Op gevoel

Op gevoel (slot)

alfred birney Op mijn zevenentwintigste jaar begon ik zelf een lespraktijk als gitaarleraar. Dagelijks scherpte ik mijn techniek met de moeilijkste vingeroefeningen in mijn zucht naar virtuositeit. Ik was in constant gevecht met mijn instrument. ‘Gevoel’ was iets voor idioten, zielenpoten, ordinair volk, Indo’s als mijn vader die alleen maar naar achterlijke Maleise deuntjes konden luisteren. De goden straften mij met een ganglion, een verdikking in de pees van mijn Spartaans getrainde linkerwijsvinger. Vlak voor de operatie bij een plastisch chirurg gooiden de goden er nog een schepje bovenop door mij tijdens een potje sparren op een kungfu-school mijn ringvinger van diezelfde hand te laten breken.

Nooit meer zou ik met die gehandicapte hand op hoog technisch niveau gitaar kunnen spelen. Partituren van klassieke gitaarmuziek en ingewikkelde jazztranscripties konden de vuilnisbak in. Ik moest iets doen, wilde ik niet sterven van verdriet. En ik kwam net als mijn vader achter een ratelende schrijfmachine te zitten.

Lang heeft het geduurd voordat ik weer naar mijn jeugdliefde durfde te luisteren. Het zou uiteindelijk de pure gitaarmuziek worden, muziek die met de gitaar op schoot is geschreven en voor een gitaar is bedoeld. Gitaristische muziek heet dat. Indorock is gitaristisch. Krontjong is gitaristisch. Hawaiian is gitaristisch. Angelsaksische folk en Amerikaanse blues zijn gitaristisch. Flamenco is gitaristisch. Mozart bewerkt voor gitaar is belachelijk. Scott Joplin op gitaar is een belediging voor de piano en mist de dynamiek op de gitaar. Bach op de gitaar is een armoedig aftreksel van de barokluit.

De Indo’s hebben indertijd de gitaar begrepen, onverschillig of het krontjongers waren of Indorockers. Niet door erover na te denken maar door de traditie van de vrije maatvoering te volgen. Die provisorische maatvoering gaat wellicht terug tot de Portugezen, die een eeuw voordat de Hollanders naar de Archipel zeilden daar hun volksinstrumenten en -muziek al hadden geïmporteerd. Luisteren naar de hedendaagse fado is niet moeilijk, pas wanneer je het probeert te spelen voel je dat je met een straffe maatvoering de eerste de beste bocht uitvliegt.

Wat Hollanders op het gebied van de gitaar hebben meegenomen naar de Archipel zou ik niet weten. Denkelijk helemaal niets. Ze verscheepten piano’s, die er een ellendig leven leidden en hooguit de dominantie van het Westen met overdreven pedaalgebruik symboliseerden. In mijn familie werd op de plantages piano gespeeld, mijn grootvader draaide bakelieten grammofoonplaten van westerse opera’s op een slingergrammofoon.

Na jarenlang geen les meer te hebben gegeven, nam ik onlangs mijn laatste gitaarleerling aan: mijn zoon van twaalf. Ik heb hem niet gevraagd waarom hij gitaar wil leren spelen. Zijn moeder is Indo, ik ben het, voor de jongen is er geen ontkomen aan.

Waaraan? Aan de een of andere traditie die je kennelijk via de genen meekrijgt.

Toen ik mijn zoon na enkele lessen overhoorde, merkte ik dat hij niet naar het blad keek op de partiturenstandaard.

`Hey, waarom lees je niet?’ vroeg ik, kribbig in mijn rol van muziekleraar.

‘O, ik speel het op gevoel,’ zei mijn zoon, met dezelfde muzikale intonatie als die oude Indo’s van weleer.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Zoeken

Op gevoel (8) Zoeken

Ik zag nog niets in de Hawaiian-muziek van een grootheid als Sol Hoopii, die traditionele Hawaiian-muziek combineerde met Amerikaanse jazz. Deze virtuoze pionier speelde steelguitar, liet met de gitaar plat op schoot een flessenhals over de snaren glijden en zou later als groot voorbeeld dienen voor meestergitarist Ry Cooder. Volgens mijn vader speelde zijn broer al zo in Soerabaja vóór de oorlog, waar hij ooit de tweede plaats haalde bij een steelguitarwedstrijd.

