Toen ik debuteerde werd het aantal schrijvende mensen in Nederland geschat op 20.000. Eind vorige eeuw was het aantal vertienvoudigd: 200.000. Nou had ik vanavond de televisie aan laten staan na een uitzending over de Olympische Spelen in China. Ik stond wat met vis, rijst en komkommer in de keuken te freaken toen ik iets over Idols voor schrijven hoorde. De verslaggever zei dat er momenteel 1.000.000 Nederlanders aan zoiets als een roman of verhalenbundel bezig zijn. Eén miljoen! Hoe komen ze aan dat getal? Worden webloggers meegeteld? Dat moet haast wel. Veel webloggers dromen van een boekuitgave. Elk mens heeft een verhaal, right? Een groepje wedstrijdvee mag zijn opwachting maken voor de televisiecamera. Well, you can’t judge a book by the cover. Evenwel… de jury… Kwam dat vee dáár de stallen voor uit? Een kandidaat vertelde dat hij energie kreeg van schrijven. Hoe kan dat nou? Je wordt er hartstikke moe van, man! Werk dag en nacht aan een roman, een jaarlang, en je bent zo mager als een lat. Plus volkomen vervreemd van de wereld. Een wereld die nauwelijks begrijpt waar je het eigenlijk over hebt. Maar je schrijft tenminste goed. Daar gaat het om. Helaas, wat ik uit die monden hoorde komen stelde teleur. En hoopvol tegelijk. Er verschijnt al genoeg rotzooi, dat moet maar eens afgelopen zijn. Uitgevers worden dagelijks overladen met manuscripten. Ze klagen over het enorme aanbod. Waarom dan toch een wedstrijd uitschrijven? Het heeft iets weg van een pizza bestellen. Customized. Got it?
Maandelijks archief: August 2008
Non-communicatieve sms’jes
Zit aan een Carslberg op 10 meter van de Middellandse Zee op Cyprus. Echt genieten. Lekker weer hier.
Hier 34 graden, zeewindje, zonnebril, lekkere wijven.
Hi ik zit hier op Bali en wordt lekker gemasseerd op het strand. Ik zie overal mensen die op jou lijken.
Hallo allemaal! Het is echt fantastisch hier in Roemenië! Kosmische ervaringen, overweldigend natuurschoon, heerlijk weer – jullie horen nog van ons!
Blij dat ik niet in Nederland zit. Thailand is gewoon geweldig! Lekker weer, heerlijk snorkelen hier, de mensen zijn superaardig, ik begin me gewoonweg koloniaal te voelen, ha ha.
Wat maakt dit soort telefonische tekstberichten nou zo irritant? Waarom doen ze zo onsympathiek aan vergeleken met de ouderwetse ansichtkaart?
Ten eerste heeft dit soort sms’jes een langeneusgehalte: ik zit lekker hier in de zon, jij zit klote daar in dat regenachtige Holland. Ten tweede: wat moet je op dit soort berichten antwoorden? Je hebt de afzender immers al een prettige vakantie gewenst. Moet je dat dan wéér doen? Ten derde: het is zo gemakkelijk om een sms’je te sturen terwijl je op het strand ligt. Je hoeft dan niet naar de kiosk om een aardige ansichtkaart uit te zoeken. Je hoeft geen pen te zoeken en na te denken om wat leuks op de achterkant van de ansichtkaart te schrijven. Je hoeft niet in de rij op het postkantoor om een postzegel te kopen.
Met een ansichtkaart toon je méér dan een sms’je. Je laat iets zien van de omgeving waar je zit. Je toont dat je écht aan de mensen denkt die thuis zitten. De kaart die je stuurt is door jou aangeraakt, het is jouw handschrift en niet dat van een robot. Enzovoort. Je toont ook enig gevoel voor de juiste keuze van het communicatiemiddel waarvan je gebruik maakt. Wanneer stuur je een sms’je, wanneer een e-mail, wanneer een brief, wanneer pak je de telefoon, onder welke omstandigheden verzend je een telegram, wanneer ga je onaangekondigd in levende lijve bij iemand op bezoek?
Het volgende heb ik nog niet op mijn mobieltje ontvangen: Met diepe droefheid geven wij te kennen dat van ons is heengegaan… Maar dat zal ook nog wel gaan komen.
Whodunit
Een vriendin stuurde me een maffe ansichtkaart . Ik dacht dat ze nogal vroeg was voor mijn verjaardag, maar daar was die kaart niet voor. Wat betekende die kaart dan? Nou, dat ik moest blijven fietsen. Oef! Ik had me zeker in een e-mail laten ontvallen dat dat gefiets me onderhand de strot uitkwam. En dat ik wel weer eens zin kreeg in een sigaretje na tweeëneenhalf jaar niet roken. Zij heeft na vijf rookvrije jaren ook weleens zin in een sigaretje, toch steekt ze er geen op. Nah vooruit, begrepen.
