Archipel lente 2010

archipel magazine lente 2010 Een voorpublicatie van mijn novelle Rivier de IJssel staat afgedrukt in de nieuwe Archipel Magazine. Mooie opmaak, met de snoet van een leuk meisje erbij, dat in het geheel niet lijkt op de heldin Susie uit het boek, maar dat geeft natuurlijk niet. Archipel Magazine heeft zijn eigen stijl. Plus een eigen formule, maar die gaat veranderen. De verrekijker gaat meer richting Indonesië en omringende landen. Het Indische accent zal verdwijnen. Wél blijft er aandacht bestaan voor oosterse invloeden in ons land, maar dan breder. De koersverandering zal geleidelijk worden doorgevoerd. Laten we het nummer eens doorbladeren:

Het blad opent met de gebruikelijke korte berichten, over de naderende Tong Tong Fair en een lezersreis naar Bali, maar begint daarna direct met een flink reisverslag van Ed Caffin over het nog ongerepte Lombok. Kirsten Vos neemt afscheid van haar lezers in haar column en het blad gaat verder met een verslag van Wouter Muller over zijn Roots ’n Music-lezersreis. Dan een zeer Indisch interview met de nieuwe directeur Yvonne Agnes van het Indisch Herinneringscentrum Bronbeek in Arnhem. Ik haat afkortingen, men spreekt al van het IHCB. Als ze er nou ook nog de A van Arnhem en de G van Gelderland aan vastplakken, dan krijg je bijna iets uitspreekbaars: de IHCBAG (de IHC Bag = een Indische rugzak of zo). De directeur ziet er vriendelijk uit en zegt onder meer dat ze uitziet naar de reisgids Sporen van Oorlog. Dat doe ikzelf ook, want ik mocht er een verhaal voor schrijven. Het boek zal worden gelanceerd op maandag 17 mei ergens in Amsterdam, zo staat in mijn agenda genoteerd. Nadere gegevens volgen op deze site.

Wulan Mei Lina is een fotografe die voor Indonesische begrippen zeer gewaagde foto’s maakt en die in boeken onder de toonbank door laat verspreiden. Ze komt uit een Surabaya’s multireligieus gezin; haar vader was een toegewijd moslim en haar moeder een christen. De zus van Wulan Mei Lina is zo streng christelijk, dat ze zelfs niet met mannen omgaat. Ja, zo kan het ook aan de overkant, dat christenen nog fanatieker dan moslims. Is u dat bekend misschien, heren Pauw en Witteman en overige teeveelui?

Hans Vervoort blijft lichtvoetig, zoals we van hem gewend zijn. Interessant is dat hij aantoont dat de projectontwikkelaars in Thailand en Maleisië zo gek nog niet zijn, vergeleken met die op Bali. Thailand bijvoorbeeld beschikt over zeer goede ziekenhuizen en trekt dus hordes van de gepensioneerden onder de Grijze Golf naar zich toe. Na zijn column een verslag van een feest in Yogya. Is Archipel al zo Indonesisch? Gaat wel, want er volgt een artikel over Advocaat Johannes van den Brand, de Multatuli van Deli. Mooi dat zulke figuren toch nog herdacht worden.

Frans Lopulalan is de minst lichtvoetige columnist van Archipel. Ik ben benieuwd of hij kan blijven. Misschien alleen als hij over Molukse zaken ter plekke schrijft? We zullen zien. En hoe zal de boekenrubriek eruit gaan zien straks? Nu staan er nog allerlei boeken over Nederlands-Indië vermeld, zoals de herdruk van mijn bloemlezing Oost-Indische inkt.

Garuda Indonesia gaat na vijf jaar afwezigheid weer vliegen op Nederland. Ze beginnen met een Airbus, die vliegt via Dubai, waar veel Indonesiërs werken. Er komt ook een grotere Airbus voor een directe lijn naar Amsterdam. Kijk, daar zit ik nou net op te wachten. Als je dan toch in zo’n afschuwelijk vliegtuig moet, dan maar liever in één ruk van 15 uur door naar Jakarta, dan heb je dat in elk geval gehad. Alhoewel, de benen strekken in Dubai is misschien ook wel lekker.