Ik leerde mezelf mijn gitaar in allerlei alternatieve stemmingen zetten en had niet veel moeite om op die manier te spelen. Maar het verveelde snel. En waar ik mijn hersens over brak en mijn vingers dus nauwelijks aan toekwamen, was de krontjongmuziek, de échte, dus niet de nepzooi van Indo-liedjes gezongen achter de piano. Nee, de muziek van bijvoorbeeld een krontjongoctet, gewapend met gitaren in diverse maten, viool, ukelele en cello. Er stond letterlijk geen maat op, de muziek was onmogelijk in één maatsoort onder te brengen, wendingen waren te onverwacht om met potlood in notenschrift op papier te kunnen zetten. Ik begreep er niets van.

Krontjong luisterde naar andere wetten. Zoals leden van een klassiek westers strijkkwartet bij de uitvoering van, zeg, Mozart, Beethoven of Bartók vooral goed naar elkaar moeten luisteren, moeten die van een krontjongorkest elkaar vooral goed aanvoelen. Een strijkkwartet leest, een krontjongorkest doet dat niet.

Rond mijn vijfentwintigste jaar leerde ik mijn tweede gitaarleraar kennen, toevalligerwijs weer een Indo. Vreemd… als ik in de spiegel keek zag ik nooit een Indo, ik zag mezelf ongekleurd. Maar als ik bij mijn leraar binnenstapte voor mijn wekelijkse klassieke gitaarles, dan zag ik een Indo en verwonderde ik me over zijn muziekkeuze. Al die gitaarmuziek van Fernando Sor, Augusto Barrios en Abel Carlevaro detoneerde met zijn gestalte van een forse, ongepolijste Indo van Borneo. Verborg hij misschien iets?

Ja. Naast zijn baan als gitaarleraar aan het conservatorium van Den Haag en op de Stedelijke Muziekschool van Delft leefde hij zich uit op de saxofoon. In de weekends speelde hij in een latin-orkest, tussen de Hollanders en Antillianen. In die hoedanigheid heb ik hem nooit zien spelen, zoals ik mijn vader nooit heb zien luisteren naar zijn krontjong. Want zodra ik de huiskamer binnenkwam, zette mijn vader zijn krontjong- of Hawaiian-muziek af en legde een grammofoonplaat van The Rolling Stones op de draaitafel. Je kunt niet al je muziek delen met anderen. Zeker niet als het een opera van herinneringen in je wakker roept.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Noten lezen geen verraad meer

Op gevoel (7) Noten lezen geen verraad meer

notenschrift Vraag een bejaarde Indo hoe hij speelt en het klassieke antwoord luidt: ‘Op gevoel. Je moet spelen op gevoel.’ Vraag hem welke akkoorden hij pakt en hij zal zeggen: ‘Ik weet niet, als maar klinkt ja…’

Davey was in die tijd ook zo. Als ik met potlood en kladblok in de hand aan hem vroeg een akkoordenschema te dicteren, dan zei hij dat hij ook niet precies wist hoe al die akkoorden heetten. Zo liet hij mij gefrustreerd achter. Was ik niet muzikaal genoeg om zomaar voor de vuist weg te spelen of miste ik een basis? De directie van het tehuis wees een verzoek van mij om op gitaarles te mogen van de hand: ‘Komt toch niks van terecht.’

Er woedde een levendige ruilhandel in liedjes met akkoordenschema’s op school. Het waren liedjes uit de hitparade, nu en dan iets van een Indo-zangeres of een band waarin de een of andere verdwaalde Indo speelde. Als het zo was dat de Indo’s de gitaarmuziek populair maakten in de jaren vijftig, dan waren ook zij het die als eersten de slag misten naar een commerciële carrière. Indo’s waren – zo zou ik later leren – feitelijk de échte muzikanten, die alleen aan spelen denken en al het overige aan anderen overlaten. The Tielman Brothers vonden hun optredens in Duitsland belangrijker dan een commercieel circus in Amerika rond de gitaren van meneer Fender. Hollanders waren anders, die leken in plaats van plectrums guldens te hanteren bij het aanslaan van de snaren.

Hollandse muzikanten zouden ook nooit zeggen dat ze bij god niet wisten wat voor akkoorden zij speelden. Zij wisten het. Net als mijn grootvader van moederskant, een Brabantse schoenmaker die in zijn vrije tijd feestjes opluisterde met zijn orkestje. Hij speelde viool en accordeon en kon noten lezen.

