Meelezen (1)

hat logo meneer b De boekenlijsten voor middelbare scholieren zijn om te huilen en lijken het niveau van de gemiddelde leerkracht weer te geven. Mijn zoon mag beginnen met dunne boeken, dus ik hielp hem met het uitkiezen van een paar novellen. Met De rat van Arras (1986) van Adriaan van Dis, Het dwaallicht (1946) van Willem Elsschot en Bint (1934) van F. Bordewijk heb ik allerlei miserabel werk buiten zijn leeslijst weten te houden. Uiteraard liggen die boeken al wekenlang te wachten, dus gisteravond gaf ik hem de opdracht de novelle van Adriaan van Dis in één uur uit te lezen. Mijn zoon keek me met grote ogen aan, maar klaarde de klus in 40 minuten. Omdat ik hem vragen over de novelle moet kunnen stellen, heb ik haar ook maar gelezen. Aardig geschreven, handig en met een goede timing, laagdrempelig maar niet platvloers en ook niet hinderlijk lichtvoetig. De novelle zit vol kruisverwijzingen naar Japanse kampen en moordpartijen in het zeventiende eeuwse Arras. De hoofdpersoon is trefzeker neergezet als getroebleerd wezen dat nooit de oorlog in Indonesië te boven is gekomen. De mooiste zin uit de novelle: ‘Ze meent dat je in Nederland meer begrip vindt voor een eerder leven in de zeventiende eeuw dan voor een verblijf in een Japans interneringskamp.’ Die is raak. Verder krijg je het idee dat de schrijver veel over astrologie weet. Totdat hij een uitglijder maakt bij huisnummer 47. ‘Vier plus zeven is elf, Neptunus.’ Fout. Dat moet Uranus zijn. Geen Neerlandicus die dat ziet natuurlijk.

Strijd der ego’s

strijd Gisteren rondde ik een verhaal af op 1200 woorden voor Archipel Magazine. Dus geen 1203 woorden, of 1198 of zoiets, nee: 1200. Ik ben erg overdreven in het tellen van woorden. Je wordt bij voortduring gedwongen steeds je tekst weer helemaal door te lezen. Je komt altijd wel iets tegen dat eruit kan, of bondiger kan worden geformuleerd. En anders betrap je jezelf wel op vaagheden. Het tellen van woorden moet snel en makkelijk gaan, reden waarom ik het schrijfpakket van Open Office nooit serieus ben gaan gebruiken. Nu eindelijk een dergelijke functie eenvoudig is ingebouwd, deugt de spellingchecker weer niet. Een spellingchecker is belangrijk voor wie in een taal schrijft met een spelling die door een stel idioten een aantal malen per eeuw overhoop wordt gegooid. Ik schrijf balkon nog steeds met een c. Jules Deelder schijnt sigaret nog met een c te schrijven. Spelling is voor apen zonder creatief vernuft. Maar daar wilde ik het helemaal niet over hebben. Ik wilde alleen maar zeggen dat het heel spannend is om voor Archipel Magazine te schrijven. Het tijdschrift dreigde al een paar keer te verzuipen in het geweld van gratis kranten en magazines, maar wist zich toch steeds overeind te houden. Het is treurig dat allerlei tijdschriften uit Indische hoek nooit tot samenwerking hebben kunnen komen. Eén groot blad, daar droomde ik van toen ik in 1998 per ongeluk een stap in die Indische wereld zette. Ik had nog geen idee van de kleinzieligheid in de strijd der ego’s.

