Castrololie
Soerabaja Papa had de onbedwingbare neiging veel te veel blikken Castrololie in huis te halen, alsof het om ketjap ging voor een Indische familie met een zooi neven, nichten, ooms en tantes. Hij leek wel verslaafd aan die vette motorolie. Mama Helmond haatte dat spul, ze haatte alles wat vlekken kon maken. Eén druppel Castrololie op haar Haags geboende zeil en ze werd weer overvallen door die maniakale opruimwoede van haar. Het liefst had ze ons ook nog opgeruimd. Haar moeder gaf eens het voorbeeld door Phil, Arti en mij elk in een kast op te sluiten in het woonhuis boven de schoenmakerij van opa in het Helmondse, anno 1960.
De merknaam Castrololie verschilt maar met één letter van de beruchte soortnaam castorolie, die in vervlogen tijden in Nederlands-Indië werd gebruikt als middel tegen allerlei kwaaltjes. Ouders dreigden hun kinderen castorolie te laten slikken als ze niet wilden eten. Ik neem aan dat ook Soerabaja Papa als jochie gekweld is geweest door die zogenaamde wonderolie. Bij gebrek aan castorolie in Nederland, maar stellig uit respect voor de traditie van zijn moeder diende hij ons in de herfst- en wintermaanden als slecht alternatief levertraan uit de fles toe.
De Castrololie was voor zijn brommer, een Duitse Zündapp, kobaltblauw (favoriete kleur onder Indo’s van zijn generatie). Elke zaterdagmiddag was hij in de weer om zijn kostbaarste bezit draaiend te kunnen houden. De olie zat in ronde groene blikken, waarop de naam Castrol in rode letters op een witte omcirkelde L-vormige baan prijkte.
Soerabaja Papa spaarde de lege blikken op en vulde ze twee bij twee met gips, waarin hij een stok stak om er halters van te maken. Bij het opstaan en slapengaan moesten we met die dingen onze spierballen kweken. Toen ze te licht werden, mixte hij ijzerschroot door het gips.
Had hij een speelse bui, dan legde hij onze matrassen op de vloer en oefenden we elementaire judoworpen. Later werd dat jiujitsu en leerde hij ons aanvallen pareren met messen uit Mama Helmonds keukenlade.
Had hij een rotbui, dan schreeuwde hij iedereen van zich af. Op een dag moest Mama Helmond weer eens zo nodig zijn grenzen verkennen, terwijl wij die toch al lang en breed kenden. Ze ging te ver. De man bedreigde haar met een van de halters waarmee wij onze lijven kastijdden. Maar ze hield haar mond niet. Het gebeurde in de gang met de kokosloper en het kale pitje aan het plafond dat hij een halter op haar bovenarm stuk sloeg. Omdat ze niet langer de in de wasteil gekookte lakens met de hand kon wringen deed hij haar een tweedehands wringer cadeau en probeerde ons te doen geloven dat ze aan trombose leed. Uit wanhoop sloeg Mama Helmond houten kleerhangers op onze armen stuk. Totdat we aanstekelijk begonnen te lachen.
Haagsche Courant, vrijdag 8 april 2005