Een artikel over een spiritueel rustoord op Bali. Emma Kwee die haar column buitengewoon lollig afsluit. Zij behandelt Indonesische zaken, dus ik neem aan dat ze blijft. Ikzelf ben overigens bezig aan een vertaling van een stuk van een Indonesische schrijver en cineast… Voor in het nieuwe nummer.

En dan de eerste tekenen van het nieuwe concept van Archipel: een verslag van Hollandse sporen op Taiwan. Er is officieel Nederlands DNA vastgesteld op dat eiland. Tja, die Hollanders veranderden van koeienmelkers in love machines in de VOC-tijd, toch?

Keep Schepel eindigt, neem ik aan, zijn kritische reeks stukken over het gedoe rond het Indisch Huis. Voer voor insiders. Snapt geen love machine wat van. Ik helaas wel.

Wie is Paul Agusta? Dat is een van de vele filmmakers uit Indonesië, die een enorme drukke filmindustrie kent, waar men in het zuinige Nederland gewoonweg geen idee van heeft. Zijn schokkendste uitspraak is wel: ‘Waarom zou je kwaliteitsfilms maken als shit sells?’ Maar wanneer je het artikel leest, blijkt gelukkig dat hij het niet over zichzelf heeft.

Na mijn voorpublicatie over twee bladzijden volgt tot slot de gastronomische rubriek. Benieuwd of er gaat worden ingezoomd op Indonesisch eten in de toekomst en niet op Indisch eten. Wat de verschillen zijn? Tja, daarvoor moet je eerst bij Indische mensen in Nederland gaan eten (niet in een restaurant) en dan bij Indonesische mensen op Java of zo. Probeer daar maar eens om sambal badjak te vragen. Om maar wat te noemen. De geheimen van de Indische keuken nemen de mensen van de eerste generatie mee in hun graf. Sommige van hun kinderen benaderen de kwaliteit behoorlijk. Maar die koken thuis.

Veel plezier met het lezen van Archipel Magazine!

Op gevoel

Op gevoel (slot)

alfred birney Op mijn zevenentwintigste jaar begon ik zelf een lespraktijk als gitaarleraar. Dagelijks scherpte ik mijn techniek met de moeilijkste vingeroefeningen in mijn zucht naar virtuositeit. Ik was in constant gevecht met mijn instrument. ‘Gevoel’ was iets voor idioten, zielenpoten, ordinair volk, Indo’s als mijn vader die alleen maar naar achterlijke Maleise deuntjes konden luisteren. De goden straften mij met een ganglion, een verdikking in de pees van mijn Spartaans getrainde linkerwijsvinger. Vlak voor de operatie bij een plastisch chirurg gooiden de goden er nog een schepje bovenop door mij tijdens een potje sparren op een kungfu-school mijn ringvinger van diezelfde hand te laten breken.

Nooit meer zou ik met die gehandicapte hand op hoog technisch niveau gitaar kunnen spelen. Partituren van klassieke gitaarmuziek en ingewikkelde jazztranscripties konden de vuilnisbak in. Ik moest iets doen, wilde ik niet sterven van verdriet. En ik kwam net als mijn vader achter een ratelende schrijfmachine te zitten.

Lang heeft het geduurd voordat ik weer naar mijn jeugdliefde durfde te luisteren. Het zou uiteindelijk de pure gitaarmuziek worden, muziek die met de gitaar op schoot is geschreven en voor een gitaar is bedoeld. Gitaristische muziek heet dat. Indorock is gitaristisch. Krontjong is gitaristisch. Hawaiian is gitaristisch. Angelsaksische folk en Amerikaanse blues zijn gitaristisch. Flamenco is gitaristisch. Mozart bewerkt voor gitaar is belachelijk. Scott Joplin op gitaar is een belediging voor de piano en mist de dynamiek op de gitaar. Bach op de gitaar is een armoedig aftreksel van de barokluit.

