Broese (2)
Broese, de jongen in het lichaam van een oude man, droeg een verschoten leren motorhelm op zijn Jawa en deed die pas af als hij binnen was. Wijnvlekken markeerden de kaalslag op zijn hoofd, tussen gekreukte plukken van dunne resten alang-alang, die zich bogen in hun treurzang.
Alang-alang was het hoge tijgergras waarin Soerabaja Papa en Broese als kleine jongens hadden gespeeld. Broese had het graag over die tijd, Soerabaja Papa niet. Broese wilde herinneringen ophalen aan hun jongensjaren van voor de oorlog, maar die jaren lagen gestold in de bloederige modder op het slagveld van Soerabaja Papa’s herinnering.
Er dwalen tijgers door de alang-alang in Broeses herinnering. Giftige slangen doen hun middagdutje in de schaduw en je moet oppassen ze niet op de staart te trappen, anders ben je nog niet jarig, ha ha. Broeses verhalen zijn lichtvoetig, altijd, en als je er niet om lachen kunt dan doet hij het zelf wel met zijn veel te hoge stem.
In Soebaja Papa’s herinnering zijn de alang-alangvelden donker. Nieuwe maan. Verderop hangt iets dat op een vuurvliegje lijkt. Dat denken de Hollandse mariniers, maar niet Soerabaja Papa. Die sluipt er als een tijger op af, stoot zijn bajonet in de rug van de Javaanse vrijheidsstrijder, trekt hem eruit en snijdt met een flitsende beweging de strot open van de jongen die zijn laatste strootje heeft gerookt. Hij laat hem achter voor de mieren.
Broese zong zijn refrein: ‘Vergeet die dingen toch, wij zijn nu hier: in Holland.’
Soerabaja Papa vergat niet. Als Broese niet wilde luisteren, dan moesten de toetsen van zijn schrijfmachine dat maar doen in de slaapkamer.
Mama Helmond hoort verveeld de verhalen aan van Broese, de oude jongen met de hoge lach. Ik lig in bed en volg het verbeten gehamer van Soerabaja Papa op zijn Remington schrijfmachine. Hij verslijt één schrijfmachine per jaar, hij kan het woord ‘pelopper’ blindelings honderden malen achtereen foutloos typen. Zo probeert hij de dingen te bezweren die hij heeft gedaan in de oorlog. Het zal nooit duidelijk worden wát hij precies heeft gedaan, maar mijn nachten vullen zich met de geesten van hen die hij de dood injoeg. Ze komen me bezoeken, ze willen me wurgen want ik ben een zoon van Soerabaja Papa. Als ik geluk heb is Broese nog op bezoek en jaagt zijn hoge jongenslach de spoken weg. Ik blijf wakker liggen totdat ik hem hoor wegrijden op zijn Jawa. Dan hangt het huis weer vol met de schaduwen van die vervloekte oorlog, zoals Mama Helmond die noemt. Zong Broese wel eens op zijn Jawa terwijl hij scheurde langs het Zuiderpark? Een oud krontjonglied misschien? Iemand met zo’n castratenstem kon toch moeilijk zijn eenzaamheid uitschreeuwen?
Haagsche Courant, 26 september 2003


