Spoken in de gang

Ze zeggen dat een mens niet kan besluiten een ander te gaan haten, zoals je ook niet kan besluiten een ander te gaan liefhebben. Maar volgens mijn moeder was mijn tweelingbroer geen mens, en ik trouwens ook niet, we waren van een andere planeet.

Ik heb het ogenblik gezien waarop mijn tweelingbroer besloot mijn vader te gaan haten. Het gebeurde in de gang van nummer 1394 aan een onafzienbare naoorlogse laan vol eenvormige, vreugdeloze portiekwoningen. Ik zag het gebeuren vanuit de jongensslaapkamer. De gang was een hel waar je steeds doorheen moest om ergens te komen: de keuken, de woonkamer, de douche, een van de andere slaapkamers of de voordeur… Bij het vallen van de avond werd de gang vanuit de duistere hoeken beloerd door de Wielewiel. Niemand van ons had ooit de Wielewiel gezien, maar we wisten dat het spook zich voortbewoog op razendsnelle wielen terwijl het spook zelf ook een wiel was. Toch was de Wielewiel te ontwijken. Als je hard genoeg liep en sprongetjes maakte, kon je vanuit de slaapkamer de wc bereiken zonder door de Wielewiel gegrepen te worden.

Er lag dun geel zeil met een armzalig oranje bloemmotief onder een ruwe lange kokosloper. De kokosloper krulde om aan de uiteinden. Als je niet oppaste, struikelde je erover. De kokosloper deed pijn aan je knieën wanneer je overdag in de gang speelde. Dag en nacht was er iets mis met die gang. Alles gebeurde altijd maar in die gang.

Ik deelde met mijn tweelingbroer en ons twee jaar jongere broertje een kamer, waarin naast een enkel bed een stapelbed stond. We kibbelden over wie boven in het stapelbed mocht liggen. En we joegen elkaar de stuipen op het lijf door om de Wielewiel te roepen wanneer een van ons naar de wc moest. Jonge broer zeek wel eens in zijn broek, zo bang was hij voor de Wielewiel. We mopperden dan op hem, omdat we in zijn zeiklucht moesten slapen. Kwam Mama Helmond op ons gerucht af, dan zwegen we. Want had ze een slecht humeur, of er was een musical of film op de televisie, dan kon ze ons aangeven, zodat Soerabaja Papa ons kwam slaan en schoppen. Dan kon zij op haar beurt weer proberen hem daarvan te weerhouden, of ze speelde het, zoals haar kwijnende filmheldinnen in hun slachtofferrollen. Ze kon erg dom zijn als zijzelf het mikpunt was: hoe agressiever hij tegen haar werd, hoe meer ze hem ging stangen, totdat de man helemaal mata gelap werd.

* * *

U bent op een kwart van Alfred Birney’s verhaal Spoken in de gang. Verder lezen? Click hier voor het nemen van een abonnement of het aanvragen van een proefnummer van Archipel Magazine. Of hol naar een goede boekwinkel of kiosk. Geen idee waar in uw woonplaats? Vraag het Archipel Magazine per e-mail.

Koloniale poëzie in de popmuziek

Onderstaand lied, A Salty Dog (1969) van Procol Harum, maakte destijds indruk op me vanwege de herkenbare kreet: All hands on deck! Als jochie riep ik dat altijd wanneer een vijandige bende van een andere straat in aantocht was. Scheepvaarttaal kwam via speelfilms en geschiedenisonderwijs tot ons maar bereikte nooit de Nederlandse popmuziek in die tijd. Daarvoor was onze kennis van de Engelse taal te beroerd, als je al in staat was met een goede beheersing van een vreemde taal een werkelijk schitterende tekst neer te pennen. Dat deed Keith Reed namelijk, op muziek van Gary Brooker, die achter de piano zong.

