren open. Een berekening leerde me dat ik dagelijks gemiddeld twee uur bezig was aan louter reageren op reacties. En dan heb ik het nog over de “goede tijd” toen weblogs nog niet werden bestookt door spamrobots. Ook reken ik de e-mails niet mee die je in vele categorieën zou kunnen opdelen, zoals verzoeken die je aan een bibliotheek dient te richten. Zelfs met de commentaren standaard uit slipt er nog wel eens spam doorheen, ondanks de zeer krachtige antispamfilter (Spam Karma) die meedraait.

Zet ik de commentaren standaard open, dan ontvang ik gemiddeld 100 spammails per dag van louter spamrobots. Die laten adressen in hun commentaren achter die mijn bezoekers naar malafide websites kunnen lokken. Op die manier loopt mijn website het gevaar te worden blacklisted. Kijk ik tien dagen niet naar mijn website om, dan moet ik handmatig 1000 spammails deleten. Ik ontvang soms zelfs spammails die van mijn eigen adres vandaan lijken te komen. Dat betekent dat ook anderen die zelfde spam krijgen en denken dat mijn website die troep verstuurt.

Sinds 2000 ben ik actief op het internet, af en aan. Mijn core bizz blijft schrijven, ongeacht mijn publicatieritme. En schrijven kost veel meer tijd en moeite dan een weblog bijhouden. Was ik een pro-blogger, dan zou ik mijn commentaarmicrofoon 24/7 open hebben gehouden.