Interview over Rivier de Lossie

river de ijssel alfred birney Vers online een artikel / interview van Kirsten Vos naar aanleiding van mijn novelle Rivier de Lossie:

Rivier de Lossie is de rentree van Alfred Birney op het schrijverstoneel. De in dertig hoofdstukken opgebouwde novelle is een vertelling van een Indische man over zijn rootsreis naar Schotland. Tijdens een wandeling langs de Lossie kruist het pad van de hoofdpersoon dat van een onbekende vrouw. Ondersteund door het lied The Ferryman’s Daughter van de Schotse folkzanger Donovan Leitch, bewegen hoofdpersoon, vrouw en rivier steeds dichter naar elkaar toe. Een volkslegende blijkt daar iets mee te maken hebben. Hiermee heeft Birney een eigentijdse variant op de Indische mythes en sages geïntroduceerd, zonder te vervallen in voor de hand liggende parallellen met Indonesië. In gesprek met de auteur verken ik de vele dimensies van deze pageturner. Lees verder hier…

Doelwit Den Haag

logo alfred birney weblog Ik heb nog nooit iemand een ander overhoop laten schieten, in mijn proza welteverstaan, althans niet zo koelbloedig als in mijn bijdrage aan het schrijversfeuilleton dat deze zomer speelt in Den Haag Centraal. In mijn verhalenbundel Fantasia gebeurt wel zoiets, in het verhaal De huurmoordenaar, maar dat is geen misdaadgenre. In Den Haag Centraal staat deze week mijn bijdrage aan het schrijversfeuilleton Doelwit Den Haag. De opmaker heeft wat moeten goochelen om de tekst passend op een hele bladzijde te krijgen. Hierdoor zijn wat alinea’s weggevallen. Maar het verhaal is wel te volgen en de illustratie is geweldig: een gangster, een pistool in de ene, een schaaltje haring in de andere hand. Er is weliswaar een fout ingeslopen door het heen-en-weer mailen met een redacteur. In de oorspronkelijke versie staat ergens dit:

‘We zijn op een missie voor die nieuwsgierige collega van je,’ zei de man op de voorbank. Als je wilt dat die jongen blijft leven, werkt dan mee. Wil je dat hij sterft, met jou erbij, weiger dan elke medewerking. Hier is je tekst, leer die uit je hoofd.’

Er is “werkt” blijven staan omdat ik “u” schrapte uit “werkt u”. Typische nalatigheid door het schrijven op een pc. Na wat redactioneel commentaar komt het volgende er te staan, maar de echte fout wordt er niet uitgehaald:

‘We zijn op een missie voor die nieuwsgierige collega van je,’ zei de man. Als je wilt dat hij blijft leven, werkt dan mee. Wil je dat hij verdwijnt, met jou erbij, weiger dan elke medewerking. Hier is je tekst, leer die uit je hoofd.’

Na een tweede ronde staat er:

‘We zijn op een missie voor die nieuwsgierige collega van je,’ zei de baas. Als je hem terug wil zien, werkt dan mee. Hier is je tekst, leer die snel uit je hoofd.’

Na de derde ronde wordt het:

‘We zijn op een missie voor die nieuwsgierige collega van je,’ zei de baas. ‘Als je hem terug wil zien, werkt dan niet meer. Hier is je tekst, leer die snel uit je hoofd.’

Ten slotte staat er in de krant:

‘We zijn op een missie voor die nieuwsgierige collega van je,’ zei de baas. ‘Als je hem terug wil zien, werk dan niet meer. Hier is je tekst, leer die snel uit je hoofd.’

Omdat de fout er niet is uitgehaald, moest de corrector of eindredacteur er maar een slag naar slaan. Dit kan gevolgen hebben voor de auteur die na mij komt. Hij of zij zou kunnen denken dat de heldin niet meer naar haar werk durft te gaan. Voor het verloop van het feuilleton maakt het weinig uit: dat is sowieso ongewis. De editie van Den Haag Centraal is nog vier dagen in de losse verkoop te krijgen, voor zover ik weet alleen in Den Haag. Een abonnement nemen kan ook.

Die eeuwige oorlog

logo alfred birney weblog Nu de meerderheid van de eerste generatie Indische mensen van de aardbodem is verdwenen, beginnen hun nazaten zich roeren in (veelal zelfuitgegeven) memoires en geschriften. Er zitten flink wat mensen bij die een (blanke) vader hadden, die al de oorlog in werden ingestuurd (de zogenoemde Politionele Acties in Indonesië: “Een mooi woord voor oorlog” volgens Ad van Liempt) voordat Nederland helemaal bevrijd was geworden door de geallieerden.

Soms neemt iemand contact met me op, met de vraag of ik kan helpen bij het uitrafelen van allerlei oorlogstoestanden in Indië/ Indonesië. De laatste tijd reageer ik veelal narrig dat ik niets meer met die vervloekte oorlog te maken wil hebben. Ikzelf ben, of liever gezegd was, meer geïnteresseerd in de ervaringen van kinderen van ouders met een oorlogstrauma: de gekte die kinderen overgedragen kregen. Het beste voorbeeld daarvan is mijn roman De onschuld van een vis (1995), herdrukt in Indische gezichten.

