Archipel Magazine herfst

Rudy Kousbroek is terug in Archipel Magazine en trekt maar weer eens van leer in dat eeuwige ouwehoerdebat over de internering van Nederlandse onderdanen tijdens de oorlog in Indonesië. Om zijn woorden kracht bij te zetten haalt hij helaas Fred Lanzing aan, van wie onlangs een infantiel boek is verschenen dat ons moet doen geloven dat het voor kinderen een feest was om in een “Jappenkamp” te zitten. Maar goed, ze zitten bij dezelfde uitgever en uitgevers zijn slaven van de boekhandel en de boekhandel laat zich verkrachten op de beursvloer. Overigens heeft Kousbroek een hekel aan de term “Jappenkamp”. Ikzelf ook. Hij is ouderwets lekker in vorm en al kent de strijd tussen hem en Jeroen Brouwers een remise, hij heeft zat andere tegenstanders om lekker af te seycken (in Kousbroeks vocabulaire heet dat uiteraard desavoueren).

De andere gifkikker, Frans Lopulalan, evenals Rudy Kousbroek geboren onder het teken Schorpioen in het jaar van de Slang, maar dan 24 jaar later, houdt zich ditmaal gedeisd met een ingetogen geschreven portret van een familielid. Te laat naar de mening van een abonnee, die met een woedende ingezonden brief zijn / haar abonnement opzegt. Dit naar aanleiding van Lopulalans stuk “Bokito” in het zomernummer van Archipel Magazine.

Voor Hans Vervoort is er één ding duidelijk: de Indonesiërs hebben besloten al het moois voor hun land voor zichzelf te houden. Hij schrijft dit naar aanleiding van het ontbreken van de Borobudur op de verkiezingslijst van de zeven wereldwonderen. Een half jaar geleden zijn door honderd miljoen internetstemmers de wereldwonderen gekozen, zoals de Chinese Muur, het Collosseum en de Taj Mahal. De Borobudur stond niet op de lijst van 21 wonderen waarop men kon stemmen. Volgt een aardige les in hedendaagse Indonesische geschiedenis van de schrijver.

Van mijzelf is opgenomen een verslag van een conferentie, die in de zomer werd georganiseerd door de SICA. Het is een beetje een vilein stuk, vind ik bij nader inzien, maar ja: wie zich serieus gaat bezighouden met de betrekkingen tussen Indonesië en Nederland, die komt geheid in de problemen. Ook ik dus, én Dare2Connect, op een mooie dag in juni. “Van oude gewoonten, de verwarring die niet voorbijgaat” heet mijn stuk. Toegegeven: deze zoveelste variant op Louis Couperus’ romantitel is niet bijster origineel, maar de lading wordt wel gedekt. Dat de mensen rond de organisatie alleraardigst waren, kon ik helaas niet laten meetellen.

Verder plaatst Archipel Magazine allerlei vraagtekens bij het gedoe rond het Indisch Huis, waar onderhand minstens een boekwerk aan gewijd zou moeten worden, wil de doorsnee lezer überhaupt snappen waar het allemaal over gaat. Ten slotte biedt het herfstnummer veel op gebied van reizen door Indonesië, Indonesische cinema, jongerencultuur en algemene geschiedenis. Ook zijn er informatieve museumpagina’s aan toegevoegd. Click hier voor het nemen van een abonnement of het aanvragen van een proefnummer. Of hol naar een goede boekwinkel of kiosk.

De schuldige patiënt

hat logo meneer b Ik was niet vooruit te branden gisteren. Om mijn tijd toch zo nuttig mogelijk te besteden belde ik een ex-vriendin van mijn zieke vriend en vroeg haar of ze zin had om nog eens voor die jongen te koken. ‘Ja natuurlijk,’ zei ze: ‘dat hadden we toch afgesproken?’ Ik maakte haar duidelijk dat die Hollandse afspraakcultuur, waar wij zo aan gewend zijn (ik mail wel wanneer ik schrijf wanneer ik bel voor een afspraak), niet de snelheid heeft waarmee de kanker voortwoekert in het lijf van haar ex-geliefde. ‘Ja maar hij doet ook helemaal niks hè?’ zei ze. ‘Hij is zo zelfdestructief, hij doet helemaal niks hè?’ Ik probeerde haar duidelijk te maken dat iemand met een ernstige vorm van kanker helemaal de energie niet heeft om ook maar íets te proberen. Het leek er even op dat ze het begon te begrijpen. Maar toen zei ze: ‘Hij belt ook niet op hè, om wat te vragen.’ Dat kwam me bekend voor. Je komt een ziekenhuis uit, waar ze met autobussen naartoe kwamen om je te bezoeken, maar ben je eenmaal thuis dan gaan ze wachten tot je belt. Dat doe je dan een paar keer. De een zit net in een verhuizing, de ander heeft relatieproblemen, een derde wil wel afspreken voor over twee weken. Wat mensen die daadwerkelijk langskomen gemeen lijken te hebben is dat ze zelf ooit zware tijden hebben doorstaan. Ik heb die ex-vriendin uiteindelijk maar gezegd dat als ze nou echt nog een keertje iets aardigs voor haar ex wil doen – gewoon een keertje koken, een babbeltje, als het niet te veel is gevraagd – dat ze voort moet maken. Straks staat ze te grienen bij zijn kist. En dan zal ze hem nóg de schuld geven, omdat hij vergat te sms’en wanneer ie sterven zou.

