Boek in aantocht

Ik heb onlangs ter bespreking de drukproeven ontvangen van een boek in aantocht: Ons Indisch erfgoed. Het boek verschijnt op 30 september en telt 400 pagina’s. Ik ben een langzamer lezer dus ik neem er een week de tijd voor. Ik moet het dan wel beroepshalve lezen ter beoordeling voor een krant, het boek is te boeiend om eventjes na diagonale lezing van een keurmerk te voorzien. Momenteel zit ik midden in de lectuur en ik kan u nu alvast vertellen dat het waarschijnlijk het belangrijkste boek over de Indische geschiedenis is sinds, zeg, J.J.P. de Jong’s De waaier van het fortuin (1998). De Jong beschrijft de Indische geschiedenis van 1595 tot 1950. Lizzy van Leeuwen neemt de afgelopen zestig jaar voor haar rekening. Uitgangspunt is de opkomst en ondergang van het Indisch Huis. Wat ging er aan vooraf, wat gebeurde er rond het Indisch Huis en wat kwam erna? Lizzy van Leeuwen toont zich een uitmuntend gedocumenteerd auteur met oog voor detail, een intelligente gedachtegang en een meeslepende schrijfstijl, die zoveel van haar wetenschappelijke collega’s ontberen. Met speels gemak paart ze bekende aan onbekende, soms hilarische, feiten en biedt ze de lezer gaandeweg het boek een kijk op het Indische leven, dat, zo blijkt uiteindelijk, oneindig dieper verbonden is met het Nederlandse dan algemeen wordt verondersteld. Wat dit aangaat zou je haar invalshoek bijna revolutionair kunnen noemen. Zelfs het cliché, of grofweg de opvatting, dat ‘Indo’s een probleem hebben’, weet ze met flair in de richting van de Hollanders te kaatsten. Uiteindelijk hebben zij een probleem, Indo’s niet. Vanzelfsprekend is de (mijn) conclusie dat niet alleen Indo’s dit boek moeten lezen maar ook, of misschien moet ik zeggen: juist Hollanders. Wat zijn Hollanders? Dat zijn zij die men autochtonen noemt maar die niet exclusief Nederlander genoemd kunnen worden, want dat is gewoon een paspoortkwestie. Welke Hollanders? In de eerste plaats geschiedenisleraren. In de tweede plaats ambtenaren. In de derde plaats alles wat zich journalist of weblogger noemt. Got it?

Ook Indonesiërs vergeten niets

leger nederland contra indonesië Het nieuws wordt niet bijzonder breed uitgemeten. De NCRV komt met een reportage, maar het NOS journaal wordt niet gehaald. Googles standaard nieuwspagina maakt er ook geen gewag van. Uiteraard niet: Google filtert en displayed het meest gelezen nieuws. Het is ook geen goed idee om Googles standaard nieuwspagina als krant te gebruiken. Dit terzijde.

Ik hoorde het nieuws op BNR Nieuwsradio, terwijl ik stond te koken. Tien Indonesiërs hebben vandaag de Nederlandse staat officieel aansprakelijk gesteld voor de moord op hun familieleden. De moordpartij vond plaats tijdens de – ik haat deze term – Politionele Acties na de Tweede Wereldoorlog. Het is voor het eerst dat Indonesiërs officieel de Nederlandse staat aanklagen, volgens de Nederlandse advocaat van de Indonesiërs uit geldgebrek en onwetendheid over de mogelijkheden daartoe.

Eerst maar even naar die achterbakse term Politionele Acties. Ad van Liempt noemt die Een mooi woord voor oorlog in zijn gelijknamige boek, dat als ondertitel heeft Ruzie, roddel en achterdocht op weg naar de Indonesië-oorlog. Het boek verscheen bij de Sdu in 1995. Een search op Antiqbook geeft momenteel één tweedehands exemplaar. Verplichte kost voor onze nationale historicus Geert Mak.

Bij de tien Indonesiërs die de Nederlandse staat aanklagen, zit wellicht de vrouw Imih, die op 16 augustus jl. al een Nederlandse krant haalde met haar verhaal waarin haar man zich op de 9e december 1947 als vrouw vermomd zijn huisje verliet. Later werd ze wakker van geweerschoten. Haar man werd teruggevonden in een rijstveld, doodgeschoten door Nederlandse soldaten, die in het dorp Rawagede op zoek waren naar vrijheidsstrijders.

