Alfred Birney schrijver, webfreak, gitarist

alfred birney is uit het jaar van de kat

Auteur    Boeken    Contact    TABs    Archief   


23/2

hat logo meneer b Toen ik vanmorgen wakker werd, miste ik het gescharrel van verplegend personeel om me heen. Kennelijk heeft de griep me teruggezet in een modus waarin ik gewend ben verzorgd te worden, zoals een jaar terug, toen ik voor bijna drie weken in het ziekenhuis kwam te liggen. Het was op de 23e februari, een vreemde dag, ik was laat opgestaan en voelde me uiterst gejaagd. Ik hikte tegen een deadline aan, moest een boek van Hanif Kureishi recenseren, een auteur die me al nooit beviel en nu met zijn autobiografische Mijn oor aan je hart een zeer onwaarachtige indruk op me had gemaakt. Ik kampte met méér deadlines, leefde op magnetronmaaltijden, coca cola en sigaretten. Het liep tegen zevenen en ik vroeg me af of ik niet naar de sportschool moest, die ik al een jaarlang had verwaarloosd. Het was al donker toen ik begon te transpireren en door een eigenaardige onrust bevangen werd. Ik ging op de bank zitten om mezelf tot rust te manen. Mijn rechterhand zocht met masserende bewegingen automatisch mijn hartstreek. Ik kreeg pijn, ging op mijn knieën zitten, kon nauwelijks overeind komen en raakte in een lichte paniek. Ik pakte mijn gsm, belde een vriend, een hartpatiënt, maar hij nam niet op. De commissaris van de sportschool nam ook niet op. Toen belde ik mijn broer. Hij was op de sportschool, nam mijn alarm serieus en kleedde zich direct om. Een kwartier later was hij bij me. Hij probeerde iets met magnetisme, ik liet hem een kwartier zijn gang gaan, stak nog een sigaret op, nam twee trekjes en drukte hem uit. ‘Ik rook niet meer,’ zei ik en sleepte me de trap op naar mijn slaapkamer. Mijn lijf had een bed nodig, plus eerste hulp. Ik vroeg mijn broer een ambulance te bellen.

Zeven minuten wachten. Je ziet aan de gezichten van de ambulancebroeders dat er iets niet helemaal goed is. Ze beplakken je met elektroden en komen dan met het nieuws dat je een hartinfarct hebt. Je vraagt of je dood gaat en zij zeggen van nee. De trappen in mijn huis zijn te steil voor de brancard, ik loop zelf naar beneden. Buren kijken achter de ramen naar hoe je wordt vastgesjord op de brancard. Een sirene klinkt anders in een ambulance dan erbuiten. Gedempt. In het ziekenhuis vliegen de plafondlichten boven je langs, zoals in een B-film. Nadat je in de operatiekamer buiten levensgevaar bent gebracht, volgen weken van vergeefs wachten op een vervolgbehandeling. Eenmaal thuis leef je een half jaar als een oude man voordat je eindelijk wordt afbehandeld en kan gaan revalideren.

De verhouding van het aantal mensen rond je ziekbed in het ziekenhuis en het aantal dat jou thuis bezoekt is verbijsterend. Ze komen soms met tien tegelijk in het ziekenhuis en vragen hoe dat nou voelt, zo’n hartinfarct, zodat je urenlang moet bijslapen als ze eenmaal zijn vertrokken. Zit je eenmaal thuis, dan blijven ze weg. Kaalslag teistert je adressenboek. Het leven gaat te snel voor je en kennelijk ga jij te langzaam voor al die mensen, die het alsmaar zo druk hebben. Als het conflict dáárin ligt, dan moet dat de reden zijn dat de mensen niet komen opdagen. Het leven als een afvalrace, zoiets.

De geadviseerde griepprik die ik in oktober haalde, heeft me niet geholpen. Sterker: ik voel me grieperiger dan ooit. Maar dat mag geen naam hebben vergeleken bij zoiets als een hartinfarct. Enfin, dat was een jaar terug en ik zal het er vanaf nu niet meer over hebben. En over de mensen kun je misschien maar beter helemaal zwijgen.