Indisch 3.0 heeft een probleem minder

indisch-3-logo.png Een week geleden vierde Indisch 3.0 haar tweede verjaardag. Dat was ergens in Utrecht, zeg maar in de mega desa van Holland. Locatie: Café Kopi Susu. Voorin de bar met wat tafels en stoelen. Achterin een geïmproviseerde huiskamer met ruimte om te dansen, of om met je bordje nasi tjampoer te kunnen jongleren op de muziek van stemmen met een prettige conversatiesterkte. Hollandse feestjes zijn vaak luidruchtig. Veel koeiengeloei. Wel gemoedelijk, maar zonder die verfijning die Indische mensen hoe dan ook hebben, cliché of niet. Op Indische feestjes zie je niet snel openlijke ruzies; die gaan onderhuids, zijn gemener, zodat anderen er geen last van hebben. Hollanders geven elkaar een dreun en drinken daarna een pilsje. Geen oordelen hier, alleen wat accentverschillen. In een overvolle bar botsen Indische mensen met bordjes nasi tjampoer in hun handen níet tegen elkaar op. Bij Hollanders vliegen de aardappelen en vaatdoekjes je om de oren. Verschillen tussen Hollanders en Indische mensen blijven eenvoudig te maken. Is ook al veel over geschreven. Indische mensen vinden Hollanders onbehouwen en Hollanders vinden Indische mensen beschaafd. Voor de rest is het nasi met bier, dat gaat allemaal wel. Zoeken naar verschillen tussen Indische mensen van de tweede en derde generatie is pas wérkelijk interessant.

Met raciale blik spied ik om me heen, gezichten lezend. Als ik er niet uitkom stap ik op iemand af.

‘Hey, ben je Indisch?’

‘Ja-ha!’.

Ik mag kijken. Naar de ogen, de kaaklijn, de mond. Jonge vrouwen van de derde generatie krijgen vuur in hun ogen zodra ze iets beweren of aandacht van het publiek vragen, jongemannen zijn wat verlegener. Is bij ons, de tweede generatie, ook zo, én bij de eerste generatie. Indisch als een soort matriarchale huiskamercultuur, althans zolang er van buitensporig geweld geen sprake is (zie De onschuld van een vis uit Indische gezichten).

Het voelt lekker je tussen die jonge mensen te mogen begeven. Geen geklaag over overleden vrienden, zieken, kwalen, tempo doeloe, tempo doelloos en hoe beroerd alles tegenwoordig al niet is. Jonge mensen zijn dynamisch, ze zullen ook wel moeten. Twee blanke Indische jonge vrouwen van 20 willen schrijven. Dat betekent niet per se dat ze het over Indische zaken willen hebben. De eerste is verslingerd aan chicklit en wil die kant op. Ze is serieus, want ze schrijft niet meer dan eenderde pagina per dag. Dat klinkt ouderwets in een tijd waarin nogal wat bloggers menen dat ze in een week een fatsoenlijke roman uit hun toetsenbord kunnen rammen. De tweede wil columns schrijven en oefent al op haar weblog. Als ik de koppen tel en een snelle rekensom maak, dan klopt het wel ongeveer dat er een miljoen Nederlanders zijn die een boek willen schrijven en publiceren. Wat dat betreft is er geen verschil tussen Hollanders, Indo’s, Engelsen, Noren, Koreanen, Eskimo’s et cetera.

Een blanke Indische jongen van 3.0 betreedt de vloer voor een Indisch stand-upcomedyoptreden. Hij begint met een sneer naar Wieteke van Dort, die zo nep is als de hel. De sneer is Indisch, dus niet krenkend, maar geen der aanwezigen zal het na zijn optreden nog in zijn hoofd halen om naar de eerstgenoemde totokmarionet te gaan luisteren. De jongen is 31 en zo ontzettend goed, dat je je bijna zou afvragen waarom hij de televisie niet haalt. Hij kan zelfs mij nadoen… Ik ben verbaasd. Hij bleek me eens te hebben gezien ergens op een podium en geeft een Birney-imitatie ten beste. Gelukkig is het goedbedoeld, ik ben gevleid.

