Schoonheid

affiche Een van de weinige vrienden met wie ik over kunst kon praten, is mij begin dit jaar ontvallen. In het jaar voor zijn overlijden bezocht ik hem veel. We luisterden naar muziek, bekeken films en discussieerden over verdachte politieke manoeuvres die op wereldschaal werden uitgevoerd. Vaak vonden we elkaar, maar soms ook helemaal niet en daar kon hij erg treurig van worden. Hij was kunsthistoricus en geobsedeerd door schoonheid. Ik ben een minimalist en functionalist maar kan geraakt worden door schoonheid mits er iets achter zit. De afgelopen uren bekeek ik de film Death in Venice (1971) van Visconti voor de vijfde maal. De eerste keer zag ik de film in bioscoop Kriterion aan het Westeinde in Den Haag. Daar werd elke zaterdagnacht een film gedraaid, veelal links of literair, ik wist nooit wat maar ging er uit gewoonte naar toe. Het was er tochtig, ik zorgde er altijd voor dat ik een kraag op kon zetten zodat ik niet met een stijve nek het obscure zaaltje uitkwam.

Verleden jaar liet mijn vriend me fragmenten zien ter ondersteuning van een betoog over schoonheid. Om hem te herdenken bekeek ik de film vannacht wederom op de televisie. Ik herkende de scènes die hem zo hadden aangesproken. Ik vergat de belangrijkste dialoog te noteren over schoonheid als kunstuiting en schoonheid als iets dat een kunstenaar eenvoudig niet kan grijpen of misschien zelfs niet kan begrijpen. De hoofdpersoon, een componist (in de gelijknamige novelle uit 1912 van Thomas Mann is hij een schrijver), vertrekt ontgoocheld na een onbegrepen première van zijn nieuwste compositie naar Venetië. Hij probeert er wat te componeren maar dan raakt hij in de ban van een beeldschone jongeling, die er met zijn Poolse familie vakantie viert. De jongeling laat zich de smachtende blikken van de oudere man welgevallen. Hij belichaamt de onbereikbare schoonheid en mag als zodanig aan het einde van de film nog eenmaal stralen voordat de componist bezwijkt aan hevige koortsen ten gevolge van een epidemie.

Mijn vriend zelf zag er vele malen slechter uit dan de componist toen hij zijn laatste adem uitblies. Daar stond tegenover dat hij zich omringd zag met twee ex-vriendinnen en zijn zuster rond zijn sterfbed. Degene aan het voeteneinde beweerde tegenover mij dat hij haar het laatst had aangekeken voor hij stierf. Ze was de mooiste van de drie, ongetwijfeld. Misschien stelde mijn vriend schoonheid zelfs boven de liefde? Ik kan het hem niet meer vragen. Toch hoor ik hem ja zeggen.

Beerput – verhaal in Archipel Magazine

Het zuiden van Nederland was nog niet bevrijd door de geallieerden of de slogan Indië verloren, rampspoed geboren galmde als een mantra in de Haagse regeringsgebouwen. De eerste scheepsladingen met mariniers, gerekruteerd in Brabant en Limburg, bleken niet voldoende en na een grondwetswijziging waren dienstplichtigen de klos. Onder die jongens bevond zich mijn oom Jan. ‘Ons Jan’, zo genoemd in het Helmondse, kwam tegen zijn zin als soldaat in de zelfgeproclameerde republiek Indonesië terecht, wendde direct na aankomst buikkrampen voor, misselijkheid, hoofdpijnen en een volslagen afkeer van de tropische hitte.

Mijn vader was een jaar of twintig toen hij in zijn geboorteplaats Soerabaja de pantserwagens van de geallieerden binnen zag rijden en zich als tolk aanbood. Nu, na de Japanse capitulatie, de Nederlanders het stokje van de geallieerden kwamen overnemen, trok hij op met de mariniers en voerde een oorlog die in onze geschiedenisboeken de Politionele Acties genoemd wordt. Koloniale inkt, kroontjespennen, simpel.

Nederlandse jongens speelden domme bijrollen in mijn vaders heldenverhalen, anders dan de Britse en Amerikaanse die hij had meegemaakt. Belanda’s staken een sigaret op in het pikkedonker met de vijand op een steenworp van ze vandaan. Dat soort dingen. Dorpjes platbranden viel niet onder de noemer heldenverhalen, dat was gewoon marinierswerk, er school geen romantiek in. Romantiek kwam pas tot leven wanneer werd besloten om een dorpje níet plat te branden.

Vrouwen, dat.

‘Niet doen, er zit een liefje van mij daar in die kampong.’

‘Hey, daar zit een meid die beweert een kind te hebben van een oom van me, ha ha! Die Belanda’s naaien ook maar raak hier. Mogen wij Indo’s dat dáár ook in Holland? Vreemd is het wel dat die Belanda’s hun vrouwen niet slaan. Hoor je dat? Die Belanda’s slaan hun vrouwen niet, in Holland slaan de vrouwen hun mannen, duh! Die meiden daar hebben haren op hun tanden, loh!’

