Broese (3)
Broese was een oude wees. Hij had niemand buiten zijn oude schoolkameraad. Soerabaja Papa was niet zuinig op zijn oude vriend en oefende veel kritiek op hem uit.
‘Jij hebt de HBS doorlopen, maar je doet het werk van een koelie!’
‘Ik heb het naar mijn zin hoor! ’s Nachts is het rustig. Dan kan ik goed nadenken.’
‘Nádenken? Wáárover?’
‘Ach, ik laat zo’n beetje mijn gedachten gaan, dat snap jij toch wel?’
‘Zo, dus jij laat je gedachten gaan… Jij moet je hérsens gebruiken, man! Ik werk bij Rijkswaterstaat. Maar jij? Wah, jij schopt het niet verder dan nachtwaker met je HBS!’
Broese waakte toch ook overdag. In een wat modeloos gehurkte houding houdt hij een oogje in het zeil terwijl wij kinderen spelen aan de waterkant. Lozerlaan rond 1960, waar de stad verzandt in hobbelig terrein met geraamtes van nieuwbouw. Ik sta dicht tegen Broese aan, zelfs ik als knaapje zie er nostalgisch uit op de foto, alsof ik Broeses herinnering deel aan de kali uit zijn jeugd ergens in Soerabaja. Als ik na zo’n dag niet slapen kan, zie ik hem zijn nachtelijke rondes maken langs de spookachtige bouwplaatsen. Hij draagt een zaklamp en om de tijd te doden zoekt hij naar ratten en praat tegen ze. Soms komt hij met een verhaal dat ik maar half begrijp, iets over een vrijend stel dat hij heeft betrapt. Heeft hij het ooit betreurd als knaapje oud te moeten worden omdat de Japanners hem hadden gecastreerd?
Op een zondag nam Soerabaja Papa mij mee achter op zijn bromfiets. De oude jongen met het dunne haar op zijn bevlekte ronde hoofd woonde ergens aan de Loosduinseweg op een parterre. De bel werkte niet. Soerabaja Papa probeerde door de ramen naar binnen te kijken, maar die waren te vuil. Hij klopte aan. Het duurde lang voor Broese opendeed. Misschien hadden we de nachtwaker uit zijn slaap gehaald. Hij liet ons wat onhandig binnen, onwennig met dat plotselinge bezoek. Zijn huis was bijna leeg. De hutkoffer van zijn overtocht uit Indië deed dienst als salontafel. Er stond één stoel. Die werd mij gewezen.
Soerabaja Papa zei: ‘Zo, woon je hier dus…’
Hij stapte onrustig door de lege kamers, de handen losjes in de zakken van zijn terlenka pantalon, mopperend, schertsend, schimpend.
Broese gaf me limonade te drinken uit een vlekkerig glas waaraan haartjes kleefden. Hij verontschuldigde zich voortdurend tegenover Soerabaja Papa, dat hij ons niets beters te bieden had. Maar het huis zou beslist worden opgeknapt, hij zou meubels kopen, fatsoenlijk servies en ja… gordijnen.
Als je iemand bent die zich voortdurend voor zijn leven moet verontschuldigen, komt de dood je dan nog wel met genoegen halen?
Haagsche Courant, vrijdag 3 oktober 2003


