Oorlog houdt niet op wanneer ergens de vrede wordt getekend. De herinnering blijft getroffenen voor de rest van hun leven achtervolgen, dat is bekend. Minder bekend is het relaas van hun kinderen. Ouders met een oorlogsverleden kunnen een gedrag vertonen of gewoonten ontwikkelen met verregaande, vaak desastreuze gevolgen voor hun kinderen. Dat is het uitgangspunt van Theodor Holmans jongste roman Tjon.
De gelijknamige held is een jongen van 12. We volgen zijn geschiedenis tot zijn 14e jaar, maar zien hem nauwelijks groter en volwassener worden, eerder kleiner en kinderlijker. Het boek is geschreven in de van Theodor Holman bekende hilarische schrijfstijl, wat de lectuur snel, licht en soms buitengewoon amusant maakt maar toch nergens de diepe tragiek wegneemt die het gezin achtervolgt vanaf de Japanse bezetting in Nederlands-Indië tot het burgerleven in Amsterdam.
Bijzonder, als een statement bijna, is dat de ervaringen van de ouders in de Japanse kampen tijdens WO-II via hun zonen tot ons komen. De ouders hebben een heden, hun zonen een verleden. De verhalen worden, verwrongen en vol verzinsels, doorgegeven via Joost, de vier jaar oudere broer van Tjon. Joost heeft een voorsprong in kennis ten opzichte van Tjon, maar is al zo verknipt in zijn gedrag dat hij zijn broertje bijna alleen maar kan pesten met de gruwelijke verhalen die hij van zijn ouders kent. De vader zit dan al in een inrichting, terwijl de moeder vruchteloos probeert de ontwikkeling van haar telgen te sturen. Ze is een liefhebbende maar tegelijk onbereikbare moeder in de beleving van Tjon, door wiens ogen wij het hele verhaal volgen.
Het speelt in de jaren zestig ten tijde van The Beatles en The Rolling Stones. De cultuur die tussen beide Indische broers heerst – de manier van met elkaar omgaan, de onderlinge codes, manipulaties, chantages en overlevingsstrategieën – is levensecht neergezet. Theodor Holman is van huis uit journalist, columnist en scenarioschrijver en dat kun je zien aan de korte hoofdstukken en de veelheid aan dialogen. Wie het boek leest zou gemakkelijk kunnen denken: dat kan ik ook. Vergeet het. Deze schrijver heeft een buitengewone subtiele manier van vertellen, met bijna muzikale herhalingen, een uitstekende timing en veel gevoel voor drama. Hij is een vakman die precies weet wat hij doet, zoals ook zijn held Tjon precies weet wat hij doet wanneer hij in de tuin zijn eigen “Jappenkamp” bouwt en er met zijn schoolvriendjes scenario’s probeert te bedenken om wraak te kunnen nemen op “de vijand”, die zijn vader uiteindelijk ten onder heeft doen gaan.
Tjons puberteit breekt aan en Theodor Holman voert Truusje op als onbereikbare liefde, die zich in rap tempo tot een aantrekkelijke jonge vrouw ontwikkelt. Tjons eerste feestje, bij Truusje, schitterend beschreven, loopt ellendig af voor de jongen, die inmiddels psychisch werkelijk ziek begint te worden. Broer Joost zit intussen om min of meer onduidelijke redenen voor 3 maanden in de gevangenis en het is juist bij afwezigheid van zijn grootste treiterkous dat het voor Tjon werkelijk mis zal gaan. Tjons moeder heeft kennis gekregen aan een andere man, in wie Tjon, hunkerend naar zijn moeder, een vijand ziet. De jongen komt terecht bij een psychiater, ontwikkelt militaristische waanideeën en treedt regelmatig in dialoog met zijn overleden vader. Hoe ellendig alles ook is, Tjon heeft een toekomst, een ideaal, en dat is een medaille krijgen van de koningin. De oorlogsgekte is zijn kop niet meer uit te krijgen, al slaat hij die zelf nog zo hard tegen de muur. Ik ga niet vertellen hoe het verhaal afloopt. Ga het boek zelf maar lezen. Anders mis je een absoluut hoogtepunt in de literatuur van de naoorlogse Indische generatie.