De Indo’s hebben indertijd de gitaar begrepen, onverschillig of het krontjongers waren of Indorockers. Niet door erover na te denken maar door de traditie van de vrije maatvoering te volgen. Die provisorische maatvoering gaat wellicht terug tot de Portugezen, die een eeuw voordat de Hollanders naar de Archipel zeilden daar hun volksinstrumenten en -muziek al hadden geïmporteerd. Luisteren naar de hedendaagse fado is niet moeilijk, pas wanneer je het probeert te spelen voel je dat je met een straffe maatvoering de eerste de beste bocht uitvliegt.

Wat Hollanders op het gebied van de gitaar hebben meegenomen naar de Archipel zou ik niet weten. Denkelijk helemaal niets. Ze verscheepten piano’s, die er een ellendig leven leidden en hooguit de dominantie van het Westen met overdreven pedaalgebruik symboliseerden. In mijn familie werd op de plantages piano gespeeld, mijn grootvader draaide bakelieten grammofoonplaten van westerse opera’s op een slingergrammofoon.

Na jarenlang geen les meer te hebben gegeven, nam ik onlangs mijn laatste gitaarleerling aan: mijn zoon van twaalf. Ik heb hem niet gevraagd waarom hij gitaar wil leren spelen. Zijn moeder is Indo, ik ben het, voor de jongen is er geen ontkomen aan.

Waaraan? Aan de een of andere traditie die je kennelijk via de genen meekrijgt.

Toen ik mijn zoon na enkele lessen overhoorde, merkte ik dat hij niet naar het blad keek op de partiturenstandaard.

`Hey, waarom lees je niet?’ vroeg ik, kribbig in mijn rol van muziekleraar.

‘O, ik speel het op gevoel,’ zei mijn zoon, met dezelfde muzikale intonatie als die oude Indo’s van weleer.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Zoeken

Op gevoel (8) Zoeken

Ik zag nog niets in de Hawaiian-muziek van een grootheid als Sol Hoopii, die traditionele Hawaiian-muziek combineerde met Amerikaanse jazz. Deze virtuoze pionier speelde steelguitar, liet met de gitaar plat op schoot een flessenhals over de snaren glijden en zou later als groot voorbeeld dienen voor meestergitarist Ry Cooder. Volgens mijn vader speelde zijn broer al zo in Soerabaja vóór de oorlog, waar hij ooit de tweede plaats haalde bij een steelguitarwedstrijd.

Ik leerde mezelf mijn gitaar in allerlei alternatieve stemmingen zetten en had niet veel moeite om op die manier te spelen. Maar het verveelde snel. En waar ik mijn hersens over brak en mijn vingers dus nauwelijks aan toekwamen, was de krontjongmuziek, de échte, dus niet de nepzooi van Indo-liedjes gezongen achter de piano. Nee, de muziek van bijvoorbeeld een krontjongoctet, gewapend met gitaren in diverse maten, viool, ukelele en cello. Er stond letterlijk geen maat op, de muziek was onmogelijk in één maatsoort onder te brengen, wendingen waren te onverwacht om met potlood in notenschrift op papier te kunnen zetten. Ik begreep er niets van.

Krontjong luisterde naar andere wetten. Zoals leden van een klassiek westers strijkkwartet bij de uitvoering van, zeg, Mozart, Beethoven of Bartók vooral goed naar elkaar moeten luisteren, moeten die van een krontjongorkest elkaar vooral goed aanvoelen. Een strijkkwartet leest, een krontjongorkest doet dat niet.

Rond mijn vijfentwintigste jaar leerde ik mijn tweede gitaarleraar kennen, toevalligerwijs weer een Indo. Vreemd… als ik in de spiegel keek zag ik nooit een Indo, ik zag mezelf ongekleurd. Maar als ik bij mijn leraar binnenstapte voor mijn wekelijkse klassieke gitaarles, dan zag ik een Indo en verwonderde ik me over zijn muziekkeuze. Al die gitaarmuziek van Fernando Sor, Augusto Barrios en Abel Carlevaro detoneerde met zijn gestalte van een forse, ongepolijste Indo van Borneo. Verborg hij misschien iets?