Waar blijft de herfst?

hat logo meneer b Nou had ik vandaag mijn derdewereldcamera mee willen nemen toen ik op de fiets stapte, maar er speelde kennelijk te veel door mijn hoofd. Ik kan niet zeggen wat er allemaal speelde, het zal deels zeer interessant zijn geweest en deels volstrekt oninteressant. Kortom: zoals de dag was. Weinig wind, geen onaangename temperatuur, het verkeer rustig, om niet te zeggen beleefd, de automobilisten bijna bespottelijk hoffelijk. In de duinen zocht ik op een zeker punt naar een eekhoorn, die ik eerder in het voorjaar zag. Ik verwachtte niet dat het jonge knaagdier er nog zou rondhangen, de herinnering stuurde eenvoudig mijn verwachting, enfin, dat snapt u natuurlijk wel, u weet toch hoe het leven is, niet? Ik kan niet zeggen dat ik bijzonder veel zin had in fietsen, weinig zin had ik er ook niet in. Ik voelde me goed noch slecht, een bijzonderheid voor een luimig persoon als ik. Toen ik het geasfalteerde duin van de Scheveningseslag opreed, bedacht ik pas dat ik mijn derdewereldcamera niet bij me had (2.0 mega pixels, gekocht in Solo op Java, drie jaar terug toen daar al gadgets freaks al over 8.0 mega pixels repten.) De camera bleek uiteindelijk niet nodig. Van het beeld dat ik gisteren zag, was weinig over. Niks geen troosteloze afbraak van strandtenten, tractorsporen, anderhalve hond met eenzame wandelaar op het strand. Hier en daar wel wat kaalslag, maar nog altijd te veel van die afschuwelijke strandtenten die je een vrij zicht op zee belemmeren. Waar blijft de herfst?

Spookschrijver (1)

hat logo meneer b Ja, ik ben lang weggeweest. Dat is een teken dat ik me geen moment heb verveeld. Eén van mijn go-betweens – ik heb er twee – heeft me als ghostwriter gevraagd. Zij haalt opdrachten binnen, sjeest in haar bolide het ganse land af, interviewt mensen, typt de woordenbrij in een kladje en mailt me dat. Ik moet van die ingrediënten binnen een gestelde tijd een redelijke maaltijd maken. Mijn sauzen schijnen verrukkelijk. Ik moet zeggen dat de rol van spook mij goed ligt. Je hoeft je aan niemand te vertonen, dat scheelt, ik haat afspraken. Niemand ziet je, dat scheelt small talk, bla-bla. Uiteraard trek ik mijn spookkleed uit wanneer ik iemand bezoek die ik wél wil zien, en vice versa. Mijn naam is Meneer B., ik ben geen misantroop, ik ben zelfs menslievend, zolang men mij niet al te veel aan mijn hoofd zeurt. Overigens zijn de portretten die ik voor mijn snelle opdrachtgeefster maak verbazingwekkend alledaags. Een dozijn levensschetsen uit een bepaalde beroepsgroep. Als ik ernaar kijk, zie ik steeds hetzelfde leven voorbijkomen. Of dat louter mijn perceptie is dan wel die ontluisterende saaiheid waarvan dat dozijn doortrokken is, zou ik even niet weten. Ik maak ze zo interessant mogelijk, maar die levens veranderen er niet door. Mijn les zal wel zijn te proberen om niet arrogant te zijn en liefde te kweken voor die dertien in een dozijn. De ultieme verlichting begint met onbaatzuchtige liefde, zoals u weet. Gelukkig ben ik een spook en ziet u mij niet gapen.

Dubieuze poster

Als je deze poster vluchtig in het voorbijgaan ziet hangen, denk je even dat de vriendjes van Tanja de Nederlandse abri’s hebben gevonden. Ik vroeg me onmiddellijk af wat de reclamecodecommissie hiervan zou denken. De poster achtervolgde me zo dat ik van huis terugging met een digitale camera.


Toen ik de foto nam, zag ik nog altijd niet waar ik met open ogen intuinde. Weer thuis typte ik het URL in mijn browser en begreep toen pas wie er achter zaten. Er zullen ongetwijfeld veel mensen zijn die zo ver niet hoeven te gaan. Ze zien het meteen al helder, zoals nadat je met je muis op deze foto hebt geclickt. De poster zal ongetwijfeld zijn nut hebben, maar bijzonder smaakvol vind ik hem niet. Het is te veel de ellende van de één voor die van een ander gebruiken.