Vandaag mijn mountainbike maar weer van stal gehaald. Ja, ik rijd tegenwoordig op een mountainbike, ik ben de racefiets ontgroeid. Bedoeling was een oudemannenrondje van mijn huis via de watertoren naar de boulevard en dan weer terug om lekker op balkon te gaan zitten lezen. Maar bij de watertoren dacht ik: kom, ik rijd nog wel even de Oliebollenberg op. Op de flank van dat beruchte duin werd ik evenwel syckerig voorbijgefietst door een stel op afzichtelijke fietsen. De man bereed een ATB, de vrouw iets wat vroeger een trimfiets heette. Afschuwelijk was het dat de vrouw een racebroek onder haar shorts droeg, zo typisch voor zondagsfietsers. Ik dook in hun wiel, ze waren jong en ik was ook weer even jong. Ze blikten herhaaldelijk nerveus achterom en probeerden nu en dan amechtig een gesprekje te voeren.
Voor ik er erg in had stond ik voor de waterpomp bij Wassenaar. Het stel sloeg rechtsaf, ik vulde mijn bidon en reed door tot de vervelendste uitspanning met de vervelendste bediening in het vervelendste duingebied tussen Wassenaar en Katwijk. Daar draaide ik en reed op mijn gemak terug. Totdat ik weer syckerig voorbij werd gereden door stel bejaarden op elektrische fietsen. Ik schakelde een hogere versnelling in en sjeesde terug naar de watertoren, waar nog de verkoolde sporen van de snackcar liggen, die in het voorjaar op een nacht in de fik is gevlogen. De snackcar had er jarenlang gestaan, totdat de Gemeente stampei begon te maken. Er moest een stenen gebouwtje komen, maar de eigenaar wilde dat niet. Op een nacht was er kortsluiting en brandde het geval tot op de bodem af. Over de toedracht wordt natuurlijk veel gespeculeerd. Zoals: van welke importkrachten zou de Gemeente nou gebruik hebben gemaakt? Polen? Roemenen? Bulgaren? Of toch maar gewoon de duinwachter, die zich toch al nooit laat zien?
Met zoveel woorden
Ik had vandaag een aangenaam onderhoud met een hoofdredacteur van een krantenkatern. Hij wilde me polsen over vlagerige bijdragen van mijn hand. Als u niet weet wat vlagerig betekent, en waar dat rare woord vandaan komt, leest u dan even de voorgaande twee logs van dit b-log. We hadden afgesproken in de tuin van een bekend etablissement dat soms gebruikt wordt als televisiestudio in tijden van verkiezingen of kabinetscrises. De wind was niet zo vlagerig meer als gisteren en de zon speelde tikkertje met de wolken, dus mijn jas ging aan en uit, u kent dat wel. We spraken over fietsen en ik deed alsof ik nog altijd driemaal per week fietste, terwijl ik toch weinig meer doe dan een beetje suf boodschappen doen, wat gitaarspelen en nu en dan wat in een manuscript krassen. Daarom is nu en dan een recensie schrijven wel iets voor mij. Ik moet dan immers aan het werk. De laatste recensie die ik voor een krant schreef dateert geloof ik al van vijf jaar terug. Vandaar dat mijn mond openviel van verbazing bij het horen van het aantal woorden dat wordt besteed aan een ‘signalement’ dan wel een ‘bespreking’. Een signalement telt 150 woorden en een bespreking 450. Vijf jaar geleden bedankte ik nog voor een stuk onder de 1000 woorden. Ik moet onderhand wel met de tijd mee, de vermindering van het aantal woorden komt voort uit de wisselwerking tussen de oude en de nieuwe media. Ik doe aan beide mee, in spagaat.
Bij vlagen
Toen ik opstond hoorde ik aan het gekletter van raampjes en het fluiten van de wind dat het weer nog altijd vlagerig is. Ik herinnerde me dat ik behoorlijk vlagerig had gedroomd. Ik ontbeet nogal vlagerig en vroeg me af hoe ik die vlagerige dag door moest komen met allerlei vlagerige gedachten in mijn hoofd. Moest ik naar de muziekwinkel om voor de derde keer te gaan vragen of de door mijn bestelde gitaar al was gearriveerd? Stel je voor, dat dat ding was aangekomen… ik zag de koffer al gegrepen worden door de wind en mijn instrument over de daken van de stad zeilen. Nee, dan maar schrijven. Televisie aan op de Olympische Spelen, anders merk je te erg dat je zit te schrijven. Ik werk aan de derde versie van de vijfde versie van de derde versie van een essay. Zoiets. Zo zou mijn uitgever zaliger Jos Knipscheer het hebben genoemd, die klus die ik op mijn bureau heb liggen. Alles bijeen genomen ben ik er al tien jaar mee bezig. Ik werk er bij vlagen aan. Er steekt een pleidooi in om binnen de Nederlandstalige literatuur een plek in te ruimen voor de koloniale en postkoloniale literatuur, gedreven door de wens de Nederlandse geschiedenis in haar ruimste vorm onderwezen te zien. Vrijwel hopeloze onderneming natuurlijk, maar het moet gezegd, snapt u? Nee? Ga dan weg hier, ik wil u niet als lezer. Blijft u desondanks, dan klaag ik u aan wegens verspreiding van hopeloosheid. Ja. Alles kan.