Op de thee bij Lao Tsé

Met de opkomst van China en India als twee wereldmachten is het niet onverstandig om eens een kijkje te nemen in de schatkamer van het filosofische verleden van beide landen. Je hoeft daarvoor niet direct complete antieke boekwerken door te nemen. Dat heeft Michel Dijkstra al voor u gedaan in een alleraardigste bloemlezing. In een inleiding van amper tien bladzijden vat hij de kern van de Oosterse filosofie samen. Die kent hindoeïstische, taoïstische en (zen)boeddhistische varianten. Van de grote denkers en wijzen is Lao Tsé wel een van de bekendste, maar Zhuang Zi is met zijn onnavolgbare gedachtegang toch ook niet te versmaden. Dijkstra zelf is een goede leerling: zijn verhelderende aantekeningen benaderen de eenvoud als van die hij de revue laat passeren. Wat een verademing naast onze tobberige Westerse filosofen en de voortdurende aandacht in de media voor christenen en moslims.

Auteur: Michel Dijkstra
Titel: Bij Lao Tsé op de thee.
Paperback, aantal pagina’s 188
Uitgever: Prometheus

© 2009 Alfred Birney. Dit signalement verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 25 april 2009.

Iemand vraagt me of

Iemand vraagt me of ik voor het verhaal voor de reisgids uit eigen ervaring put. Dat doe ik altijd, in dialoog met mijn verbeelding.

Natuurlijke recycling als begrafenisritueel

aasgier Elk mens stelt zich weleens zijn begrafenis voor. Dat neem ik aan, ik heb er nooit iemand naar gevraagd. De een droomt zich een crematie met serene muziek, de ander een klassieke begrafenis met een fanfare, een derde ziet zijn as in een ruimtesonde rond de aarde cirkelen. Ikzelf ben wat beducht voor de oven van een crematorium, stel je voor dat je toch nog even wakker wordt, dan lig je toch maar mooi in de hel te branden. En tijd is relatief, zoals u weet. In een kist onder de grond lijkt me ook al niks, daarvoor heb ik te veel Edgar Allan Poe gelezen in mijn jonge jaren. Ik stelde me eens voor dat mij een onheuglijke tijding was bereikt van een ongeneeslijke ziekte. Ik had nog maar drie maanden te leven. Zoiets. Wat zou ik doen? Ik zou een enkele reis naar Indonesië nemen en daar de rimboe opzoeken om er te sterven, liefst zo dicht mogelijk bij de krokodillen. Dan hadden zij aan mij een lekker hapje, niemand zou mij ooit terugzien en eh… ja, mijn dood zou een eeuwig raadsel blijven. Een dood zónder begrafenis dus.

Nou heb ik net mijn recensie van Het spoor naar Tibet van Abrahm Lustgarten (uit het Engels vertaald door Gerrit Jan Zwier) naar het AD gemaild, die het in een van de komende weken in de zaterdagbijlage zal opnemen. Er zit een voor mij treffende anekdote in het boek. Die begint zo (blz 209):

“Die herfst overleed Kaldens vader op 57-jarige leeftijd. Monniken uit een klooster voerden de begrafenisrituelen uit, waarna het lichaam van de oude man op een heuveltop aan de overkant van de rivier in stukjes werd gehakt, waar de gieren konden neerstrijken en het vlees meenemen…”

Alweer een bevestiging van mijn idee dat ik in het verkeerde land ben geboren.