Hebben, of hadden, we zulke jongens ook niet onder Indisch 2.0? Jazeker, en altijd binnenskamers. En dat zoeken naar je roots? Zelfde laken en pak. Het is niet waar dat mensen van de derde generatie en masse hun heil zoeken in Indonesië, zoals weleens wordt beweerd. De een doet het wel en de ander doet het niet. Je hebt ze ook die liever gaan skiën in de Alpen, zoals mijn broer, ooit een fanatiek skiër. De een leert bahasa Indonesia en de ander doet dat niet. Niets moet, heel veel mag, er is veel ruimte voor individualisme. Wat me het meest opvalt is dat er zo weinig wordt gezeurd over Indisch-zijn. Indisch 3.0 is gewoon Indisch. Klaar. Wat is Indisch? Domme vraag. Antwoord: een gevoel. Bij de tweede generatie deden we daar altijd wat ingewikkelder over. Dat kunnen ze natuurlijk ook bij de derde generatie. Een enkele blanke Indo wordt soms gewoonweg niet geaccepteerd op grond van zijn of haar uiterlijk.

Kwesties rond blanke Indo’s spelen trouwens al 100 jaar. Die staan het sterkst beschreven in de roman In vreemde sferen (1905) van Victor Ido. Helaas is het boek altijd overschaduwd geweest door zijn latere roman De paupers, waarin zo ontzettend veel geklaagd wordt over de plek van de kleine Boeng, zeg maar de Indo uit de kampong. De Indo moet namelijk zielig zijn (Max Havelaar van Multatuli), of achterbaks (Orpheus in de desa van Augusta de Wit), of inhalig (Goena-Goena van P.A. Daum), of een sexdier (De stille kracht van Louis Couperus), of alleen maar goed als muzikant (Rubber van M.H. Székely-Lulofs) – in elk geval moet de Indo voldoen aan het beeld van de gemiddelde Hollander (daarom zie je ze nauwelijks op televisie, right?). Ik tikte de eerstgenoemde, zeer interessante titel eens voor 15 euro op de kop bij een antiquaar. Misschien betaal je nu tweemaal zoveel voor. Je kunt ook gewoon naar de KB of naar een universiteitsbibliotheek. Of wachten tot mijn essay verschijnt over vergeten Indo-schrijvers van rond het fin de siècle. Dit terzijde.

Bij de tweede generatie werd niet alleen je uiterlijk maar ook je kennis van het Maleis getoetst, de souplesse van je vingers, je muzikaliteit, je bekwaamheid in martial arts, in vliegeren, katapult schieten en ga zo maar door. Bij de derde generatie gaat het zoeken naar overeenkomsten gevoelsmatiger. Ook heb ik nog niet het gevoel gekregen dat men zich tegen mij afzette, omdat ik er zo eentje van 2.0 ben. Dat probleem kreeg de eerste generatie eens van ons op het bord gelegd, omdat zij ons stelselmatig had buitengesloten van de Indische cultuur en had geweigerd thuis Maleis tegen ons te praten. We werden de straat op geschopt omdat we met de Belanda’s moesten leren omgaan. Dat was dan vechten geblazen en met blauw geslagen ogen thuiskomen. Of de politie aan je deur krijgen omdat je een Hollandse jongen had afgetuigd. Plus vijandschap van Molukkers, die ons als verraders zagen.

De vreselijkste vraag die je gesteld kon krijgen van iemand van de eerste (en soms iemand van de tweede) generatie was deze: ‘Zeg, ben jij daar geboren?’

Wenkbrauwen opgetrokken, gefronst voorhoofd, slecht verhuld honend lachje.

‘Nee.’

‘Hm, dus je wéét niet.’

Door díe vraag zal Indisch 3.0 in elk geval niet achtervolgd worden. Wat een zegen! Okay, er zitten er bij met een ouder uit Indonesië en een ouder uit Holland. Eurasians. Maar die hebben de koloniale tijd niet gekend. Tempo doeloe regeert niet meer. Wat ze dan te zoeken hebben bij mensen van Indisch 3.0? Tja, wat hebben Indische mensen wat Hollanders niet hebben? Het antwoord ligt bij de Hollanders, die consequent weigeren hun koloniale verleden uitgebreid in de geschiedenisboeken op te nemen. Weigeren zich te verplaatsen in het perspectief van de Indo en de schijnwerper botweg blijven richten op totokschrijvers die náár de Indische cultuur kijken en niet vanuít de Indische cultuur schrijven. Hollanders kwamen nooit verder dan pindasaus over hun patat mikken. Dat is nog daaraan toe, maar het heeft geen enkele symbolische betekenis.