Naar verluidt had Keith Reed poëzieklassen gevolgd. Met A Salty Dog zou hij schatplichtig zijn geweest aan The Rime of the Ancient Mariner (1798) van Samuel Taylor Coleridge, een lang gedicht dat zich als volgt laat samenvatten:

Een zeeman schiet op zee zonder duidelijke reden een albatros neer en wordt daarom met de rest van de bemanning gestraft door hogere machten. De zeeman draagt als teken van boetedoening de dode albatros om zijn nek en is de enige op het schip die niet omkomt van dorst. Als hij in een delirische toestand een aantal waterslangen zegent, valt de albatros van zijn nek en wordt zijn schuld uitgewist. Het schip keert op wonderlijke wijze terug in de thuishaven, waar de zeeman de absolutie krijgt van een heremiet. Voortaan zwerft hij rusteloos de wereld rond om aan iedereen zijn verhaal te vertellen.

Maar hier enkele strofen uit A Salty Dog:

Upon the seventh seasick day we made our port of call
A sand so white, and sea so blue, no mortal place at all

We fired the gun, and burnt the mast, and rowed from ship to shore
The captain cried, we sailors wept: our tears were tears of joy
Now many moons and many Junes have passed since we made land
A salty dog, this seaman’s log: your witness my own hand

Als je de invloed van Coleridge even vergeet, dan zie je een tekst voor je van een stel muzikanten met een sterk historisch besef. Engeland was immers ooit een grote koloniale zeemacht, net als Nederland dat was. Het grote verschil is dat de koloniale geschiedenis van Engeland onlosmakelijk in woord en schrift verweven is met de geschiedenis van het eigen land. Dus tot en met de popmuziek. Bij Nederland is daar geen enkele sprake van. Ik moest daaraan denken toen ik slechts 140 woorden in een krant mocht wijden aan Ulbe Bosma’s boek Terug uit de koloniën, waarin de Nederlandse postkoloniale geschiedenis en wat daaraan voorafging wordt beschreven. Geen kost dat de Nederlander met de paplepel krijgt ingegoten.

Rudy Kousbroek beschouwde het in zijn boek Het Oostindisch kampsyndroom (1992) als een enorme gemiste kans dat de Nederlandse cinema ons koloniale verleden vrijwel geheel links hebben laten liggen. Maar is die kans ooit wel reëel geweest? Nederland is een vlak land, waar je kilometers ver kunt kijken. Het ligt wel achter de duinen, en beneden de zeespiegel.

De nieuwe Handelsregisterwet jaagt schrijvers het internet af

Het begon een poos geleden al met de een of andere staatssecretaris die vond dat schrijvers zich voortaan als ondernemers moesten gedragen. Dat hebben we natuurlijk een tijdje tegen kunnen houden, maar de nieuwe lichting komt inderdaad met bedrijfsplannen, dat zie je ook aan hun boeken. In het eerste hoofdstuk gaat de hoofdpersoon – een schrijfster – een kantoor binnen en overhandigt de een of andere malloot een visitekaartje waarop enkele trefwoorden staan. Seks. Religieuze stroming. Religieuze uiting. Relatie. Verkrachting. Ontvoering. Therapie. Botsing van culturen. Of wenst u een whodunit? Ik kan halfbloot op de cover. De uitgever pijpen? Geen bezwaar. Deadline? Weekendje Rome en ik heb het manuscript klaar. De redacteur gaat mee. Maar in Rome aangekomen blijkt de schrijfster banden te hebben met Al Qaida. De redacteur is echter al helemaal in haar ban geraakt en aarzelt: zal ook hij de wapens opnemen tegen een stel Americanos waaronder zich toevallig zijn schoonouders bevinden, van wie de dochter, zijn echtgenote dus, een jaar terug onder raadselachtige omstandigheden spoorloos is verdwenen? Geeft u maar snel een standaardcontract voordat feiten en fictie door elkaar gaan lopen. Ik moet overigens dringend naar een vergadering.

