Zo te zien is uitgeverij Athenaeum-Polak en van Gennep bezig de nieuwe Indische uitgeverij, of tenminste een serieuze concurrent van Bert Bakker, voor nonfictie te worden. Dat zou kunnen komen door het succes van Reggie Baaij over zijn boek over de njai. Ik heb het niet gelezen, maar uit wat ik erover hoorde meende ik te moeten opmaken dat de njai een beetje als slachtoffer is neergezet, in elk geval als een persoon om wie de Belanda’s zich nog even schuldig moeten gaan voelen. Een dergelijk perspectief doet het wel aardig hier in Holland. Kom je met een boek over de njai met een grote smoel, dan wordt de boel ineens een stuk complexer. Maar goed, ik moet dat boek nog lezen.
Omdat ik nu en dan een gastrecensie schrijf, weten de auteurs me in elk geval te vinden. Een paar dagen geleden kreeg ik een e-mail van Kristine Groenhart met de mededeling dat haar debuut Leer mij je liefhebben, het bewogen leven van een domineesvrouw op 8 mei aanstaande bij genoemde uitgeverij zal verschijnen. Kristine Groenhart is geboren in Dordrecht (1964) en woont sinds tien jaar in Zuid-Engeland. Ze is Neerlandica.
Het boek gaat over de grootouders van de debutante en verhaalt vanuit het perspectief van de grootmoeder, afgewisseld met fragmenten uit dagboeken, brieven en andere documenten, ook van de grootvader, die van 1934 tot 1948 zendeling en legerpredikant was op Sumatra.
Zendelingen en legerpredikanten vormden een bijzondere groep in de voormalige kolonie. Ik bedoel: ze kwamen geen tabak planten, ze namen geen dienst bij het KNIL, ze waren niet op jacht naar rijke “inlandsche” weduwen (Victor Ido heeft daar een mooie roman over geschreven: In vreemde sferen), nee: ze kwamen God brengen. Bij de kolonisering van Zuid-Amerika door de Portugezen en Spanjaarden was dat allemaal all in, maar de Hollanders hadden elk zo hun specialiteit naast natuurlijk de handel, waarom het allemaal te doen was. Enfin, de Molukken waren al gekerstend, we zullen zien hoe het op Sumatra ging.
De auteur zal met haar boek een dag aanwezig zijn op de 1e editie van de Tong Tong Fair, ofwel op de 51e editie van de Tong Tong Fair voorheen Pasar Malam Besar. Bent u al aan de nieuwe naam gewend?
Ik heb even de naam Geert Wilders in mijn searchbox getikt. Ik was namelijk nieuwsgierig of ik ooit de naam van deze man in een column heb genoemd. Jawel hoor, nota bene in de allerlaatste column die ik voor de Haagsche Courant schreef, een slordige vier jaar geleden. Veel bijzonders is het niet, ik drijf alleen een beetje de spot met hem, zoals ik met elke politicus de spot dreef, onder de voorwaarde dat ze leuk genoeg waren om te becollumniëren (dit is een, voor zover ik weet, nieuw en door mij verzonnen werkwoord). In die tijd was Geert Wilders the coming man na Pim Fortuyn en Janmaat, van wie bij nader inzien de laatste nog een doetje was vergeleken met de Nieuwe Nationalisten, om ze zo maar eens te noemen. Thans is Limbo Geert Wilders invloedrijker dan de oppositie, als je al van zoiets spreken kunt sinds het dimmen van die Rode Tomaat uit Brabant, want in tijden van crisis mort het volk en hijst men de nationale vlag.