De dood als goede vriend

hat logo meneer b Ik bracht gisteren de hele dag en avond door bij een vriend die niet lang meer te leven heeft. De kanker vreet hem van binnen op, aanvankelijk traag, maar de laatste dagen wordt het beest afschuwelijk gulzig. Het huist diep in zijn botten, die door al dat gewoeker zo worden misvormd dat zenuwbanen als het ware onder stroom worden gezet. Ik had ooit een hoge hernia, ik weet ongeveer het voelt. Het is alsof je kiespijn hebt in je lijf. Er is bijna geen houding die je kunt aannemen, waarin je je pijnloos kunt wanen. Bijna… Mijn vriend kon gisteren helemaal géén houding meer vinden. Er was een moment waarop ik dacht aan de slotscène uit One Flew Over The Cuckoos Nest (1975). De grote indiaan drukt uit medeleven en mededogen de held langdurig een kussen in zijn gezicht om hem zo te laten stikken. Zeg: een hardhandig soort euthanasie. Ook bedacht ik even dat als ik een revolver zou hebben gehad, ik hem wellicht de kogel had gegeven. Gelukkig knapte mijn vriend iets op na een overdosis van een of ander medicijn. Toen begonnen we grappen te maken over wat de beste manier van zelfmoord zou zijn. We kwamen overeen dat een handvol pillen nog altijd beschaafder is dan een touw om je nek, een pistool in je mond, doorgesneden slagaderen in een ligbad of een sprong van het balkon. Maar zonder gekheid; we wisten even niet hoe dat tegenwoordig zit met euthanasie hier in Nederland. De term palliatieve sedatie kenden we, maar wat dat nou precies inhield waren we vergeten. Nu weet ik het weer: men brengt de patiënt in een steeds diepere slaap, totdat de dood hem komt verlossen. Na wat ik gisteren heb gezien, een goede vriend die gek wordt van ondraaglijke pijnen, heeft de dood er een ander gezicht bij gekregen. Dat van een goede vriend.

Meelezen (2)

hat logo meneer b Ik heb Het dwaallicht (1946) van Elsschot ook maar herlezen. Er was weinig over van de magische bekoring van weleer. Ik herinner me dat ik vroeger bijna als een aap op de rug van de verteller had gezeten op zijn dwaaltocht door de havenstad. Nu bekeek ik de tekst met distantie. De tekst moest me weer opnieuw zien te veroveren. Ik ben onderhand zo’n verwende lezer, dat ik gemakkelijk iets beters uit de kast kan trekken. Maar ik lees nu mee met mijn zoon. Van Elsschot werd ooit gezegd dat zijn Nederlands vlekkeloos was. Nou valt dat wel mee. Maar hij schrijft wel fraaie zinnen soms, die ogenschijnlijk eenvoudig zijn neergepend maar waar waarschijnlijk lang over is nagedacht. Er zijn ook schrijvers die zinnen typen waaraan je kunt zien dat er flink aan is geschaafd. Dat idee krijg je bij Elsschot nergens. Het dwaallicht is een goed voorbeeld voor wie iets in de onvoltooid tegenwoordige tijd wil schrijven. In de meeste gevallen mislukt dat. In enkele gevallen krijg je iets heel goeds. Het dwaallicht heeft iets kleinburgerlijks en zuinigs, maar de betwijfelde Jezusfiguur in het geloof van de christelijke hoofdpersoon en het medelijden dat hij krijgt van de islamitische Afghaanse zeelui maken de novelle weer actueel. Het racisme van toen had overigens weinig consequenties. In de novelle kwamen de Afghanen maar even passagieren aan wal, op zoek naar een vrouw, om vervolgens te vertrekken. Nu blijven ze liever en krijgen ze niet alleen spot over zich, zoals weleer, maar haat.