Wie in zijn familiegeschiedenis duikt, komt vroeg of laat wel ergens een wapenschild of beroemdheid tegen. Op een dag keek ik terug op wat ik geschreven had en welke familieleden model in mijn romans hadden gestaan. Dat waren mijn vader en mijn grootmoeder. Er restte nog één figuur die ik moest ontdekken langs de Indische lijn in mijn familie: mijn overgrootmoeder. Onderzoek plegen hoefde niet, gegevens over haar werden me mettertijd ongevraagd aangereikt door historici en literatuurwetenschappers die mijn schrijverspad kruisten en verdwenen ongelezen in mijn lade. Die hoefde ik slechts open te trekken toen ik aan een novelle begon te werken en haar – dit klinkt oneerbiedig – als bijfiguur nodig had. Rabina heette ze, geboren ergens op Oost-Java, zonder achternaam. Niet direct iemand die je in de negentiende eeuw ergens in Overijssel zou tegenkomen, dacht ik. En zo dachten indertijd Anne Busken Huet en Sophie Potgieter ook. Anne was de vrouw van de schrijver, criticus en journalist Conrad Busken Huet, die zijn heil in Batavia was gaan zoeken. Sophie was de zuster van E. J. Potgieter, mede oprichter van het tijdschrift waar u nu in leest: De Gids…
Zo begint mijn bijdrage van bijna 5.000 woorden aan het jongste nummer van De Gids, dat met zijn leeftijd van 170 jaar het oudste culturele tijdschrift van Europa is en misschien wel van de hele wereld. Toen het werd opgericht, leefde mijn overgrootmoeder nog niet, die rond 1880 als een der eerste Oost-Javaanse vrouwen in Nederland kwam wonen en er, dat begrijpt u, niet bijster warm werd onthaald. Nu mag zij als historisch figuur De Gids van mei 2007 openen, en zo richt ik dan een standbeeld voor haar op.
Het themanummer van De Gids heet Indische schrijfsters. Mijn, zeer impliciete, kritiek op deze Indische schrijfsters is dat zij nooit een Javaanse in Nederland hebben beschreven. Ze kwamen niet verder dan Indo-Europese vrouwen, wat enerzijds nogal voor de hand liggend was maar anderzijds toch ook weer niet getuigde van een progressieve blik.
Zoals gewoonlijk in het huidig tijdsgewricht houdt bijna geen hond zich precies aan zijn of haar opdracht en zo vliegt het ook in deze Gids, met instemming van de redactie uiteraard, zo’n beetje alle kanten op met onder meer Basha Faber, Henk Mak van Dijk, Greddy Huisman, Arjen Mulder, Frank Okker, Anneloes Timmerije en Vilan van de Loo. Ik vind de cover wat smakeloos met een lezende Madelon Székely-Lulofs naast een door haarzelf zelfgeschoten krokodil. Maar goed, met palmbomen, vulkanen, batik en wajangfiguren kun je onderhand toch ook niet meer aankomen.
De Gids is verkrijgbaar bij de betere boekhandels in Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Baarn, Bergen, Bilthoven, Boxtel, Brugge (B.), Den Bosch, Den Haag, Dronten, Eindhoven, Gorinchem, Groningen, Haarlem, Hilversum, Hoofddorp, Krimpen a/d IJssel, Laren, Leiden, Maastricht, Makkum, Middelburg, Naarden, Nijmegen, Nootdorp, Oss, Papendrecht, Ridderkerk, Roermond, Rotterdam, Tilburg, Turnhout (B.), Utrecht, Velp, Venlo, Voorburg, Winterswijk, Zeist en Zutphen.
Zo begon een hit in de jaren vijftig. Een halve eeuw later kopt de een of andere internetkrant: Beetje koffie al schadelijk voor hartpatiënt. Dat had ik, met mijn helderziende blik, natuurlijk al lang voorzien. Vanaf de dag van mijn hartaanval – wat een geweldige ervaring was dat toch, ik kan het u écht aanraden – heb ik geen druppel koffie meer aangeraakt. Ik vreesde namelijk dat de lust voor koffie die voor nicotine zou opwekken, dus ik zwoer die hele zooi maar af. Pekingeend at ik ook niet meer, ik maakte nooit meer mijn beroemde kipkluifjes voor mijn zoon en ging over op het eten van konijnenvoer, die je tegenwoordig in allerlei gekleurde krulvariëteiten kunt kopen, nogal idioot, maar goed: de mens verveelt zich snel. Verder uiteraard vette vis: zalm, makreel, haring en tonijn. Die tonijn kan mijn rug op, ik doe het met die andere drie. Maar er klinken al weer geluiden dat die vette vis ook al helemaal niks is. Benieuwd wat het straks gaat worden. Meelwormen? Sprinkhanen? Spinnen? Brandnetelsoep? Rijstebrij met rozijnen? Inmiddels is uit onderzoek aan het Radboud Ziekenhuis (van twijfelachtige reputatie) gebleken dat twee tot vier kopjes koffie per dag al slecht kunnen zijn voor patiënten met angina pectoris. Een promovendus heeft bewezen (for what it’s worth) dat een kleine hoeveelheid cafeïne al voldoende is om een bepaald proces in het lichaam stil te leggen. Het proces in kwestie beperkt de schade en omvang van een hartinfarct. Het menselijk lichaam maakt adenosine aan. Die stof zorgt voor verwijding van de bloedvaten zodra het hart te weinig zuurstof krijgt. Dat heet: preconditionering. Cafeïne blijkt deze beschermende preconditionering helemaal uit te schakelen. Cafeïne zit niet alleen in koffie, maar ook onder andere in cola, thee en energiedrankjes. Laat dat nou net de drie dranken zijn die ik dagelijks tot me neem. Er is één troost: de inzichten van vandaag worden morgen weer net zo makkelijk ontkracht. Zelfs niet roken heeft totaal geen zin als je erfelijk belast bent. Tenslotte loopt iedere levende in gelijke mate kans om vroeg of laat te sterven. Dit is géén open deur. Simon Vestdijk beweerde eens in één van zijn briljante essays dat geen mens werkelijk gelooft ooit te zullen sterven. Sterven is iets dat anderen overkomt, niet jou. Denk daar maar eens een uurtje over na. Benen op de vensterbank, teevee uit, muziek uit, uurtje nadenken. Okay, flesje mineraalwater erbij.