Ja. Naast zijn baan als gitaarleraar aan het conservatorium van Den Haag en op de Stedelijke Muziekschool van Delft leefde hij zich uit op de saxofoon. In de weekends speelde hij in een latin-orkest, tussen de Hollanders en Antillianen. In die hoedanigheid heb ik hem nooit zien spelen, zoals ik mijn vader nooit heb zien luisteren naar zijn krontjong. Want zodra ik de huiskamer binnenkwam, zette mijn vader zijn krontjong- of Hawaiian-muziek af en legde een grammofoonplaat van The Rolling Stones op de draaitafel. Je kunt niet al je muziek delen met anderen. Zeker niet als het een opera van herinneringen in je wakker roept.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Noten lezen geen verraad meer

Op gevoel (7) Noten lezen geen verraad meer

notenschrift Vraag een bejaarde Indo hoe hij speelt en het klassieke antwoord luidt: ‘Op gevoel. Je moet spelen op gevoel.’ Vraag hem welke akkoorden hij pakt en hij zal zeggen: ‘Ik weet niet, als maar klinkt ja…’

Davey was in die tijd ook zo. Als ik met potlood en kladblok in de hand aan hem vroeg een akkoordenschema te dicteren, dan zei hij dat hij ook niet precies wist hoe al die akkoorden heetten. Zo liet hij mij gefrustreerd achter. Was ik niet muzikaal genoeg om zomaar voor de vuist weg te spelen of miste ik een basis? De directie van het tehuis wees een verzoek van mij om op gitaarles te mogen van de hand: ‘Komt toch niks van terecht.’

Er woedde een levendige ruilhandel in liedjes met akkoordenschema’s op school. Het waren liedjes uit de hitparade, nu en dan iets van een Indo-zangeres of een band waarin de een of andere verdwaalde Indo speelde. Als het zo was dat de Indo’s de gitaarmuziek populair maakten in de jaren vijftig, dan waren ook zij het die als eersten de slag misten naar een commerciële carrière. Indo’s waren – zo zou ik later leren – feitelijk de échte muzikanten, die alleen aan spelen denken en al het overige aan anderen overlaten. The Tielman Brothers vonden hun optredens in Duitsland belangrijker dan een commercieel circus in Amerika rond de gitaren van meneer Fender. Hollanders waren anders, die leken in plaats van plectrums guldens te hanteren bij het aanslaan van de snaren.

Hollandse muzikanten zouden ook nooit zeggen dat ze bij god niet wisten wat voor akkoorden zij speelden. Zij wisten het. Net als mijn grootvader van moederskant, een Brabantse schoenmaker die in zijn vrije tijd feestjes opluisterde met zijn orkestje. Hij speelde viool en accordeon en kon noten lezen.

‘Echt waar, mam? Kon hij noten lezen?’

‘Ja, natuurlijk kon hij noten lezen!’

Ik raakte in een muzikaal gewetensconflict. Moest ik nou de Indo gaan uithangen die nonchalant zei dat hij ‘op gevoel’ speelde, of moest mijn imago dat van de noten lezende muzikant worden?

De grote broer van Davey zou als voorbeeld gaan dienen. Hij speelde Bach op de gitaar en bezocht het conservatorium in Den Haag. Ik nam les bij hem en schiep er genoegen in dat geheimschrift van vlaggetjes, stokken, punten, herstellingstekens, kruizen en mollen te leren doorgronden. Maar ik hield het niet lang vol: de folkmuziek van Britse gitaristen klopte aan de deur en wist een restje Schotse genen in mijn lijf heftig in beroering te brengen.

