Wanneer ik mijn moeder een vraag stel, krijg ik geen antwoord maar een probleem. Ik was dat even vergeten toen ik haar belde met de vraag of haar grootvader uit Brabant of België afkomstig was. Ze antwoordde dat ze haar grootvader nooit had gekend en dat haar eigen vader zijn vader ook nooit had gekend. Okay, maar waar kwam die man, haar grootvader, nou vandaan: uit Brabant of uit België? Nou, het was zo dat haar vader had verteld dat zijn vader uit Oerle afkomstig was. Want zij, mijn moeder, had hem eens gevraagd waar de naam Van Kerkoerle nou eigenlijk vandaan kwam. Volgens haar vader kwam die naam uit het plaatsje Oerle, waar een kerk stond. Okay, maar waar lag dan dat Oerle? Er ligt namelijk een Oerle in België én een Oerle in Nederland. Nou, haar vader zei altijd dat zijn vader uit België kwam. Okay, maar hij had zijn vader toch nooit gekend? Ja, maar toen de man op sterven lag heeft hij hem laten roepen om excuses aan te bieden voor de harteloosheid waarmee hij zijn zoon links had laten liggen en dat was in Oerle te Noord-Brabant. Okay, maar waar was hij nou geboren? Oerle in België is de Nederlandse benaming van Oreye. Het ligt niet voor de hand dat daar een zekere harteloze meneer met de Nederlandstalige naam Van Kerkoerle vandaan kwam, lijkt mij. Tenzij de plaats vroeger Nederlandstalig was. Dus, mam, weet je echt heel zeker dat jouw vader geen grapje maakte wanneer hij zijn hartleloze vader een Belg noemde? Stroomt er Belgisch bloed door mijn aderen of alleen maar Schots, Madoerees, Nederlands en Chinees bloed? Ik vind vier wat vierkant, mam. Vijf klinkt een stuk beter, de Chinese toonladder heeft namelijk vijf noten mam. Ik zou gaarne een pentatoniër zijn, snap je?
Maandelijks archief: March 2007
Neem de tijd
Als je meewerkt aan een speciale uitgave, onverschillig boek of tijdschrift, dan vraagt men je altijd een minibio te schrijven. Ik vind dat wat armoedig, bijna typisch Hollands, je maakt dit niet snel mee in andere landen, waar redacteuren het een eer vinden om de schrijvers van hun keuze helemaal zelf te mogen portretteren. Waarschijnlijk hebben de redacteuren hier bij ons geen tijd, zoals uitgevers nooit tijd hebben en lezers ook al niet en er niemand lijkt te zijn die gewoon even de tijd neemt. Want tijd moet je nemen, dacht ik zo. Neem de tijd. Dat hoorde je vroeger veel in winkels uit de monden van verkopers komen, wanneer je er rondscharrelde. Neem de tijd. Prachtige zin, zit heel veel in. Ik neem ook echt de tijd om een artikel te schrijven wanneer mij er om gevraagd wordt. Heb ik geen tijd, dan zeg ik: nee, sorry, ik heb geen tijd. Ik zou natuurlijk moeten zeggen: nee, sorry, ik heb geen zin om de tijd te nemen. Maar ja, dan heb je een probleem, want dan hoor je aan de andere kant van de eh… lijn?… dat je toch wel even de tijd kunt nemen? Goed, ik heb inmiddels ruimschoots de tijd genomen om iets over mijn moeder te gaan vertellen, maar ik zit al weer bijna aan mijn geliefde lengte van 250 woorden, dus ik laat het hier maar bij. Niet dat ik geen tijd heb, maar ik vind het wel best zo. Het is wel best zo.
Dood aan de deadline!