Hoe gaat deze zaak aflopen? Wat voor invloed zal ze krijgen op het beeld dat Indonesiërs van Nederlanders hebben? En andersom: hoe zal de gemiddelde Nederlander tegen deze zaak aankijken? Zal er überhaupt over worden nagedacht? Zouden onze geschiedenisboeken uiteindelijk toch nog herschreven worden? Dat gezeik over die hongerwinter weten we onderhand wel.

Indo’s en Nederlands koloniale geschiedenis

indo Ik had een onderhoud met een Indo-publiciste die binnenkort met een boek komt over onder meer het Indische, het Indoschap en de resten van onze koloniale geschiedenis. Ze voerde tot mijn aangename verassing een pleidooi dat sterk leek op wat ik onlangs schreef in dat nawoord van mijn essay: je moet de geschiedenis van Nederland op zijn breedst weergeven. Volg maar met je vinger op de kaart de scheepsroutes van weleer. Suriname en de Antillen en Zuid-Afrika lagen allemaal op de route naar Indië en werden aangedaan door schepen die uit de koers raakten of door lieden die scheepbreuk leden dan wel kwamen bunkeren (Mozambique).

Hier in Nederland wordt alles in vakjes opgedeeld, in deelgeschiedenissen. De geschiedenis van Amsterdam, de geschiedenis van de joden, de geschiedenis van Suriname, de wereldoorlog in… Nederland en ja, de geschiedenis van… Nederlands-Indië… Elk deelvak heeft zijn specialisten, hun bekwaamheden even daargelaten. Nu is het zo, dat specialisten zich heel snel in hun eer voelen aangetast. Dus als ik met mijn boek Yournael van Cyberney die zogenaamde specialisten te lijf ga – dus het uitgewerkte boek en niet die losse stukken die je hier op mijn weblog kunt lezen – dan krijg ik bijna per definitie die zogeheten specialisten tegenover me. Ik begeef me namelijk op hun vakgebied en daar moet ik wegblijven, ik moet maar gewoon romans schrijven. Daar komt het grof gezegd op neer. De non-specialisten weten niks en scharen zich domweg achter de specialisten. Zo kom je voor een enorme vesting te staan.

Wie veel naar televisie kijkt, ziet ze ook in rap tempo verschijnen en weer verdwijnen: de Irak-specialist, de Amerika-deskundige, de Eskimo-kenner en ga zo maar door. En halen ze iemand voor de camera die overal wel wat van afweet, dan is het weer zo’n idiote clown die blasé met de handjes wapperend stelt dat het allemaal wel meevalt. Die zou zeggen: “Ach, jullie Indo’s en Surinamers zijn toch allang geassimileerd?” De zogenaamde specialisten van de koloniale geschiedenis zijn nooit Surinamer of Indo, nee het zijn Hollanders (= blanke Nederlanders) die tegen de materie aankijken en vaak de grootste onzin verkondigen. Publiekslieveling Geert Mak – amateur-historicus maar met het gezag van de “specialist” – heeft het in zijn megaseller De eeuw van mijn vader (2000) steevast te praten over Indiërs, waar hij Indo-Europeanen bedoelt. Bedoelt hij echt geen mensen uit India? Nee. Dan is dat toch een aperte fout? Ja. Maar geen haan die ernaar kraait. Aardige man, ja. Zo’n lekkere Hollandse lobbes. Scheelt ook een slok op een borrel. Aardig zijn, of lijken, doet wonderen in Nederland. Dan nog iemand als Kester Freriks. In Jakarta geboren, dweepziek als de hel met het Indische verleden en toch bestaat deze schrijver het om in de NRC de njai een Indisch meisje te noemen. Dat is zoiets als een rasechte Scheveningse een “halfbloedje” noemen. En hij komt ermee weg, want geen hond bij de redactie van Nederlands beste kwaliteitskrant kent het verschil tussen Indisch, Indo en Indonesisch.

Vanwaar die grenzenloze onwetendheid?

In Frankrijk, Engeland en zelfs in Duitsland wordt de koloniale geschiedenis nou juist niet losgekoppeld van de “gewone eigen” geschiedenis. De koloniale geschiedenis is eenvoudig onderdeel van het geheel. Elke Engelsman weet van de geschiedenis van India en de kruisbestuivingen tussen beide landen. Dat is hier in Nederland helemaal niet het geval. De gemiddelde Hollander weet nauwelijks iets over de geschiedenis van Indonesië, hij weet waar Bali ligt, dat een van de zeven wereldwonderen – de Borobudur – op Java ligt, maar volgens hem vindt de pindasaus haar oorsprong in de snackcar van Jan om de hoek.

