Mijn naam is Meneer B. en een rusteloosheid dreef me vanavond mijn huis uit, de fluwelen verregende straten door. De nieuwe straatlantaarns geven een fel wit licht waarbij de mens zich veiliger moet voelen, maar de televisie houdt ze nog altijd binnen in dit saaie land. Mijn gitaarkoffer voelde loodzwaar aan, het is decennia geleden dat ik regelmatig met een gitaar over straat ging, ik zal het wel ontwend zijn. Uit luiheid had ik mijn gitaar afgelopen kerst thuis gelaten toen ik bij een vriend ging dineren. Ik vertelde hem wél dat ik een nieuwe gitaar had, met een rinkelende klank, en ik beloofde hem het instrument te komen tonen. Dat was vanavond. Het was zo stil in mijn huis, maar in zijn huis was het nog stiller. Mijn vriend opende de voordeur op een manier die ik niet van hem kende. Ik bleef met mijn gitaarkoffer tussen mijn voeten staan terwijl hij het doodsbericht bracht van een goede vriendin, een vrouw die ik heb gekend. Ik wist dat ze ziek was. Tachtig is een mooie leeftijd. Hoe ouder je wordt, hoe minder doodsberichten je shockeren. En hoe meer je praat over lichamelijke ongemakken, die je vergezellen naar de dood. Dingen die je als adolescent helemaal niet horen wilt. Gelukkig wist ik mijn vriend op te beuren met mijn gitaar. Zijn vrouw zette zelfs de televisie uit. Ik haat de televisie. De televisie houdt de mensen thuis. De televisie lijkt de werkelijkheid te tonen, maar het biedt pulpfictie van het allerlaagste niveau. Maar ik dwaal af.
Maandelijks archief: February 2012
Laatste loodjes werken aan een essay
In 2003 ontving ik van het Letterenfonds een subsidie voor het schrijven van een essay over koloniale literatuur. Vanwege ziekte in de periode 2006 – 2009 liep de voortgang van het boek ernstige vertraging op. Thans leg ik de laatste loodjes aan het boek, dat vele stadia heeft afgelegd. Boven het manuscript staat “9e versie”, dus dat zegt al genoeg. Ik heb er een slordige vijf jaar aan gewerkt. Laatst ben ik speciaal van Facebook afgegaan om ongestoord te kunnen werken, want, zoals u weet, social media leiden schrijvers van hun werk af. De commentaren van redacteur Jim Rotteveel, duizendpoot Esther Wils, Tjalie-biograaf Wim Willems en redacteur Koos van den Kerkhof heb ik in etappes verwerkt. Ik ben nu bijna zo ver dat ik het uiteindelijke manuscript, tellende ruim 58.000 woorden, kan inleveren en even kan gaan uitrusten. Nog een laatste check en het boek kan in productie. Als het productieschema geen tegenwind te verduren krijgt, zal het boek in april op de markt verschijnen.
Wilt u op de hoogte worden gehouden, abonneert u zich dan op dit weblog door op het rss-icoon (voorbeeld hiernaast) te clicken bovenin uw browser.
Sura & Baya
Ik ben in je voetsporen getreden, duizenden dagen heb ik de seizoenen getrotseerd in liefde, haat, verlangen en verbijstering. Je was gekomen van heel ver, je hebt je opgericht als een monster uit de zee, waar je dacht je verleden van je af te kunnen spoelen. Maar wie waren het die je achter je liet: geslagen, verkracht, vermoord, drijvend in de kali die stonk naar de dood en die jou begeleidde naar de haven aan de monding van de rivier? Ze noemen het de Kali Mas, de Gouden Rivier, waar ooit een Sura en een Baya met elkaar vochten, gedoemd om in een eeuwige omstrengeling te bevriezen in het stadswapen van Surabaya, jouw geboortestad op de Noord-Oostelijke punt van Java. Je vertelde me verhalen van de oorlog, avonden lang, je vertelde me hoe je bloed en verderf zaaide met je krijgsmakkers in de dorpen van je jeugd. Wilde je je jeugd met vlammenwerpers en granaten te lijf gaan, om zo de sporen van schaamte en schande uit te wissen? Je werd nooit erkend door je vader, maar je moeder gaf jou het leven niet om de levens van anderen te verwoesten. Wat heb je gedaan? Wie jaagden jou zo op toen de strijdbijl tussen Nederland en Indonesië was begraven? Een Nederlandse legerkapitein bracht jou naar de boot. Zes weken lang voer je op zee en op het laatst was je zo paranoïde dat je overboord sprong en bent gaan zwemmen. Ben je gek geworden in de oorlog of ben je eenvoudig gek geboren? Ik ben in je voetsporen getreden en heb je verhaal geschreven, keer op keer, en niemand heeft me begrepen, laat staan dat ze jou begrepen. Ik trad in jouw voetsporen en reisde terug naar Java. Ik nam niet de boot, ik nam het vliegtuig en kwam droog en schoon aan land op Java. Ik vond de Jembatan Merah, de Rode Brug over de Kali Mas, waaronder het mythische gevecht plaatsvond tussen de Haai en de Krokodil, die het water rood kleurden van de wonden die de dieren elkaar toebrachten. Wie was jij? De haai of de krokodil? Ben ik de brug die zich over jouw verleden buigt zonder zijn eigen spiegelbeeld in het water te kunnen zien? Is er iemand die me volgen kan, helemaal tot hier?