‘Echt waar, mam? Kon hij noten lezen?’

‘Ja, natuurlijk kon hij noten lezen!’

Ik raakte in een muzikaal gewetensconflict. Moest ik nou de Indo gaan uithangen die nonchalant zei dat hij ‘op gevoel’ speelde, of moest mijn imago dat van de noten lezende muzikant worden?

De grote broer van Davey zou als voorbeeld gaan dienen. Hij speelde Bach op de gitaar en bezocht het conservatorium in Den Haag. Ik nam les bij hem en schiep er genoegen in dat geheimschrift van vlaggetjes, stokken, punten, herstellingstekens, kruizen en mollen te leren doorgronden. Maar ik hield het niet lang vol: de folkmuziek van Britse gitaristen klopte aan de deur en wist een restje Schotse genen in mijn lijf heftig in beroering te brengen.

Terug in Den Haag maakte ik Amerikaanse vrienden, bezocht met hen folkcafé na folkcafé en zag er onooglijke muzikanten zonder enig sex-appeal prachtig spelen op hun gitaren. Zonder plectrum lieten ze de bassen dansen en de hoge snaren twinkelen. Ze bezongen de liefde uit vervlogen tijden, flink geworteld in hun cultuur, de voeten lekker diep in de modder, en ze begrepen er niets van dat ik als ‘Dutchman’ geen enkel maar dan ook geen enkel Hollands lied ten gehore kon brengen.

Oh well…

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Vier, vijf snaren

Op gevoel (6) Vier, vijf snaren

davey Mijn vader was geen gitarist, mijn vader was een drummer, zijn muziek een ritmisch gehamer tegen de papierrol van zijn Remington-schrijfmachine. Bezongen werd de oorlog op Java, tot in detail beschreven. Zijn paranoia nam groteske vormen aan, er viel niet langer met hem samen te leven, de kinderbescherming haalde mij en mijn broertjes en zusjes weg en we zagen hem nog maar om de paar weken op de zondagmiddag tijdens het bezoekuur in een Voorschotens tehuis waar wij waren ondergebracht. De overige zondagmiddagen waren voor onze Brabantse moeder, die in haar vroegste huwelijksjaren als ‘hoer van een Indischman’ was nageroepen wanneer zij met ons over straat ging, en nooit meer over die schaamte heen zou komen.

Op mijn vijftiende verjaardag zag ik mijn vader het hek komen binnenwandelen met een kartonnen gitaardoos onder zijn arm. Het instrument was rood gespoten met een zwarte rand. De hoogste snaar knapte al in de eerste week en ik moest wekenlang sparen voor ik een reservesnaar bij een achterafzaak in een regenachtig straatje in Leiden kon kopen.

Ik was verplicht mijn gitaar aan de muur boven mijn bed in de slaapzaal te hangen, wilde het instrument niet steeds door de barbaarse tengels van mijn groepsgenoten in de dagzaal gaan. Gitaren horen niet aan de muur, ze verwelken, drogen uit, ze lijken op castraten wie de tong is uitgerukt. Maar de huisregels waren zó streng dat ik niet dagelijks op mijn jeugddroom kon spelen.

Op een dag kregen wij bezoek van Davey, een jongen uit het dorp, een Indo met lange haren, een gerafelde spijkerbroek en een spijkerjack waarop een Engelse vlag was genaaid. Zijn bezoek was bijzonder. Ten eerste kwamen er nauwelijks jongens of meisjes uit het dorp naar ons tehuis, omdat veel ouders dachten dat wij er zaten omdat we niet deugden. Ten tweede speelde Davey buitengewoon goed gitaar, zo goed dat zelfs de leiding van het tehuis naar zijn gitaarspel kwam luisteren.

Davey zong ook. Hij kende complete teksten van Bob Dylan van buiten, speelde de liedjes van The Beatles beter dan zijzelf en haalde zelfs muziek uit mijn gitaar als er twee snaren waren gesprongen. Was hij langs geweest, dan klonk mijn gitaar als een harp. Davey was mijn held, hij was groter dan welke popster ter wereld ook.

Toen ik hem vroeg hoe hij op vier snaren kon spelen, zei hij dat het een kwestie van stemming was. Hij draaide wat aan de stemmechanieken en zette de gitaar in een krontjong- of Hawaiian-stemming.

‘Je weet toch wel wat krontjong is, hè?’ vroeg hij me met een lachje, guitig, omdat die muziek allang uit de mode was.