Of een vergeten boek, dat weet ik even niet. Als je zoekt naar informatie over de schrijver Jo Otten (1901 – 1940), dan valt direct de behoorlijke lijst van boektitels op. Het zijn er een stuk of twintig. Zijn novelle Bed en wereld verscheen in 1932 en was een klein succes, ook wel wat geruchtmakend, waarschijnlijk door de vrijmoedigheid waarmee de schrijver seksualiteit thematiseerde. Nou was dat helemaal niets vergeleken met de meer scabreuze Indische pulpfictie van dertig, veertig jaar eerder, maar goed: Nederland is er altijd een kampioen in geweest schandaaltjes in de koloniën te situeren en ze daar ook te laten, zelfs meer dan een halve eeuw na de dekolonisatie van Indonesië. Plus, het moet gezegd, er was waarschijnlijk geen hond in de koloniën die zo goed schreef als Jo Otten. Des te opvallender is het dat Jo Otten nooit opviel in de officiële canon van de Nederlandstalige literatuur. Hij debuteerde op de perfecte leeftijd van 27 jaar, daar kan het niet aan hebben gelegen. Met méér dan boektitel per jaar kon hij ook moeilijk een luiwammes worden genoemd. Hing hij misschien te veel rond in Den Haag en Parijs en meed hij Amsterdam te veel naar de smaak van de literaire smaakmakers? Who knows. Hij zou de eerste niet zijn. Louis Couperus had ook een broertje dood aan Amsterdam, zijn roem kreeg pas werkelijk gestalte na zijn dood.
Ik heb eergisteren een verhaal ingeleverd bij Archipel Magazine. En geen bevestiging van ontvangst gehad, want schrijvers krijgen aldoor minder respect, wat waarschijnlijk het gevolg is van het feit dat er momenteel zo ongelooflijk veel mensen schrijven. Redacteuren worden blasé. Ik geloof dat er in Nederland alleen al een miljoen mensen rondlopen met het idee schrijver te worden. Er zitten veel bloggers bij. Uitgevers struinen dagelijks blogs van jonge mensen af, op zoek naar nieuw talent. Waar moet je aan voldoen om in aanmerking te komen voor een gesprek met een uitgever? Ten eerste moet je iets bijzonders te vertellen hebben. Dus als je een blog hebt over je kat, dan is dat op zich niets bijzonders, integendeel, je bent de zoveelste die over zijn of haar kat blogt, maar… als jij dat op zo’n originele wijze doet, of verschrikkelijk virtuoos schrijft, ja dan nemen ze zeker je weblog onder de loep. Zie je er een beetje goed uit? Is wel handig in verband met je televisieoptredens, want zonder televisie breng je je boek niet aan de man. Maar ik dwaal af. Ik zei dat ik eergisteren een verhaal heb ingeleverd bij Archipel Magazine. Gisteren kon ik weinig anders doen dan bami maken voor mijn zoon, die naar de sportschool moest, en vandaag sliep ik bijna het klokje rond. Het schrijven van het verhaal duurde vijf dagen, een eerdere versie was twee jaar oud, in één keer op de harde schijf geramd om er niet meer naar om te kijken. Het is een verhaal over huiselijk geweld als gevolg van oorlog, gezien door de ogen van een achtjarige jongen. Vrouwenmishandeling, kindermishandeling. Ik schreef hier eerder over in een boek dat in 1995 uitkwam: De onschuld van een vis. In de afgelopen jaren is het motief me weer komen bezoeken. Mijn schrijfstrategie is wel veranderd. Het belevend perspectief heb ik verruild voor een meer beschouwende toon. Toch put het schrijven me uit. Ik registreer herinneringen, noteer beelden, zet ze op hun plaats, verschuif ze, vervorm ze, werp er hier en daar voor de fijnproevers een korte, oppervlakkig aandoende overpeinzing tussen en zorg dat het verhaal recht overeind staat en ook zo blijft staan. Een verhaal over mishandeling heeft altijd een beul en een slachtoffer nodig. De beul in mijn verhaal is op zijn beurt slachtoffer van een oorlog. Via hem krijgt oorlog iets abstracts. De echo is huiselijk geweld. Voor een kind is dat onbegrijpelijk. Wat begrepen wordt, hoeft niet te worden beschreven.