Het is mijn wens, en die van de Indo-publiciste – haar boek verschijnt aan het einde van de maand – dat de geschiedenis van Nederland in een zo breed mogelijk kader wordt geplaatst. Dat dus de geschiedenisleraar op de middelbare school niet de WO-II vertelt alleen zoals die zich in Europa afspeelde. Maar dat in Indonesië die oorlog ook speelde plus nog eens vier jaar verder ging toen hier de vrede al was getekend. De gemiddelde Hollander weet niet dat Nederland na de WO-II in eigen land een enorm leger naar Indonesië stuurde onder de leugenachtige naam van de “Politionele Acties”. Nederland was zogenaamd bankroet maar oorlog voeren konden ze nog wel. Waarom staat dat niet met zoveel woorden permanent in onze geschiedenisboeken geschreven?

Het Nederlandse kolonialisme in Suriname en de geschiedenis van Zuid-Afrika stonden natuurlijk in direct verband met de zeevaartroute naar Indië/Nederlands-Indië/Indonesië. Het heeft nauwelijks nog zin om die dingen los van elkaar te zien en te behandelen. Als je kolonialisme en landjepik niet langer afdoet als iets waarvoor Nederland zich zodanig moet schamen dat er maar beter alleen door “specialisten” over kan worden gesproken en als je dat hele fenomeen met al zijn goede en slechte kanten als basis neemt voor de rest van de geschiedenis van Nederland, dan kun je de multiculturele samenleving in Nederland natuurlijk niet meer als “mislukt” afdoen of als iets dat “ons Hollanders” zomaar overkomen is. En krijg je een veel realistischer idee achter het huidige straatbeeld in de grote steden.

Ik plaats de boel in multicultureel (en –etnisch) perspectief. Waarom? Omdat het er nu toch niet meer toe of je Indo bent, Molukker, Surinamer, Turk, of wat dan ook. Je bent gewoon bruin, je bent niet-blank. Je bent een “allochtoon”, voor jou wordt een speciaal hoekje geschapen met specialisten die voor mevrouw en meneer de Indo of Molukker of zoiets het woord voeren. Zo zit het. Er is weinig fantasie voor nodig dat de aanwezigheid van Indo’s, Surinamers, Turken en tal van andere minderheden in veel gevallen het gevolg zijn van Nederlands koloniale en neokoloniale politiek. Ik zeg bewust neokoloniale politiek, ik boycot het begrip mondialisering. Dat mooie woord is een farce. Het is platweg neokolonialisme. Maar dan zonder de oorlogen tussen de Portugezen, Engelsen en Hollanders. Die werken nu fijn samen, met de Amerikanen.

Nu kun je vragen: waarom kom je dan straks nog met een boek over de tussenpositie van de Indo van een eeuw terug? Antwoord: dat doe ik in de hoop dat het literaire onderwijs wordt aangepast, gelijk met het geschiedenisonderwijs. Ik toon met voorbeelden uit de romankunst aan dat multi-etnische mensen over het algemeen een genuanceerder beeld hebben dan de groepen waartussen zij zich moeten bewegen. En dat er in een eeuw helemaal niets is veranderd en dat er nu net zo beroerd gelezen wordt als toen. Plus dat Europeanen in den vreemde altijd de grootste smoel hadden, een veel grotere smoel dan die vervelende Marokkanen waar Nederland thans zo’n overdreven heisa over maakt.

Nu een vraag aan de lezer: Denk je, bij je volste bewustzijn, dat de gemiddelde Hollander – de specialisten uitgezonderd – graag zo’n boek zouden willen lezen?

* * *

Deze post is geschreven naar aanleiding van een levendige discussie met een serieuze bezoeker van mijn weblog. Of ik hiermee haar laatste vragen echt beantwoord, weet ik niet, maar dit past beter in een nieuwe posting dan in een commentaarvakje. Bovendien voer ik hier een kwestie aan die in het postkoloniale debat al wel wordt gevoerd maar onder veel Indo’s wellicht als nieuw wordt ervaren.

With or without you

Het is niet eens de techniek van deze zeer jeugdige gitarist die je verbazing wekt. De gitaar is immers geen instrument voor wonderkinderen, daarvoor is het instrument te groot, anders dan piano of viool, die zich wél lenen voor kleine handjes. Wat de jongen doet is echt muziek maken van dit nummer van U2: With or without you. Er zit gevoel in wat hij speelt. Dat mis je bij veel gitaristen. Benieuwd of we later nog van hem te horen krijgen of dat hij eenvoudigweg verdwijnt uit de massa waaruit hij tevoorschijn is gekomen.