Ik had een amusant log willen schrijven maar ben gaan slapen. Het leek me namelijk weer eens geweldig te ervaren om vóór de schemering in slaap te vallen. Ik kan helaas geen verslag uitbrengen van hoe die ervaring was, slapen lijkt misschien te veel op sterven. Ik heb liefst twee uur op de sofa liggen maffen, terwijl ik het idee had eigenlijk uit verveling te zijn gaan liggen. Het was koud, ik had vroeg gedineerd, had veel heen en weer gefietst in de stad voor allerlei boodschappen die ik zelden pleeg te doen, en nu grijnsde mijn laptop mij toe. Amusant stuk doen? Mwah. Morgen maar. Ik moet een artikel nog omwerken… Dát moet mij naar de sofa hebben gejaagd. Het is namelijk een nogal ingewikkeld stuk tekst geworden. De opdracht was iets over Indische schrijfsters te schrijven. Ik had geen zin om op Augusta de Wit te gaan schelden of om Carry van Bruggen met Marguerite Duras te gaan vergelijken en over Dé-lilah heb ik al eens een essay geschreven. Nou had ik wel een brief in handen van de vrouw van Busken Huet aan Sophie Potgieter, waarin ze roddelt over mijn overgrootmoeder, en dat leek de redactie wel interessant. Motto: er is geen hond die zich aan de opdracht houdt, dus waarom zou jij het doen? Amen. Ik verzon een triptiek in miniatuur (schrijfster, overgrootvader, overgrootmoeder), maar ze zagen het niet. Ze wilden het rond. ROND. A B C A. Wat iedereen doet, dát willen ze. Is mijn eigen schuld. Ten eerste opende ik het stuk over Dé-lilah. Dus willen ze er nu een real quote bij uit een van haar boeken (die in een kluis liggen bij het KITLV). Ten tweede ging het verhaal nu toch te veel over mijn overgrootvader. Ja joh, denk maar niet dat je dat manvolk uit de Kolonie weg kunt schrijven wanneer je over het andere geslacht spreekt. Ten derde had ik de deadline niet voor moeten willen zijn. Ik was veel en veel te vroeg. Deadlines zijn er om overschreden te worden. Dan hebben ze geen tijd meer voor verzoekjes. Die komen toch alleen maar voort uit de onvoldane drang eens zelf iets fatsoenlijks op papier te zetten.
Vreemde dag
Gisteren was vreemd. Was het de wind? Ik fietste in een rechte lijn naar de zee, er stond geen maat op de windrichting. Rukwinden uit onverwachte richtingen deden me soms slingeren, terwijl auto’s hard voorbij stoven. Automobilisten lijken altijd haast te hebben met harde wind en regen, wat nogal ongerijmd is, je zit immers droog in zo’n blik op wielen. Ik ben geen autohater meer, wél vind ik het buitengewoon dom dat er mensen zijn die zomaar in zo’n ding stappen om zomaar een eindje te gaan rijden en zomaar dat ding met de neus in de richting van de zee zetten om zomaar een poosje dom naar de hoge golven te kijken zonder ook maar even dat koekblik te verlaten. Waarom blijven ze niet thuis en kijken ze niet via een webcam naar de zee? Zelfde resultaat, met bijkomend voordeel van de koelkast binnen handbereik. Maar daar wou ik het niet over hebben. Gisteren kon ik niet schrijven, ik kreeg geen zin uit mijn pen. Gitaarspelen ging ook al niet. Ik was bij vrienden en kennissen en wilde ze een luitstuk laten horen uit de renaissance, maar ik was de noten helemaal kwijt, terwijl ik dat stuk al enkele jaren kon dromen. Misschien kwam het doordat we onverwachts van locatie A naar B moesten verhuizen, toen bleek dat de butagasfles leeg was waarmee onze Roemeense gastheer zijn maaltijden bereidt. Hij had geen reserve butagasfles, zoals Ome Willem die vroeger altijd had. Ik zou over Ome Willem moeten gaan schrijven.
Een wereldkampioen vloog voorbij
Het werd weer eens tijd om op de fiets te stappen na een buikgriep die kennelijk veel mensen te grazen heeft genomen en misschien een gevolg is van de angstwekkende klimatologische veranderingen, die onze kinderen later grote problemen zullen bezorgen. De lente is te vroeg, er was geen winter die slapende insecten doodvroor en voor de zomer wordt een wespeninvasie verwacht. De dag was zuurstofrijk, ik begon sloom, dook even in het wiel van een flinke Hollandse meid met een parfum dat heerlijk rook. Ze hield me goed uit de wind maar werd wat nerveus van zo’n meneer achter zich. Ze deed alsof ze iets in haar jaszak zocht zodat ze vaart kon minderen en toen ben ik maar afgeslagen. Onderweg naar de Watertoren moest ik in slalom tussen dranghekken door. Het begon me te dagen dat de City-Pier-City Loop werd gehouden. Ik had geen idee waar de atleten en trimmers zich bevonden, totdat ik bij de haven kwam en wegwijzers mopperende automobilisten buiten het parcours zag houden. Eén zei tegen me dat de eerste lopers binnen enkele minuten werden verwacht. Ik ging bij een groepje jolige Scheveningers staan kijken en zag de eerste atleet op ons af komen. Hij liep niet, rende niet, nee: hij vloog. Het duurde meer dan een minuut voordat een paar van zijn Keniase makkers voorbijkwamen. Zij zweefden, wat lager boven het asfalt dus. Later kwamen de duizenden trimmers, van wie de langzaamste nog altijd te snel voor mij zou zijn. In de avond las ik dat de atleet die vloog Samuel Wanjiru heet, 20 jaar is en zijn eigen wereldrecord heeft gebroken. Ik word oud. Als ik al iets heb te breken, dan zijn het mijn botten.