Deze tekst schreef ik voor de foto-expositie van Fabio-Romano del Castelletto, november 2011 in de Maldoror Galerie, Den Haag. Op twee van zijn fotowerken, in de traditie van de oude Chinese schilderkunst op papieren rollen (scrolls), bracht ik de tekst met een stift aan. Om het fotopapier niet te bevlekken, droeg ik een speciale handschoen. De scrolls zijn te koop bij Fabio-Romano del Castelletto. Serieuze gegadigden kunnen zich via het contactformulier op deze website tot de kunstenaar wenden.
Internet als vijand van fictie
In het pré-internettijdperk was de leescultuur een oase waarin fictie kon gedijen zonder door non-fictie gebeten te worden. Verzonnen verhalen stonden model voor het leven van de mens. Thema’s herhaalden zich voortdurend. Een boek werd gedragen door de stijl van de schrijver. Non-fictie werd vaak opgediend in de vorm van essays. Thans worden essays met uiterste omzichtigheid uitgegeven. Veel uitgevers wagen zich er niet eens meer aan. Non-fictie heerst. Bekende Nederlanders krabbelen hun ervaringen haastig neer en zien hun boeken aangeprezen worden door ongeletterde presentatoren. Ik heb de opkomst van het weblog hand in hand zien samengaan met de toename van het aantal non-fictie boeken. Een bekende Nederlandse schrijver, Arnon Grunberg, verwees eens in een boek naar een weblog dat werd bijgehouden door een vrouwelijke romanfiguur. Toen zijn lezers erachter kwamen dat het weblog een verzinsel was van de schrijver zelf, voelden ze zich bedrogen. Het weblog was namelijk niet echt, het was fictie. Ik vroeg me af of er wel plaats is voor fictie op het internet. Ik blogde regelmatig onder de categorie van een verzonnen figuur, en ja: soms kreeg ik een mail van iemand die zich in iemand herkende en daar niet bijster vrolijk van werd. Had ik het in een boek gepubliceerd, dan was het om zo te zeggen een ander verhaal geweest. Hetzelfde verhaal, maar dan in papiervorm, in paperbackuitvoering met een omslag. Wezenlijk is er geen verschil. Het is de leeservaring. Die wordt gehinderd als je tegen het licht van een beeldscherm in kijkt.
19-12-2011 2:35:43
Gekkoleven
De bogen van het balkon op de hoek van mijn Grieks appartement hadden model kunnen staan voor Eschers Droom, een houtgravure uit 1935: in een koude wereld met bogen onder het nachtelijk firmament ligt iemand voor lijk te dromen met een enorm insect op zich, dat hem niet stoort overigens. Hier op het balkon zit ik met mijn hoofd in mijn nek naar het plafond te kijken. De gekko’s dienen zich aan rond twaalven, wanneer de discotheken verderop het volume temperen en de muziek van de cicaden weer de boventoon voert. Mijn favoriete gekko is te laat langs de bogen naar de gevellantaarn komen kruipen, de ideale plek is al ingenomen door een grote gekko. Vlinders en langpootmuggen strijken neer rond de gevellantaarn. Aanvankelijk sluipt de grote gekko behoedzaam naderbij, met pauzes om zijn prooi niet te alarmeren. Maar als de muur eenmaal vol zit met insecten laat de gekko zijn geduld varen en jaagt gulzig in het rond. De kleine gekko, jong en onervaren, is zo vermetel om het territorium van de grote binnen te dringen. Die bolt zijn rug en ziet de kleine dreigend aan. De kleine zwaait met zijn staart en blaast de aftocht. Nadat de grote, volgevreten, de arena heeft verlaten, komt de kleine terug. Tegelijk doemt een nog groter exemplaar op. Dat jaagt de kleine niet weg met lichaamstaal, maar bijt hem bruut in de flank. Ai! De kleine zal lang moeten wachten eer hij eens aan de beurt is. De volgende morgen zit hij er nog. Hij lijkt wel dood, zoals de dromer op de houtgravure van Escher. Is de kleine gekko vandaag gedoemd van insecten te dromen?
© 2002 Alfred Birney
Haagsche Courant, vrijdag 26 juli 2002