Van alle namen uit het adressenboekje van mijn vader die tijdens mijn vroege jeugd in Den Haag voorbijkwamen was die van Stokkermans het gewoonst. Een naam die paste in beeld en spraak van de Hollandse karakteristiek. Veel van mijn vaders vrienden droegen Europese namen die wat detoneerden bij hun Indisch uiterlijk. Er was er maar één wiens naam bijna op zijn gezicht stond geschreven: Matagora. Hij was dan ook geen Indo maar een Ambonees met die typische a’s in de naam: lange, open klanken, zo anders dan de potdichte naam van Stokkermans.
Het fenomeen van de ‘zwijgende Indische vader’ is een fabel, een literair motief dat niet deugt, een cliché. Jongens gaan de oorlog in. De een komt er zwijgend uit, de ander verhalend. Mijn vader, een man uit Oost-Java, vertelde, verhaalde en schreef over de oorlog. Stokkermans, een man uit het Westland, zweeg. Slechts eenmaal zou hij zijn mond hebben opengedaan over de oorlog ver overzee.
Ik herinner me niet dat Stokkermans ooit bij ons aan de deur kwam. Maar hij ontving. Mijn vader zocht hem vaak op, alleen. Eén keer ging ik mee. Stokkermans bewoonde te ’s-Gravenzande een akelig nauwgezet onderhouden huis. De vloeren immer geboend, de Hollandse tafelkleedjes stofvrij, geen dor of ook maar verlept blaadje tussen de kamerplanten in de vensterbank achter de spierwitte vitrages, symmetrisch gedrapeerd achter de pijnlijk gepoetste ramen.
Het moet voorjaar, begin zomer zijn geweest, want er werden asperges opgediend. Ik had die dingen nooit eerder gezien en deed mijn best mijn mond niet te vertrekken bij de bittere smaak. Stokkermans, de man met het strakke gezicht, de gesloten dunne lippen, bekeek me neutraal, terwijl mijn vader me aanspoorde die van boter druipende stelen op te eten.
Er werd niet gesproken aan tafel bij Stokkermans en zijn vrouw. Wanneer je eet, praat je niet. Die cultuur, zo anders dan bij mijn vaders Indische kennissen, waar aldoor werd gesproken over wat je at. De rijsttafel als dubbelmotief voor het bewegen van de mond.
Mijn vader koesterde een groot respect voor Stokkermans. Want Stokkermans was een ‘echte’ marinier geweest, die naar Indonesië was gestuurd om er orde op zaken te stellen. Had hij er dorpen platgebrand in naam van de koningin? Hij sprak er niet over. Had hij Indonesische vrijheidsstrijders neergeknald? De Hollander zweeg.
Vele jaren later ging ik me met mijn vaders oorlog bezighouden. Het was mijn moeder die tegen me zei dat ‘die stijve Stokkermans’ zich ooit één keer iets over de oorlog had had laten ontvallen: ‘Dat je vader een lafaard was.’ Niet bepaald iets wat een zoon graag over zijn vader wil horen. Ging Soerabaja Papa daarom zo vaak naar Stokkermans? Om de held te kunnen zien die hij zo graag had willen zijn?
Haagsche Courant, vrijdag 25 maart 2005
Zatoichi is de naam van een legendarische blinde zwaardvechter, wiens verhaal sinds 1962 al 27 maal is verfilmd. De 27e editie van Zatoichi haalde hier in Den Haag nog maar net het Filmhuis, terwijl hele volksstammen in de rij stonden voor Kill Bill. Maar in Jakarta lagen de rollen omgekeerd. Ik heb Zatoichi er een keer of tien bekeken en er later net zo veel westerse recensies over gelezen. Geen recensent ging in op het martiale aspect van het verhaal.
Het sneeuwt niet vaak in Holland, daarom spreekt het zo tot de verbeelding. Sneeuw is goed voor slechte poëzie, afgezaagde schilderkunst en kerstkaarten. Sneeuw roept koude herinneringen bij me op. Het is winter, vroege jaren zeventig. De hippies van Voorschoten, alle rond de 20, houden beurtelings open huis. Ik raak verzeild bij een getalenteerd kunstenaar die zijn tijd verdoet met blowen. We verkrachten de naald van zijn koffergrammofoon met bekraste elpees van Santana, Pink Floyd en Pearls Before Swine. Iemand duwt een gitaar in mijn handen en vraagt om songs van Leonard Cohen. Mijn stem is laag, ik speel ons cult-idool gemakkelijk na. Maar ik zing en speel mezelf een peilloze diepte in, verlies het contact met de mensen in de kring en voel me verloren. Ik krijg het benauwd en vlucht het balkon op. Fris is de avondlucht, zonder hoop maar vol zuurstof. Iemand komt bij me zitten en rookt een sigaret met me. We zijn jong maar we voelen ons oud, het leven is een hel. Hey, we moeten er eens uit. Waaruit? Uit de hel. Waarheen? Naar de sneeuw! Hij was al van plan geweest om met zijn meisje een paar dagen naar Drenthe te gaan. Brak vakantiehuisje met oliekachels, moeilijk bereikbaar. We delen drie kamers met vijf personen. Het meisje en haar vriend ondernemen een huiselijke ontdekkingstocht naar hun latere huwelijksstaat. Er is een kapiteinsdochter die haar geluk zoekt in problematiek en dramatiek. Ik deel een bed met haar, ze koketteert met een geslachtsziekte die ze bij een popster heeft opgelopen en houdt me wakker met monologen van onvervuld verlangen. Er is nog een vijfde persoon. Hield hij van haar? Sliep hij op de bank? Hoe zat dat ook weer? Ik herinner me zijn voetsporen in de sneeuw. We wandelden tussen kale sparren onder een godverlaten gele hemel. De jongen was lang, zijn blonde haar netjes gekapt, hij droeg een zwarte jopper, hij was niet echt een van ons, hij was geen hippie, we noemden hem square, hij reed zelfs in een sportauto. Verbeten dacht hij na over de zin van het leven. Hij sprak nauwelijks, gaf me stuff te roken en liep in zijn opgezette kraag gedoken met opgetrokken schouders voor me uit. Opeens was hij verdwenen. Ik raakte zijn spoor bijster in de sneeuw en verdwaalde tussen bevroren modderhopen in een landschap zonder liefde voor de kleumende sparren. Ik zag geen huizen, geen wegen, wist niet waar te gaan, en toen ben ik gaan schreeuwen. De blonde jongen kwam terug, in vaderlijk gepeins. We vonden een gerieflijk vakantiehuis, waar een vrouw van een jaar of veertig ons binnenliet. Een open haard brandde, er was soep en brood, de vrouw doodde de tijd met breiwerk voor haar zoon die in een andere kamer televisie zat te kijken. Ik vroeg haar of ze me had horen schreeuwen. Ze knikte. Ik verontschuldigde me. Maar ze zei dat elk mens weleens bang is en het recht heeft om te schreeuwen. Terug in Voorschoten vertelde de blonde jongen overal in het rond dat hij met de jaarwisseling een stunt zou gaan uithalen. We wachtten op een grap, maar het spektakel wilde dat hij zich verhing aan de nokbalk bij zijn ouders op zolder.