Ik vroeg hem of hij Indorock kon spelen.

‘Ja,’ zei hij, ‘die spelen zó… Maar wij, wij spelen tegenwoordig zó…’

Wie waren ‘wij’? Bedoelde hij onze hele generatie of de tweede generatie Indo’s?

Er was geen tijd voor zulke vragen. Davey communiceerde bij voorkeur via de gitaar. Hij was pas vijftien toen zijn band een plaat opnam en de plaatselijke kranten haalde. Maar zijn band, met twee Indo’s en twee Hollanders, redde het niet tegen de overmacht van Haagse bands als The Golden Earrings, Shocking Blue, Q 65, The Motions of zelfs maar The Incrowd.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

De gitaarrevolutie

Op gevoel (5) De gitaarrevolutie

fender stratocaster In Amerika woonde een man die de achternaam Fender droeg. Ook hij keek naar gitaren, maar met een revolutionair oog en zag uiteindelijk niet meer dan een stuk hout met een hals, bespannen met zes snaren. Hij bedacht dat als je het geluid elektrisch versterkte, je helemaal geen holle klankkast nodig had. Fender degradeerde de gitaar tot een plank, waarin hier en daar sleuven zaten voor de elektronica. De hals werd met een paar schroeven aan de plank vastgeschroefd en voor de stemmechanieken vond hij een enkele rij wel genoeg. De Fender-gitaar was geboren, het goedkoopste stuk rotzooi uit de gitaargeschiedenis, maar met een unieke vorm en futuristisch geluid. Elke Indo-rocker werd verliefd op de glanzende Fender Stratocaster, een gitaar waarmee je heerlijk kon showen. Indo-rockers, met The Tielman Brothers als trendsetters, waren latere beroemdheden als Jimi Hendrix en Eric Clapton vooruit. Lang voor Jimi Hendrix speelde Andy Tielman al met zijn tanden. Lang voor Eric Clapton vertolkte Andy Tielman al ballads. En Paul McCartney kreeg gitaarles van Andy Tielman in de vieze kleedkamers van het nachtclubcircuit van Duitsland, nog voordat The Beatles waren geboren.

De Tien Geboden der Muziek werden compleet ondersteboven gehaald. Gebod nr 1 werd: Een gitaar moet glanzen. Gebod nr 2: Een band moet sex-appeal hebben. Gebod nr 3: Ongeacht de moeilijkheidsgraad van het repertoire moet een band voortdurend in beweging zijn op het podium.

Voor roem kenden Indo’s stellig geen gebod. Roem veronderstelt een mentaliteit.

The Tielman Brothers kregen een lucratief contract van de Fender Company aangeboden om reclame voor die ‘planken’ te maken. Maar ja, een Indo was een Indo en morgen was er weer een dag. The Tielman Brothers speelden al in Duitsland, Nederland was veel te klein voor ze en Amerika kon nog wel even wachten. Maar Amerika wachtte niet. The Tielman Brothers hadden net zo beroemd kunnen worden als de Fender-gitaar en misten de grootste kans uit de geschiedenis van de Indorock.

De rest van de wereld zat niet stil. Engelse en Amerikaanse bands bespeelden ook die Fender-planken, maar anders. Hoe? Het verschil lag in timing. Indo-muzikanten speelden nooit op de tel, ze dansten rond het strakke stramien van de vierkwartsmaat, zo verschillend van die Engelsen en Amerikanen, die met strak spel de wereld zouden gaan veroveren.

Indo-muzikanten die met hun Hawaiian-muziek nergens in Nederland meer terechtkonden, althans niet op de grote podia, probeerden hun geluk in Amerika. Tevergeefs. Hawaiian-muziek had afgedaan. Krontjong was in Indonesië achtergebleven. Indo’s wilden dat niet weten, maar het was een feit. Welke Hollander luisterde trouwens naar zoiets als krontjong?

Indo-muzikanten raakten meer en meer aangewezen op de Indische podia, de Indische feestjes doorheen het land, de Pasar Malam in Den Haag voorop. Marginaal werd hun rol, maar minder puristische Indo’s sloten zich aan bij Hollandse bands. En andersom: Hollandse jongens kwamen in Indo-bands spelen. Een mooi symbool voor het einde van de beruchte raciale vechtpartijen, waarachter vaak jaloezie speelde van Hollandse jongens om het geflirt van hun meisjes met Indo’s.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)