Fictie is voor mij een bevredigender manier om de nasleep van een oorlog te tonen dan non-fictie. Ik geloof niet zo in non-fictie. Ik geloof dat zodra je de pen oppakt je de geschiedenis al begint te kleuren. Er zijn acht familieleden van mij door de Japanse bezetters de dood ingejaagd. Als fictieschrijver zoek ik naar de kern van oorlog en volg dan liever één persoon die de dood in wordt gejaagd dan acht personen. Mijn vader schreef zijn oorlogservaringen neer gedurende de dertien jaar waarin ik met hem leefde. Ik hoorde elke avond die ratelende schrijfmachine. Eenmaal uit huis weggehaald door de kinderbescherming en geplaatst in een internaat hoorde ik die dominante schrijfmachine niet meer. De oorlog in Indië raakte op de achtergrond.

Later, toen ik een grote jongen was en ik mijn vader regelmatig bezocht, vroeg ik om verhalen over zijn jeugd van vóór de oorlog. Kortom: de Tjalie Robinson stuff. Dan begonnen de verhalen over de jacht, goena-goena en mooie Chinese meisjes, maar die mooie vertellingen gingen naadloos en in no time over in die afschuwelijke verhalen over de oorlog. En weer later kreeg ik te maken met Indische instanties die zich via allerlei invalshoeken met de oorlog bezighielden. Toen mijn vader stierf in 2005 kreeg ik een klap. Er viel iets weg. Ik donderde in een gat. Ik moest me opeens met iets anders gaan bezighouden dan met die vervloekte oorlog. Ik begon de oorlog te haten, als ik dat al niet deed, en probeerde de oorlog af te zweren. Evenwel, oorlog komt altijd wel terug in mijn boeken (mijn postkoloniale werk, niet in de rest van mijn proza), eenvoudig omdat oorlog bij de wereldgeschiedenis hoort en omdat mensen nu eenmaal jaloers, egoïstisch en oorlogszuchtig zijn.

In mijn novelle Rivier de Lossie (2009) speelt de herinnering aan een hele verre oorlog, tussen de Scoten en de Picten. Dat is in de negende eeuw na Christus. Er komt ook een flits van de oorlog in Nederlands-Indië voorbij. Maar het eigenlijk verhaal gaat heel ergens anders over. Zo ook in Rivier de IJssel (2010). Oorlog speelt wel op de achtergrond, maar de koloniale geschiedenis, de handelsgeest van de Hollanders en racisme staan veel meer op de voorgrond. Maar dan… Ergens schrijf ik het volgende in Rivier de IJssel:

Alexander bleef niet lang in Batavia en trad in dienst als controleur bij het Binnenlandse Bestuur. Hij begon zijn ambtelijke loopbaan in Blitar, een plaatsje in de buurt van Kediri op Oost-Java.
     Blitar… Die naam deed me denken aan een wonderlijk verhaal van mijn vader. In dat kleine plaatsje had hij zijn eerste levensjaren bij familie van zijn moeder doorgebracht. Ze had hem erheen gestuurd vanwege een zweer achter het oor. Als die niet zou genezen, was hij ten dode opgeschreven. Een oom heeft hem met kruiden uit de jungle behandeld. Zo stond het in zijn memoires geschreven.
     Maar laat Blitar nou juist dát ene plaatsje zijn waar hij twintig jaar later als jongeman tijdens de oorlog met een troep Nederlandse mariniers met vlammenwerpers mensen uit hun huizen heeft gebrand!
     Wie snapt zoiets?

Verwarring, vragen waar geen antwoord op komt, rusteloos zoeken naar zoiets als waarheden, hopeloos constateren dat racisme mijn overgrootmoeder al overkwam in 1870 in Deventer. Maar ook: de liefde, de muziek, onvergetelijke ontmoetingen, rivieren die blijven stromen terwijl mensen komen en gaan. Ik verwerk allerlei motieven in een novelle en hoop dat er een juweel tevoorschijn komt. De herinnering aan mijn vaders oorlog laat ik allengs achter me. Het was zijn oorlog. Het is verdomme mijn oorlog helemaal niet.

Maar dan… Archipel Magazine komt uit. Zomaar een zomernummer rond Bali. Toerisme, toch? Stuit ik zowaar op een artikel met de titel: De getuigenissen van FX Harsono (zie de vorige post op dit weblog). Midden op de tweede bladzijde prijkt een vetgedrukte quote:

‘Op beide doeken staan familieleden afgebeeld naast in 1951 door zijn vader gefotografeerde doodshoofden, die in de buurt van Blitar voor herbegrafenis uit Chinese massagraven waren opgegraven.’

Wacht eens even. Mijn vader is daar als een beest tekeer gegaan, heeft er kampongs platgebrand en locals overhoop geschoten, als ik zijn memoires moet geloven. Stel dat dat echt zo was? Zijn moeder was een Chinese. Zijn oom was een Chinees. Het wemelde kennelijk van de Chinezen in Blitar. Volgens het artikel zijn er 191 Chinezen tijdens de vrijheidsstrijd in 1947 en 1948 vermoord door Indonesische vrijheidsstrijders, die de Chinezen als medestanders van de Nederlanders zagen.

Begin ik nu stilaan iets te begrijpen wat een mens helemaal niet zou moeten begrijpen? Dat mijn vaders afgrijselijke wandaden met een stel Nederlandse mariniers een persoonlijke wraakoefening was? Kijk, je kunt de oorlog wel achter je willen laten, of die van je vader, maar je blijft er toch je hele leven aan herinnerd worden. Dit soort geschiedenissen krijgen geen plek in de Nederlandse geschiedenisboeken. Ze krijgen een plek in de beeldende kunst van een kunstenaar die ik niet ken, en in de boeken van een schrijver die hij niet kent.