Ik gun dat soort schrijvers alle bestaansrecht, alle hitlijsten, een miljoenenverkoop en wat al niet meer, maar laat mij alsjeblieft de kunstenaar uithangen. Ja, ik weet het: het is een scheldwoord. Nou ben ik mijn hele leven al uitgescholden, dus dat kan ik wel hebben. Maar ik heb echt geen zin in gedoe met BTW en bedrijfsplannen en hoe ik mezelf in de markt denk te gaan zetten. Hou op man, ik ben geen ondernemer, ik ben een kunstenaar, ik ben luimig, om niet te zeggen manisch-depressief, onvoorspelbaar, ik heb geen idee wat ik morgen zal gaan doen en dat boeit me ook helemaal niet. Toch krijg ik het toch maar mooi voor elkaar steeds weer met een verhaal, een artikel of een boek te komen. Ik dien de cultuur, stelletje idioten!

Maarrr… ze blijven me voor een ondernemer houden. Zoals ze me voor een Indiaan houden, of een Indonesiër, of een Eskimo, in elk geval niet voor een Nederlander. Ooit moest je naar de Kamer van Koophandel toe – als je dat al wilde – nu komt de Kamer naar jou. Want op de eerste juli van het vorige jaar heeft de overheid – u weet wel: dat stelletje boekhouders daar aan het Binnenhof – de nieuwe Handelswet ingevoerd. Op 1 juli, die gluiperds, toen iedereen op het strand lag! Ik ga u niet vertellen wat die nieuwe Handelswet behelst. In het kort komt het er voor mij op neer dat ik me moet laten inschrijven bij het Handelsregister. De Kamer van Koophandel is intussen gemoderniseerd, dat zie je aan de wervende koppen in hun brief:

Uw inschrijving is zo geregeld.

Wat moet u doen?

Meer weten?

Enzovoort.

Over de kosten ga ik niet leuteren. Nee, het gaat hierom:

Het Handelsregisternummer van uw onderneming moet u op uw briefpapier, offertes, facturen, websites en e-mailberichten vermelden.

Ja, u leest het goed! Probeert u nou eens voor de lol via domaintools achter mijn verblijfplaats te komen. U krijgt hooguit te lezen waar de host van deze website zit. In Amerika lopen ze jaren op Nederland voor. Daar hebben ze natuurlijk al lang narigheid gehad met allerlei bekende mensen die werden lastiggevallen omdat hun gegevens zomaar opvraagbaar waren. Als je je website onderbrengt bij mijn host, dan kan je aanvinken of je je privé-gegevens buiten beeld wilt hebben. Dat kost niets extra. Voordelen: geen stalkers aan de telefoon, geen idioten aan de deur, geen ongevraagde manuscripten en overige post en ga zo maar door. Over bommeldingen zal ik het nog maar niet hebben. Dat is de goden verzoeken, niet?

Aanstonds is mijn bewuste keuze voor een Amerikaanse host totaal zinloos geworden. Want met je Handelsregisternummer op je website ben je in no time op te sporen. Alles ligt voor het grijpen, tot en met je telefoonnummer. En geloof me: ik heb in het verleden heel veel last gehad van onverbeterlijke stalkers aan de telefoon. Dag en nacht. Opgeschoten meiden, oorlogsslachtoffers, schrijvers-in-spe, ex-tehuisklanten, mensen die hun verhaal wilden verkopen, lezers, fans, mensen van vroeger, hijgers etc. Week in week uit. Totdat ik wel een geheim nummer moést nemen. Maar dan… De een of andere radio-omroep laat je nummer lekken en van lieverlede neem je een 06-nummer. En dan nu dit. Hallo daar, mijn naam is Alfred Birney en u bent hierbij uitgenodigd mij dag en nacht te komen lastigvallen.

Dit snappen zelfs de Amerikanen niet met hun paranoïde nieuwsgierigheid naar je profiel en de daaruit voortvloeiende eis dat je allerlei persoonlijke informatie via het internet moet opgeven voor je een visum gaat aanvragen. Ik zal een schrijverscollectief of iets dergelijks in het leven moeten roepen om onzichtbaar te kunnen blijven. Nee, de schrijversvakbond daar was ik al uitgestapt. Die bekijkt de zaak nog eens van alle kanten, zal de boel aankaarten als het allang niet meer hoeft, loopt hopeloos en chronisch achter op de ontwikkelingen op het internet, publiceert verhalen in dat muffe kwartaalblaadje van suffe schrijvers die nog maar net een website hebben gelanceerd – met frames, ook dat nog – en dat dan ook hoog van de toren blazen. Terwijl het onderhand toch tijd wordt om als schrijver juist het internet vaarwel te zeggen.