Aanbevolen door de kenners

Sinds mijn terugkeer als schrijver van verhalend proza kan ik even geen koloniale en postkoloniale literatuur meer lezen. Ze staat eenvoudig te dichtbij, vooral de Indische. Ver van mijn bed staat de Japanse literatuur. Daar kan ik bij wegdromen, het boeit me maar raakt me niet te diep. Op gevaar af om op pil numero elf-lempers te worden getrakteerd, zal ik maar gauw vermelden dat het boek Eeuwige reizigers; een bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur van Jos Vos (Arbeiderspers, 2008) in de achtste eeuw begint en eindigt in de negentiende. Dus vóór Van den Vos Reynaerde en vóór de Max Havelaar. Een enorme verzameling van vertellingen, poëzie, dagboekfragmenten, memoires en zelfs sprookjes. Als je iets van de Japanse cultuur wilt begrijpen, uit fascinatie voor de vijand van je (voor-)ouders bijvoorbeeld, dan is deze bloemlezing een aanrader. Opvallend is het aantal schrijfsters, net als in de Indische bellettrie, met één van mijn grote idolen: de hofdame Sei Shōnagon, die zo’n 1000 jaar terug leefde en ons haar wereldberoemd Hoofdkussenboek naliet. Interessant is verder dat schrijvers en schrijfsters net zo makkelijk aandacht aan zowel mannen als vrouwen schenken. Beide seksen kunnen niet zonder elkaar. De liefde en de dood spelen de hoofdrol in de meeste geschriften; het overige doet er weinig toe. De liefde vormt wel vaak een probleem, dat bloeit met fraaie poëzie en eindigt vaak in scheiding en de weg naar non of monnik. De dood is niet zo’n probleem, reïncarnatie regeert. De Japanse literatuur als oase van overzichtelijkheid. Neem vooral de tijd voor deze teksten. Zoals de auteurs en de mensen dat toen deden. Hoed af voor de samensteller en vertaler Jos Vos.

De achternaam Vos komt veel voor in Nederland, dus u gelooft me vast wel als ik zeg dat ik nu niet opzettelijk met de naam Felicita Vos aan kom zetten. Haar boek Blauwe haren zwarte ogen; de Roma-cultuur van binnenuit (Meulenhoff, 2008) is een must read. Terwijl wij, Indo’s en Indischen, de grootste minderheid in Nederland vormen, zijn zij, de Roma (zigeuners), de grootste minderheid van Europa. Een slordige 15 miljoen zielen. De Roma vormen een minderheid mét een volkenrechtelijke status, maar zónder land. Na de Joegoslavië-oorlog werd dit besluit erkend voor de VN en de Raad van Europa met nota bene Duitsland die als enige lidstaat er niet mee instemde. Felicita Vos biedt in haar boek een keur aan portretten van beroemde Roma. De bekendste zijn wel Het Rosenberg Trio, Sylvia Tóth en Tata Mirando. De schrijfster heeft alleen Roma gekozen die het ver schopten in de zakenwereld, de muziek, de politiek of op het danspodium. Dat maakt het tot een trots boek. Ellendige verhalen, met de vergassing van ‘zigeuners’ in het zogenoemde ‘Zigeunerlager’ in Birkenau, heeft de schrijfster er subtiel en toch indringend doorheen gevlochten. Net als het verhaal van haarzelf en haar vader. Wat mij zo intrigeerde zijn de treffende overeenkomsten met de Indische opvoeding in de jaren vijftig. Roma vaders die eisen dat hun kinderen later zullen slagen in de maatschappij. De niet aflatende drang tot muziek maken. Jezelf zo onzichtbaar mogelijk maken. Ervoor zorgen dat ze niet merken dat je Roma bent. ‘Doe niet zo Indisch!’ Remember? Ik in elk geval wel. En dat net in een periode waarin ik even geen Indische literatuur lees. Komt er een Roma-schrijfster voorbij…

Verschenen in Indisch Anders, boekenkrant Tong Tong Fair: 2010