Beginnen
Gisteren zat ik sinds jaren weer op de racefiets. De fiets stond me al een paar weken, opgelapt en opgetut, aan te kijken, maar ik had haar links laten liggen. Ik wendde onverschilligheid voor. In werkelijkheid was ik bang als een beginner om met mijn schoenen in de beugels te blijven haken, om een klapband te krijgen, of een gebroken stuur. Of zo traag te rijden dat zelfs mensen op ordinaire fietsen mij voorbij zouden stuiven. Om door de hitte bevangen te worden, ook dat was een aardige reden om niet om dat ding te klimmen. Toch kwam de dag, mijn lijf vroeg erom. Ik graaide mijn wielerkleding uit de kast, zocht lichtelijk nerveus naar gereedschap voor onderweg, vulde mijn bidon en liet me uitzwaaien door mijn zoon, die blij was het rijk voor zich alleen te krijgen. Ik was de straat nog niet uit of ik voelde me alweer één met mijn fiets, wat een goddelijk gevoel is dat vergeleken met dat gesjouw op zo’n kolossale stadsfiets. Ik ben een langzame starter, geef niets om mensen die me voorbijgaan in de stad, ik moet het eerste duin over zijn eer ik een beetje warm begin te draaien. En een uurlang trappen voor ik in mijn cadans begin te komen. Maar ik ben er lang, heel lang uit geweest, en dan beginnen de dingen weer van voren af aan: je moet niet trappen maar molenwieken, je schouders ontspannen, maar dan beginnen je tenen te tintelen en weet je dat je je voeten niet ontspant. Ik weet nu niet wat er de volgende keer pijn gaat doen, ik weet alleen dat er ergens pijn zal komen. Je lichaam toont je elke keer je zwakste plek en pas als je 2000 kilometer in de benen hebt, zit je lekker, zoals dat heet.