Boek in productie

logo alfred birney weblog Afgelopen zaterdag – of zondag, dat weet ik even niet meer – was ik een uurtje bij de ontwerpster voor mijn nieuwe boek. Het is mijn tiende boek, de bloemlezing meegerekend. Dat schijnt te moeten, al tel ik dat boek liever niet mee, een bloemlezing schrijf je niet, je stelt haar samen. Kan wel zijn, zegt men dan: een bloemlezing is een boek. (Maar dan schreef ik er nog meer…)

Whatever, mijn aanstaande boek is het eerste stuk proza sinds het jaar 2000, toen Het verloren lied verscheen. In 2001 verscheen een voor niet-ingewijden bijkans onbegrijpelijk postmodern-postkoloniaal journaal in de traditie van de Indische letterkunde en in 2002 een heruitgave van mijn meest uitgesproken “Indische romans”. Daarna was het vier, vijf jaar columns schrijven, recensies, verhalen en allerlei schrijfsels op het web die me ver deden afdwalen van de zogeheten fictie. Op afdwalen volgt verdwalen ofwel het spoor bijster raken. Dat heb ik teruggevonden. Nogal een ervaring.

Het omslag van Rivier de Lossie ziet er schitterend uit. Het boek (een novelle of een korte roman, dat weet ik niet precies) wordt overigens een non-crisisuitgave: een genaaid en gebonden uitgave (hard zwart kaft met zilveren opdruk op de rug) met een stofomslag. Een dezer dagen gaan zetsel en omslagontwerp naar de drukker. Het kan ook zijn dat de boel er al ligt. Kortom: het boek is in productie. Ik heb nog geen precieze datum van uitgave. Het boek zal in elk geval niet later dan 1 mei verschijnen. Meer informatie volgt spoedig.

De eerste zin

logo alfred birney weblog Iedereen kent de beroemde beginzin Mijn vrouw is dood en al begraven van Marcellus Emants uit Een nagelaten bekentenis (1894). Een voortreffelijke eerste zin is nooit weg, maar staat niet garant voor een voortreffelijk boek. De tweede zin moet namelijk de verwachting van de eerste inlossen. De derde die van de voorgaande zinnen, enzovoort. Als je 2500 zinnen in een zinvolle volgorde achter elkaar hebt gezet, dan heb je een geslaagde novelle of korte roman geschreven. En niet als de eerste zin schittert en de rest bagger is.

Ik heb het eigenlijk altijd obligaat geneuzel gevonden, dat inzoomen op de eerste zin van een literair boek. Het was echt voer voor gemankeerde schrijvers, pseudo-literatoren en meer van dat snobberig volk. Toch heeft dat geleuter over de eerste zin me nooit werkelijk koud gelaten, uiteraard, het hoort nu eenmaal bij het schrijversvak. Schrijven is namelijk een vak. Dat wist u natuurlijk al, al zou je het niet zeggen. Het gros van de boeken dat wordt verkocht is namelijk rotzooi. Bagger. Meuk. Zooi. Crap. Driemaal niks. Mijn zoon wordt intussen echt vrolijk van slechte zinnen. Ik geef hem namelijk bijles door slechte teksten en beroerde zinnen voor te lezen en die met hem te ontleden.