Eerder gepubliceerd in: Indisch Anders, 2e jrg. – nr 01 – april 2007

De handen van de man. De verraderlijk dunne vingers. Anders dan knuisten, eeltig en rond, de knuisten van een flinke bokser. Die kunnen iets liefs hebben, iets vaderlijks. Maar niet die pezige pantomimestokken, de harde botten van de dood onder een dunne elektrische huid. Ze hebben ooit gestreeld. Hebben ze ooit gestreeld? Zeker is dat ze hebben geslagen, geknepen, geduwd. Ze hebben een vermoeide vrouw weggeduwd, uit bed, herhaalde malen. Er waren van die avonden waarop ze de slaap niet konden vatten, door angstaanjagende geluiden die uit de slaapkamer kwamen. Gekerm, gevloek, gehuil. Dierlijk gebrul. Een bonk, een nachtkastje dat omvalt. Geschreeuw. De deur die opengaat, verwijten, bedreigingen. Deur wordt hard dichtgeslagen. Plotselinge stilte, intens. Dan geruis op de gang. Nu is het hun slaapkamerdeur die opengaat. De schrik slaat ze om het hart als ze hun wanhopige moeder zien binnenkomen. Ze heeft haar eigen hoofdkussen meegenomen. Zus ligt helemaal alleen in haar eigen kamer, moeten we haar niet gaan halen? Nee, laat haar slapen, ze is nog te jong, ze hoeft het niet te weten. Hoort ze dan niets? Nee, ze hoort niets. Pas veel later komen ze erachter dat ze zich slapende heeft gehouden. Die talloze keren. Verstijfde slaap, soort schijndood met behoud van bewustzijn. De jongens schamen zich, hadden haar moeten halen. Durf jij dan de gang over? Nee, jij dan? Nee. Nou dan. Zo ging het. Zij ligt daar ademloos alleen, terwijl bij hen in de slaapkamer het soms zelfs heimelijk gezellig is als moeder bij ze komt liggen. Ze loten erom wie er op de vloer slaapt, ze lachen, maar vaak horen ze in hun schijnslaap hun moeder zachtjes snikken en gaan ze ‘s morgens bezwaard, verzwaard, naar school, ze weten niet hoe snel ze na schooltijd thuis moeten komen, fietsen zich de longen uit het lijf, ze zal toch niet dood in huis liggen nu? Nee, maar op een dag vindt moeder een mes onder Joshua’s kussen. Zijn geheim, hij zal die bruut vandaag of morgen hartstikke kapot steken als hij nog één keer aan d’r komt!
Men zegt van schrijvers die net een boek af hebben dat ze in een gat vallen. Dat gat kan vele vormen aannemen. Het ergst lijkt mij een bodemloze put. Als je daarin valt, dan blijf je namelijk vallen. Ik herinner me momenteel maar één gat. Na de voltooiing van mijn tweede manuscript hing ik negen weken lang elke avond in de kroeg rond. Of was het na publicatie van mijn tweede boek? Zo te zien maakt mijn geheugen weinig onderscheid tussen het één of het ander. Ik had mezelf als deadline gesteld 18 februari, wanneer het Chinese jaar van het Zwijn begon. Maar ik was een maand te vroeg. Wanneer is een boek af trouwens? Toen twee van mijn romans in een speciale editie werden gebundeld, heb ik nog zitten krassen in de originele drukken. Ik kan niet zeggen dat er momenteel een vers manuscript naast me ligt, want er ligt helemaal niks. Het staat op de harde schijf van mijn laptop en uit voorzorg heb ik ook een kopie naar de server van mijn host gestuurd. Dit vanwege het enorme verlies dat ik lijd door een domme fout met een herinstallatie van mijn systeem. Er gaat nauwelijks een dag voorbij of ik zoek weer iets dat voorgoed uit mijn laptop verdwenen is. Vandaag zijn dat de financiële gegevens over de afgelopen twee jaar, die mijn boekhouder nodig heeft. Het is jammer dat ik ’s nachts leef, want ik krijg opeens een enorme zin in stofzuigen. Ramen zemen…