Terug in Den Haag maakte ik Amerikaanse vrienden, bezocht met hen folkcafé na folkcafé en zag er onooglijke muzikanten zonder enig sex-appeal prachtig spelen op hun gitaren. Zonder plectrum lieten ze de bassen dansen en de hoge snaren twinkelen. Ze bezongen de liefde uit vervlogen tijden, flink geworteld in hun cultuur, de voeten lekker diep in de modder, en ze begrepen er niets van dat ik als ‘Dutchman’ geen enkel maar dan ook geen enkel Hollands lied ten gehore kon brengen.

Oh well…

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Vier, vijf snaren

Op gevoel (6) Vier, vijf snaren

davey Mijn vader was geen gitarist, mijn vader was een drummer, zijn muziek een ritmisch gehamer tegen de papierrol van zijn Remington-schrijfmachine. Bezongen werd de oorlog op Java, tot in detail beschreven. Zijn paranoia nam groteske vormen aan, er viel niet langer met hem samen te leven, de kinderbescherming haalde mij en mijn broertjes en zusjes weg en we zagen hem nog maar om de paar weken op de zondagmiddag tijdens het bezoekuur in een Voorschotens tehuis waar wij waren ondergebracht. De overige zondagmiddagen waren voor onze Brabantse moeder, die in haar vroegste huwelijksjaren als ‘hoer van een Indischman’ was nageroepen wanneer zij met ons over straat ging, en nooit meer over die schaamte heen zou komen.

Op mijn vijftiende verjaardag zag ik mijn vader het hek komen binnenwandelen met een kartonnen gitaardoos onder zijn arm. Het instrument was rood gespoten met een zwarte rand. De hoogste snaar knapte al in de eerste week en ik moest wekenlang sparen voor ik een reservesnaar bij een achterafzaak in een regenachtig straatje in Leiden kon kopen.

Ik was verplicht mijn gitaar aan de muur boven mijn bed in de slaapzaal te hangen, wilde het instrument niet steeds door de barbaarse tengels van mijn groepsgenoten in de dagzaal gaan. Gitaren horen niet aan de muur, ze verwelken, drogen uit, ze lijken op castraten wie de tong is uitgerukt. Maar de huisregels waren zó streng dat ik niet dagelijks op mijn jeugddroom kon spelen.

Op een dag kregen wij bezoek van Davey, een jongen uit het dorp, een Indo met lange haren, een gerafelde spijkerbroek en een spijkerjack waarop een Engelse vlag was genaaid. Zijn bezoek was bijzonder. Ten eerste kwamen er nauwelijks jongens of meisjes uit het dorp naar ons tehuis, omdat veel ouders dachten dat wij er zaten omdat we niet deugden. Ten tweede speelde Davey buitengewoon goed gitaar, zo goed dat zelfs de leiding van het tehuis naar zijn gitaarspel kwam luisteren.

Davey zong ook. Hij kende complete teksten van Bob Dylan van buiten, speelde de liedjes van The Beatles beter dan zijzelf en haalde zelfs muziek uit mijn gitaar als er twee snaren waren gesprongen. Was hij langs geweest, dan klonk mijn gitaar als een harp. Davey was mijn held, hij was groter dan welke popster ter wereld ook.

Toen ik hem vroeg hoe hij op vier snaren kon spelen, zei hij dat het een kwestie van stemming was. Hij draaide wat aan de stemmechanieken en zette de gitaar in een krontjong- of Hawaiian-stemming.

‘Je weet toch wel wat krontjong is, hè?’ vroeg hij me met een lachje, guitig, omdat die muziek allang uit de mode was.

Ik vroeg hem of hij Indorock kon spelen.

‘Ja,’ zei hij, ‘die spelen zó… Maar wij, wij spelen tegenwoordig zó…’

Wie waren ‘wij’? Bedoelde hij onze hele generatie of de tweede generatie Indo’s?

Er was geen tijd voor zulke vragen. Davey communiceerde bij voorkeur via de gitaar. Hij was pas vijftien toen zijn band een plaat opnam en de plaatselijke kranten haalde. Maar zijn band, met twee Indo’s en twee Hollanders, redde het niet tegen de overmacht van Haagse bands als The Golden Earrings, Shocking Blue, Q 65, The Motions of zelfs maar The Incrowd.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)