Ik was u nog een anekdote schuldig. Dus begin ik eerst maar over die obligate eerste zin te leuteren. Ik ben namelijk een zeikerd. Dat wist u natuurlijk al, dat hoort immers bij het schrijversvak. Weet u, eh… ik val zo min mogelijk mensen lastig met hinderlijke correcties. Zo’n zeikerd ben ik ook weer niet. Dus als iemand zegt “hoeveel kost dat”, dan verbeter ik die persoon niet. Ook niet als iemand schrijft dat “iets groter is als dat”. Of als iemand roept: “daar irriteer ik me aan”. Ze doen maar. Wat kan mij het schelen. Maar mijn zoon krijgt wél mijn gezeik over zich heen. Ja, figuurlijk, ik ben Reynaert niet hey. U denkt nu vast dat hij ook schrijver wil worden. Nou nee. Zo idioot is hij natuurlijk niet. Het vak Nederlands interesseert hem weinig. Tenzij ik de spot drijf met wat er allemaal gezegd en geschreven wordt. Dan ziet hij dat zijn eigen taalgebruik nog zo beroerd niet is.

We zitten aan de keukentafel en wachten totdat ik iets uit de oven kan halen. Of we hebben net gegeten. Zoiets. Het gebeurt altijd aan de keukentafel. Dáár wordt het meest geschaterd. Er liggen vaak wat boeken in de vensterbank. Recensie-exemplaren die ik opgestuurd krijg. Mijn zoon vraagt dan of “ze een beetje kunnen schrijven”. Dan pak ik een nieuw boek, waar ik nog geen blik in heb geworpen, en lees de eerste zin voor:

Heimwee en hoop, de klanken en etensgeuren van thuis, veel meer kan een migrant niet meenemen.

Mijn zoon laat de zin zwijgend tot zich doordringen. Om hem wat te helpen vraag ik:

“Heb jij weleens een klank van thuis meegenomen?”

Mijn zoon schiet in de lach.

“Heb jij ooit een etensgeur van thuis meegenomen, in je broekzak gestopt misschien?”

Mijn zoon lacht nog harder.

“Wat denk je: neem jij later heimwee mee als je op reis gaat, of krijg je dat heimwee gratis op de plaats van bestemming?”

Mijn zoon klapt dubbel van de lach.

“En die hoop… Nou, goed dan. Laten we die dan maar straks van thuis meenemen, zodat we niet samen onder de tram komen.”

Mijn zoon kronkelt over de vloer van het lachen. En blijft er bijna in wanneer ik zeg dat deze zin niet van een beginner komt, maar van iemand die al een waslijst aan publicaties op zijn naam heeft staan. Dat de tekst ongetwijfeld door een handvol proeflezers is bekeken, door een redacteur is nagezien en door een corrector is nagelopen. Helaas, de vaklui staan op straat. Ik hoef maar een boek te pakken, de eerste zin op te dreunen en er vervolgens met het ontleedmes langs te gaan. Het gaat er niet om wat je schrijft, zelfs niet hoe je schrijft, maar de boel moet wél kloppen.

Plotseling vraagt mijn zoon me: “Zeg, hoe staat het eigenlijk met jouw eerste zin in je nieuwe boek?”

“Eh… watte?”

Ik pak de drukproeven er even bij en lees de eerste zin voor. Die klopt. Maar hij is te lang, besluiten we. Amechtig bovendien, vind ik. Als ik hem in tweeën knip gaat hij er al een stuk op vooruit. Evenwel, de daaropvolgende zinnen kun je niet echt volgers noemen. Het tweede deel van de afgekeurde zin moet naar het einde van de alinea, dan heb je meteen een spanningsveld. Mee eens? Mijn zoon knikt. Zo moet het. En dan zit ik al in de slotfase: het boek gaat weldra in productie. Conclusie: niet de eerste zin moet goed zijn, maar de eerste alinea. En vervolgens… u weet wel.

Mijn zoon houdt zich de laatste tijd opmerkelijk intensief met eerste zinnen bezig. Hij kent er zelfs al eentje, ongevraagd, uit zijn hoofd:

Mijn vader stierf in de armen van mijn driejarige dochter.

Kijk, daar kun je mee aankomen. Deze zin is net zo eenvoudig als die beroemde van Marcellus Emants, maar dubbelzinniger. De informatie die je krijgt is duidelijk en wonderlijk tegelijk. Je wilt meteen weten wat er aan de hand is. Aan u de vraag: welk boek of welke novelle uit de moderne Nederlandstalige literatuur begint met deze zin?