Oost-Java, vage geschiedenissen alom, op elk niveau. Lijken dreven nooit lang in de kali, de krokodil zwom er nog. Tegen de tijd dat Politionele Actie numero 1 werd ondernomen, had onze lepe Jan de terugreis per schip al aanvaard, hij veegde zich de krokodillentranen van zijn snoet en floot schijnheilig deuntjes van heimwee door de patrijspoort van zijn scheepshut. Gezeten op een truck die hem naar de haven bracht had hij hilarisch zijn correspondentieboekje in de richting van een stel tolken geworpen. Mijn vader had het opgevangen en koesterde het als een juweel. Limbo’s en Brabo’s zwaaiden vaker vlijtig met hun correspondentieboekjes. Er stonden portretten in van bekoorlijke Nederlandse meisjes: godinnen in de ogen van elke Indo.

Mijn vader had de pech Adolf te heten, maar ook het geluk in een land te wonen waar bijnamen belangrijker zijn dan geboortenamen. Hij werd Do genoemd, soms Dodo. Mooie Do kreeg drie correspondentievriendinnetjes: een hoogopgeleide Amsterdamse dame die zich liet fotograferen op een hemelreikende trap in een chique studio, een dame uit de Haagse middenstand poserend met parasol voor het Kurhaus en dan nog een vrolijk lachend kamerolifantje uit het Brabantse Helmond, zeg maar het Kediri van Nederland.

De Amsterdamse schreef haar vlekkeloze brieven in schoonschrift met groene inkt en bestrikte haar enveloppen met paarse lintjes. De Haagse gebruikte een schrijfmachine waarvan de e en de o versleten waren. Daar stond tegenover dat ze naar eigen zeggen zeer hoge snelheden tot wel 200 aanslagen per minuut haalde. Do was daar eigenlijk wel jaloers op. Alsof het niet genoeg was wat zijn elegante vingers op de papierrol hamerden van wat Indonesische verzetsstrijders uitschreeuwden onder de martelingen van de Nederlanders.

Do maakte deel uit van een drietal tolken. Hij sprak en schreef Nederlands, Engels, Frans, Duits, Hoog-Javaans, Midden-Javaans, Laag-Javaans, Madoerees, Soendanees, Pidgin-Chinees, Kantonees, Japans, een beetje Arabisch en natuurlijk Maleis, de voertaal in de kustgebieden van de archipel. Het Helmondse kamerolifantje was erg onder de indruk van Do’s Nederlands. Andersom verbaasde hij zich over haar kinderlijke schrift, idiote interpunctie en onnozele mededelingen. Maar ze had een paar zusters, van wie de leukste serieus uit was op een knappe tropenjongen. Ze dicteerde haar oudste zus, het kamerolifantje, dat ze ‘als boter zo geyl is van je augen’.

‘Dat is geen Nederlands,’ grijnsde een marinier naast hem op een pantserwagen. Een ogenblik later reed mooie Do tijdens Politionele Actie numero 1 op een landmijn en tuimelde tachtig meter een ravijn in. Tot zijn leedwezen kon hij vanwege verwondingen aan zijn rug niet aan Politionele Actie numero 2 meedoen. Hij verbleef een poos in de Willemsoordkazerne. Hij ging wel eens op stap, totdat hij vaker en vaker zijn naam op de wind voorbij hoorde komen, die was opgestoken in de achtertuin van Soekarno. Zijn naam stond op de zwarte lijst. De strijd was beslecht, voor Do verloren, de dekolonisatie kon beginnen. Het ene na het andere schip vol militairen of burgers vertrok richting Holland. Mooie Do kreeg het bevel permanent binnen de muren van de kazerne te blijven. Hij zou hulp krijgen van een schimmige Nederlandse kapitein, zonder wiens netwerk hij nooit zijn land had kunnen ontvluchten, waar zijn toekomst in de maag van een krokodil lag.

Daags voor zijn vertrek nam hij tijdens de stille en minder onveilige middaguren afscheid van zijn moeder, de kokkin en de huisbediende. Alle anderen waren afwezig. In de avond sloop hij de kazerne uit met Ben, een Ambonese vriend, die een goede Chinees wist aan de Embong Malang. Volgens Ben was het varkensvlees bij die Chinees het beste van de stad en wellicht van heel Oost-Java, zo niet van het hele eiland. Hij kende ook het geheim van de Chinees, maar wilde dat niet zeggen. Hij liet alleen maar een hilarisch gegrinnik horen.

‘Ik kom er toch wel achter,’ zei Do, ‘ik kom overal achter, dat wéét je.’

Do doelde op de ondervragingstactieken die hij kende om Indonesische gevangenen aan het praten te krijgen. Een lange bootreis wachtte beiden. Hij had dan alle tijd Ben aan het praten te krijgen.

* * *

U bent op ongeveer eenderde van Alfred Birney’s verhaal Beerput. Verder lezen? Click hier voor het nemen van een abonnement of het aanvragen van een proefnummer van Archipel Magazine. Of hol naar een goede boekwinkel of kiosk. Geen idee waar in uw woonplaats? Vraag het Archipel Magazine per e-mail.